Google Groups no longer supports new Usenet posts or subscriptions. Historical content remains viewable.
Dismiss

In juni 1670 bijv. was Medemblik de thuishaven van een zeeschip gevoerd ....

172 views
Skip to first unread message

A.G Musquetier

unread,
Mar 29, 2005, 7:40:01 AM3/29/05
to
Burgemeester VAN DER WOLFF en Zandwerven.

Zoals men de achternaam Van der Wolff bij eigen familie zelfs in vrouwelijke
lijn in ere
verlangde te houden, heeft men die ook op geheel andere wijzen vergeven.
In juni 1670 bijv. was Medemblik de thuishaven van een zeeschip gevoerd door
Hendrik
Cornelisz. Viss(ch)er, en genoemd naar de eigenaar ervan: ,,De Wolf"
. Maar ook andere bezittingen van de familie werden op deze manier
aangeduid. Zelfs nu nog heet een pand aan het Vooreiland tussen Oosterhaven
en Sportpark, dat vroeger een graanpakhuis was, De Wolf en een stuk land
van circa 5 morgen groot, gelegen op de Westersche Kruissloot bij Hauwert
droeg de naam van ,,het Wolffsland. Sedert de beginjaren van de XVIIe eeuw
bovendien was de boerderij onder Zandwerven, welke eens het bezit was van de
dijkgraaf Wigger Allertsz, algemeen bekend onder de naam ,,Wolvehuis, een
naam die de boerenplaats eveneens tot op de huidige dag heeft kunnen
behouden Voor mijn verder betoog heeft eigenlijk alleen de hoofdtak van de
Van der Wolffs betekenis, omdat het huis te Zandwerven, waarom het hier in
het bijzonder gaat, bij deze groep personen van generatie op generatie een
erfstuk heeft betekend.
Eerder is hier al de mededeling gedaan, dat Wigger Allertsz. De Dijkgraaf,
zijn ,,Zeed op
Zandwerfen en daarbij een huis van 14 morgen in de ,,Lange Weeren had
ondergebracht in
een door hem gesticht fideicommis; dat na zijn dood zijn weduwe de
eerstvolgende
vruchtgebruikster en dat hetzij aanstonds na zijn dood, hetzij na de dood
van Wigger
Allertsz vrouw rechthebbende wegens die goederen was geworden de
achterkleinzoon Wigger
Jansz. van der Wolff, de Amsterdammer. Ook is ter sprake gekomen dat de
overgegane
fideicommissair verbonden goederen uit Wiggers nalatenschap in 1653
voorshands
ongescheiden onder de familie Van der Wolff te Medemblik zouden blijven.
Lang heeft deze onverdeeldheid niet voortgeduurd, want bij het maken van een
scheiding, na
plaats gehad hebbende artitrage, van de nalatenschap van Marten Jansz. van
der Wolff in leven president schepten van Medemblik en diens huisvrouw Anna
Cornelis, verleden op 5 juni 1670 voor de plaatselijke notaris J. Lobs, kwam
hieraan een einde. De rechthebbenden Ewoud Maertsz. van der Wolff, raad en
oud schepen; Reyer de Boer, secretaris, men en voogd van Maritje Roosterman
als moeder van haar zoontje Maarten, uit het huwelijk van de overleden Jan
Maartsz. van der Wolf, tezamen met twee voogden van dit kind en tenslotte de
brouwer Cornelis Jansz. van der Wolff, constateerden daarbij dat de deelbare
massa o.a. bestond uit ,,Eerstelijcken omtrent veertien morgen lndt mettet
gunt daarop getimmert is, ende gewaardeerd ter somma van veertien duijsent
guldens gelegen in de Weere dico f. 14 000:0, de gerechte helfte
een partije land gelegen op Sandwerven mettet gunt daarop is getimmert voor
de helfte afgecomen van den Burgermr. Jan van der Wolff cum socio waartegens
andere effecten van desen twee hondert gulden dico f.12.200:0.

Het land aan de Weere deed aan huur f. 510:0:0. Dit was tevoren van Weoud
van der Wolff ,,afgecome, nadat hij het zelf van Ruijloff Claasz in de Weere
,,particulie had gekocht.
Bij scheiding viel toen toe als ,,Ewoud Maartsen van der Wolff portie
Eeerstelijcken het Landt op Santwerven metter gunt daarop getimmert is
hiervoren begroot op f. 12.200:0.
.
Daarnaast bleven de landerijen en het huis aan de Oude Weere voor f.
14.000:0 aan Cornelis en Maarten van der Wolff tezamen toebedeeld, waarmee
dus een splitsing in
ling zou erop kunnen wijzen, dat in deze periode een octrooi van de Hoge
Overheid gevraagd en verkregen zou kunnen zijn tot vernietiging van het
fideicommis, immers in latere tijd is er bij geen enkele nieuwe overdracht
van de ,,Zeed op Zandwerven meer sprake van dat fideicommis. Evenmin werd
naderhand in de transporten van het goed aan de Oude Wheere van enig
fideicommissair verband melding gemaakt.
,,Huis en Saateland in de voorsz Weere gelegen werden eigenlijk op 8
september 1704 voor natoris N. Cos aan de toenmalige huurder Pieter Pietersz
Butter van de hand gedaan door Maarten van der Wolff en Anna van der Wolff,
vrouw van de ,,tegenwoordig uitlandige
Sr. Dirk Koen.

