Waarom wil een 55-plusser gezond sporten?

3 views
Skip to first unread message

e.timmers6

unread,
Jun 3, 2014, 7:29:44 AM6/3/14
to leefstijlo...@googlegroups.com

 

Beste mensen. Hierbij de juni-bijdrage en eigenlijk bedoeld als laatste bijdrage in dit seizoen. Maar er kan er nog een van Robert Plass en Ben Halle volgen. Verder ontvangt u van Guy en mij over een week een voorstel voor opzet en aanpak voor het seizoen 2014-2015.   

Stelling bij onderstaande bijdrage: ‘Het zelf en samen sportomgevingen vorm en inhoud geven, die op maat en optimaal beleven, leren en ontwikkelen (dus activeren) mogelijk maken, is de kern van het ‘nieuwe’ sporten van 55-plussers.’      

 

Waarom wil een 55-plusser gezond sporten?

Sociale innovatie van het nieuwe en gezonde sporten

 

Een sport(vorm), zoals bijvoorbeeld streetbasketball, kies je omdat deze je aanspreekt, boeit of die je gewoon leuk vindt om te doen. Een sport, sportvorm of een beweegactiviteit motiveert om een van de volgende redenen: bewegen om het bewegen, bewegen om avontuur of spanning te beleven, bewegen om te presteren, bewegen om fit te worden en/of te blijven, bewegen om bij een ‘club’ te horen7. Het willen ‘behoren bij’ en de aard van een activiteit’ hebben met elkaar te maken. Boksen of golf trekt immers verschillende sporters. De aard van een sportvorm (het wat) en de fysieke, sociale en mentale mogelijkheden van de sporter (het hoe) bepalen onder andere hoe verantwoord of hoe gezond dat gebeurt. Zo zal een ervaren zestigjarige voetballer zijn sport niet (te) risicovol vinden. En zeker niet als het als klein terreinvoetbal (vier tegen vier), met een ‘matig intensieve’ inzet een uur lang en eventueel met enkele time outs of spelerswisselingen, wordt gespeeld. Voor een onervaren voetballer is alleen het sportspel vier tegen vier met eventuele verdere aanpassing van spelregels aan de eigen mogelijkheden of die van het team, acceptabel. Zeven tegen zeven spelen met vaste regels en in competitieverband is bij die onervaren voetballer ‘vragen om moeilijkheden’. En niet gezond dus. 

 

‘Dagelijks veel bewegen en sporten’ is per definitie voor iedereen gezond. Onderzoek ondersteunt dat1,2. Het is wel verstandig na te gaan: wat, voor wie, wanneer en in welke mate het gezond is. Daarbij gaat het niet om wat ‘men’ vindt, maar om de eigen keuzes. Neem de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) voor ouderen. Een minimumnorm die voor een 55-plusser inhoudt: ‘dertig minuten matig intensief bewegen op minstens vijf dagen per week’. Dan ben je op het nippertje voldoende lichamelijk actief. Besef wel dat iemand al ‘sedentair’ wordt genoemd wanneer deze overdag meer dan vier uur zittend of liggend doorbrengt. Dat kunnen dan activiteiten zijn als: ‘achter de computer zitten, een boek lezen, tv kijken, piano spelen of gezellig met vrienden uit eten gaan’4. Alleen is dan wel de vraag: is psychisch of mentaal inspannen dan ongezond? Dat het mentaal optimaal functioneren je gezondheid bevordert, vinden bijvoorbeeld ook die 1200 onderzochte personen van 60 tot 75 jaar5 : ‘waarvan 95% zijn hersens goed wil blijven gebruiken, 57% nieuwe dingen wil blijven leren, 43% het belangrijk vindt talenten te blijven ontwikkelen en zichzelf te ontplooien. Hoger opgeleiden hechten gemiddeld genomen meer belang aan het leren van nieuwe dingen en zelfontplooiing (67%) dan mensen met een lager opleidingsniveau (48%)’. Is sedentair niet hetzelfde als lichamelijk én geestelijk te inactief zijn? Koppel dat niet los. Zittend nadenken, leren of ontwikkelen, vereist mentale of psychische activiteit. Op zich gezond. In ieder geval blijkt  hieruit dat een ‘gezond gevoel’ op verschillende niveaus speelt.


Een minimale NNGB-norm zegt persoonlijk gezien nog niet zoveel. Het gaat erom wat je voor jezelf  als optimale sport- en beweegnorm7 ziet.  In de zin van: ‘beweeg dagelijks veel, gevarieerd en gemiddeld intensief (op vijftig procent van je persoonlijk maximale coördinatievermogen) en sport dagelijks een tot twee uur ‘matig intensief’ (op vijfenzeventig procent van je persoonlijk maximale coördinatievermogen). Het omvat zowel fysieke of motorische als mentale coördinatie. Dat laatste veronderstelt: ordenen of structureren, plannen maken, over- en inzicht in processen hebben, strategisch handelen. Maar ook kunnen leren en ontwikkelen. Optimaal is persoonlijk ‘matig intensief’. Iets een tot drie uur kunnen volhouden. Op deze manier kun je ook je eigen optimale vorm en inhoud van een fysiek en mentaal actieve leefstijl beschrijven, die voor jou – en dus tot op zekere hoogte – voldoende gezond en zinvol is.    

Gezondheid heeft in het voorgaande een brede betekenis: het is gezond leven, in een gezonde omgeving wonen en werken en vele en gevarieerde sociale contacten hebben. En  houdt veel meer in dan het alleen gericht zijn op het voorkomen van ziektes.

 

We leven gemiddeld langer en gezonder en passen ons functioneren daarbij aan6. Daarvoor moeten we dan wel onze sportomgeving kunnen veranderen en op onze mogelijkheden kunnen afstemmen. Een kwestie van vitaal, ondernemend willen handelen en willen blijven investeren in je toekomst in de zin van: investeren in jezelf, in relatie met anderen, in omgevingen én in het inspireren van anderen. Clubs, groepen, netwerken en leefgemeenschappen op vele terreinen kunnen ons de mogelijkheid bieden om zelfstandig en samen te functioneren. In een ‘open’ club, waaraan iedereen kan meedoen, kun je veel van elkaar leren.

 

Gezond voelen en coördineren op niveaus

Alleen al door deel te nemen aan een club (sociaal gezien) functioneer je op ‘gezondheidsniveau 1’. Dat doe je met een sportvorm of een activiteit in het algemeen, die je plezier geeft of uitdaagt. Op ‘gezondheidsniveau 2’ functioneer je als je dagelijks veel en gevarieerd beweegt (fysiek) en onderneemt (sociaal). Dat doe je met een voor je gevoel ‘gemiddelde inspanning of belasting’: op ongeveer vijftig procent van je mogelijkheden. ‘Gezondheidsniveau 3’ bereik je als 55-plusser, wanneer je dagelijks een tot twee uur ‘matig intensief’ sport of wanneer je een tot drie uur met ‘matig intensieve inspanning’ leert en ontwikkelt. Op gevoel op driekwart van je persoonlijk maximaal coördinatievermogen. Of je jezelf optimaal kunt inspannen hangt ook af van de aard van een activiteit. Fysieke activiteiten zijn – ook - naar coördinatieniveaus te ordenen3.

Op een Basaal niveau. Bij wandelen of fietsen gaat het om al verplaatsend je ‘evenwicht te behouden’. Dat is een fysieke voorwaarde en kennis van het materiaal of omgeving een is een mentale voorwaarde. Het is vooral ‘actie’ van jouw lichaam in relatie met materiaal (zoals je fiets).

Gemiddeld niveau. Het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van een tegenstander en het zelf meer tactisch handelen, maakt tennis, badminton of tafeltennis wat coördinatie betreft complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) en van beide op maat en ritme van de muziek.

Hoog niveau. Een doelspel als floorball of streetbasketball is weer complexer omdat het gedrag van mede- en tegenspelers jouw spelgedrag beïnvloedt. Ofwel je tactisch handelen. En dat sluit weer aan bij de spelstrategie van je team.   

 

Een laatste en belangrijkste factor die bijdraagt aan je gezondheid is: de ‘wijze van deelnemen’ aan een activiteit ofwel het ‘functioneren in een club’8. Een optimaal participeren daarin brengt je op ‘gezondheidsniveau 4’. Op maat en optimaal fysiek, sociaal en mentaal functioneren  doe je door te zorgen voor een mix van beleven, leren en ontwikkelen en het aanpassen van regels aan de groep, een team of jezelf. Zelfstandig kunnen sporten vereist enige sport- of bewegingsdidactische kennis. Er is ook mentale inspanning en kennis vereist over ‘wat’ je ‘wanneer’ en ‘hoe’ het beste kunt leren of verbeteren. Daarbij is hulp van je clubgenoten en de kartrekker nodig. Zelfstandig sporten vereist fysieke, sociale en mentale inspanning. In zo’n club is dat, al samenwerkend, het beste mogelijk. Om voldoende 55-plussers bijeen te krijgen is een mixgroep voor de hand liggend. Deze bestaat uit mannen en vrouwen, gevorderden en beginners, met voldoende en weinig conditie, gezonde sporters en sporters met fysieke beperkingen (chronische ziekten). Het doet een sterk beroep op ieders sociale vaardigheden.

 

Wat houdt ‘sport(en)’ voor een 55-plusser in?

Wanneer kun je zeggen: ‘ik ben aan het sporten’? Voor een goed begrip hiervan, is enig historisch besef van belang. De sportontwikkeling, vanaf eind jaren zestig, toont dat ‘sport en sporten’ een steeds breder begrip is geworden. Sinds die tijd is het aantal sportvormen sterk toegenomen, zijn meer doelgroepen bij de sport betrokken en wordt er meer onder ‘sport of sporten’ verstaan3,7. De toename betreft eveneens het aantal sportverenigingen, commerciële sportorganisaties of private (zelfstandige) sportclubs. Sport staat voor meer doelgroepen ‘open’: meisjes en vrouwen, minder validen of mensen met geestelijke beperkingen en ouderen. Sport is nog vooral de wedstrijdgerichte competitiesport, maar ook steeds meer de onderling geregelde recreatiesport. De trend dat met name de nieuwe generatie senioren, nu en straks, ‘anders’, recreatief en toch prestatiegericht, wil sporten zie je in onderzoek1.2 niet terug. Zowel de sportontwikkeling zelf als de mogelijk meer ruime sportdefinitie, blijven buiten beeld.


Stimuleren van sportdeelname van ouderen via de verenigingssport is moeilijk te realiseren.  De strakke reglementering van de wedstrijdsport domineert. Het samen sporten in naar niveau heterogene groepen, is bij hen onbekend en wordt ook niet gestimuleerd. Daarom kan de nieuwe generatie beter zelf een sportclub opzetten binnen of buiten een sportvereniging. Bij het ‘nieuwe’ sporten gaat het om een uitdagende activiteit én de ‘wijze van deelnemen’. Het samen al sportend beleven, leren en ontwikkelen, vergt een creatief proces en het goed gebruik maken van de sportervaringen van elkaar uit het verleden. Niet alleen de activiteit moet uitdagen, maar ook het elkaar tot presteren stimuleren. Waarbij niets moet! Sportscholen zijn (nog) te veel op het trainen van ‘fitheid’ (kracht, lenigheid, snelheid en uithoudingsvermogen) gericht en minder op de kwaliteit van het ontwikkelen van een activiteit. Deze nieuwe generatie wil niet meer trainen, maar zich nog wel motorisch, sociaal en cognitief ontwikkelen. 

 

Verschuiving in beleving: wat wil je met  bewegen of sporten?

Naast het aanvankelijk sterk competitie-, selectie-, wedstrijd- en prestatiegerichte sporten is in de loop van de tijd een alternatief ontstaan: het meer recreatieve, belevings-, op onderlinge wedstrijden en op het samen presteren gerichte sporten. De nadruk op maximaal presteren en het belang van ‘winnen’, kan nu ook worden verschoven naar optimaal presteren en samenwerken. Bij dat laatste lag in de eerste decennia het accent inhoudelijk op coöperatieve of ‘groene’ spelen of activiteiten die niet in de wedstrijdsport voorkwamen (zoals surfen). Later zijn dat de vanuit de wedstrijdsport afgeleide minisportvormen, zoals die bij de jeugdsport populair werden.

De acceptatie groeide dat een wedstrijd – en zeker als je onderling speelt -  verschillende bedoelingen voor de deelnemers kan hebben. Als bijvoorbeeld  ‘sporten om het sporten’ centraal staat, gaat het vooral om het plezier van het doen en is winnen of verliezen niet zo van belang. Beleven is belangrijker. En zo nodig verander je regels om een gelijkwaardig spel te kunnen spelen. Binnen de LO of Lichamelijke Opvoeding op school werd vanaf de jaren zeventig het ‘spelend leren’ populair en dat vond ook weerklank in de jeugdsport. Straatsporten of minisportvormen zijn nu de ‘nieuwe’ en meer aansprekende inhouden in vormen als: floorballen, minivolleyballen (vier – vier), indoorsoftballen (twee slagmensen en vier veldspelers), streetbasketballen (drie-drie op een half speelveld), waterbasketballen, tafeltennissen, badmintonnen, klein terreinvoetbal (vier – vier) met boarding, klein terreintennis of pickleball als dubbelspel. 

‘Sport’ is nu ‘elke bewegingsactiviteit die zich als sportvormen binnen de competitiesport heeft ontwikkeld en die ook in meer vereenvoudigde vorm (kleiner speelveld, minder spelers en in het algemeen desnoods met meer aangepaste regels) het onderling en op maat sporten, mogelijk maakt’. De essentie of het meest kenmerkende van een competitie–sportvorm blijft bij die vereenvoudiging behouden. De 55-plusser wil het liefst breed sportgericht bezig zijn en dus wekelijks, als daarvoor mogelijkheden zijn, meerdere sportvormen beoefenen. Omnisporten dus. Hij kent vaak de sportontwikkeling, heeft deze deels zelf ervaren en is vanwege het ‘gezonde gevoel’ bereid er actief en lang mee aan de gang en door te gaan.    

Als je de bedoeling of essentie van een (competitie-)sportvorm toepast, dan ‘sport’ je. Fiets je ‘zo hard mogelijk van A naar B’ dan sport je. Ook al ben je op weg om een boodschap te doen. Doe je datzelfde om de trein te halen, dan is het fietsen alleen ‘verplaatsen van A naar B c.q. het station’ en ontbreekt een sportbedoeling. De essentie van de wielersport is: ‘zo hard mogelijk een bepaalde afstand fietsen’. Dat doel ontbreekt in het laatste voorbeeld. Dagelijks een tot twee uur ‘matig intensief’ sporten is een goede aanvulling op veel en gevarieerd bewegen. Eén voorbeeld van een zelf gekozen optimaal actieve, gezonde en zinvolle dagbesteding.  

 

Literatuurannotaties

1 Sociaal Cultureel Planbureau (2010a). Rapportage sport 2010. Sport: een leven lang. Den Haag/ ’s Hertogenbosch: SCP / Mulierinstituut.

2 Tiessen-Raaphorst, A (red), Doel, R. van den en Vogels, R. (2014). Uitstappers en doorzetters. De persoonlijke en sociale context van sportdeelname en tijdbesteding aan sport. Den Haag: SCP.

3 Timmers, E. (2009). Ontwikkelen van het (beter) leren en sporten op school: van 1970-2010. Over lijnen en relaties in de vakdidactiekontwikkeling van de Lichamelijke Opvoeding in Nederland vanuit een bewegingsonderwijskundig perspectief. Nieuwegein: Arko Sports Media.

4 Visser, M (2014). Meer aandacht voor sedentair gedrag bij ouderen. In GERON, tijdschrift voor ouder worden & samenleving, maart 2014, jaargang 16, p.21 t/m 23.

5 Damman, M (2014). Use it or lose it? Het belang van leren en ontwikkeling in de levens van ouderen. Onderzoek van Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) bij 1200 personen van 60-75 jaar. In GERON, tijdschrift voor ouder worden & samenleving, jaargang 16, maart.
6 Ouderaa, R. van der & Lindenberg, J (2014). Vitaliteit en de ambities, opinies en wensen van 55-plussers. In GERON, tijdschrift voor ouder worden & samenleving, jaargang 16, maart, p.28 t/m 31.

7 Timmers, E. (2010). Sport op maat. Handreikingen voor een fysiek en mentaal actieve leefstijl van je 35e tot je 100e. Nieuwegein: ARKO Sports Media.

8 Meer weten over optimaal actief leven of sporten? Zie www.oldaction.nl .

Reply all
Reply to author
Forward
0 new messages