Fortuinlijk is Ewout Maerts van der Wolff intussen met zijn bezit op
Zandwerven allerminst geweest, want ruim vier jaren na deze toescheiding
werd zijn huis daar door een plotseling opgekomen natuurramp als het ware
verpletterd. Verschillende tijdgenoten hebben gerapporteerd hoe op 1
augustus 1674, zijnde de algemene dankdag wegens onze verlossing van de
Franse veroveraars, een onweer en orkaan onstonden zoals zelfs oude lieden
nimmer beleefd hadden.
Sommigen meenden daarbij getuige te zijn van het vergaan van de wereld want
zware bomen werden uit de grond gerukt, molens, huizen, maar ook kerken en
torens waaiden om. En van de vele rapporten luidde: ,,quammert avons ontrent
tusschen seven en acht uur een donder en blickxsem op met sterken windt dat
bij mensche gedenck sulcken noijt geweest is hier te landt
Duidelijker was nog de Enkhuizer kroniekschrijver Sebastiaan Centen, die
verzekerde dat het vernielende natuurverschijnsel uit Utrecht komende in
Holland zijn loop nam over Amsterdam door Purmerland de Purmer Purmerend
Kwadijk de Beemster naar Hoorn Enkhuizen, Wieringen en Texel.. ,,dan het
zeldsaamste van alles was, dat men die vreeslijke Orkaan, die
s Avonts tusschen 6. En 7. andere zeggen tusschen 7. en 8. uren begon (,
sommigen zeggen drie quartier uurs duurde, verzelt met donder, blixem,
regen, en hagelstenen van vierendeel pond zwaar) te Haarlem niet eens
gevoelt wierd.
Tegenwoordig wordt hetgeen voorviel en dat wij meemaakten in de ramp, die
Borculo trof, door de moderne meteoroloog als een storm aangemerkt wordt
maar als een ,,koufront, dat vergezeld ging van zware windstoten, hagel,
bliksem en donder. Dit moge de volstrekt juiste kwalificatie dan zijn, maar
het blijft niettemin duidelijk, dat de gebeurtenis voor de tijdgenoot van
bepaald van bepaald katastrofe betekenig moet zijn geweest.
Er waren op die 1 augustus alom in den lande zo talrijke rampen
voorgevallen, dat over de vernieling waaraan het huis te Zandwerven moest
bloot staan, geen verslag is vastgelegd. Toch zal de verwoesting van zijn
eigendom voor burgemeester Van der Wolff een flinke schadepost hebben
betekend. Aangezien de omstandigheden, waaronder de gebeurtenis zich voltrok
niettemin bijzondere vermelding verdienden, zal hij zich geroepen hebben
gevoeld om het gedenkwaardige feit in een openbaar opschrift voor de
toekomst vast te leggen. Hij heeft dit gedaan, daarbij uiting gevende aan
zijn liefde voor het Oranjehuis zowel als voor zijn Vaderland, door op een
zandstenen cartouche, dienende tot versiering van zijn ter plaatse in het
volgende jaar (1675) weer opgebouwde boerderij deze tekst te plaatsen:
8M
A0 1674 JD
DE DONDERENDE STROM SLOEG MIJ OMVEER
MAER SPRINS EN SLANTS HERSTEL
HERBOUT MY WEER
AO 1675.
De gevel van het huis werd ook overigens nog op een bijzondere, bij
dergelijke gebouwen ten platten lande maar zelden toegepaste wijze,
versierd. In de top werd het gebeeldhouwde wapenschild van de Stad
Medemblik aangebracht (dit heeft tegenwoordig de heraldische kleuren, zwart
en goud, verloren en het is op zijn kop gezet!), terwijl onderaan de hals
van het boerderijfront, links en recht op de plaatsen, waar men voluten
verwachten kon, een in zandsteen gebeeldhouwde wolf heeft postgevat als
duidelijke zinspeling op de achternaam van de herbouwer. Ook op een andere
wijze gaf de eigenaar uiting aan zijn persoonlijke bemoeienis met het
herstel te kennen, namelijk door de plaatsing in het doorbroken fronton der
geveltop van een derde, ditmaal zittende wolf in steen gebeeldhouwd,
fungeerde als schildhouder van zijn geslachtswapen.
Het hier voorgestelde wapen Van der Wolff is gevierendeeld:
drie schaaktorens (rocchiquiers), 1 en 2;
2 en 3 een klimmende wolf naar rechts;
4. een haspel, liever gezegd een haspelraam.

In bonte variatie werd het wapen door de familie gevoerd.
Zo is weliswaar op het glasraam in de Bonifaciuskerk te Medemblik dat
exemplaar gevierendeeld: 1 en 4 op goud drie zwarte schaaktorens, 2 en 1; 2
en 3 op blauw een zilveren wolf, die op een groene grond tegen de
delingslijn klimt. Maar de Maximiliaansheer Cornelis van der Wolff voerde
blijkens de hensbeker alleen de 3 schaaktorens, die evenwel hier 2 en 1
geplaats zijn. Dat is ook het geval van een wapen op de gedrukte ,,Nieuwe
kaart van het Dijkgraafschap van 't Ooster-Baljuwschap van West-Friesland,
genaamd Medemblik en de Vier Noorder Koggen uitgegeven door H. de Leth en
Pieter Straat in 4 bladen (3 zwarte schaaktorens, 2 en 1 op zilver).
De zerk van Anna van der Wolff daarentegen draagt het wapen zoals dat te
Zandwerven uitgebeeld is met dien verstande, dat ook in casu de plaatsing
van de schaaktorens 2 en 1 is.
De notaris Pieter van der Wolff (1717) zegelde met een enkele klimmende wolf
naar rechts onder bijvoeging van P V W, terwijl vreemd aandoet, dat het
zegel van Ewout, de herbouwer van het huis te Zandwerven, vertoont: 1 en 4
drie schaaktorens, 2 en 1; 2 en 3 een wolf naar rechts: helm met wrong, en
als helmteken een uitkomende wolf .
Gezien vanuit het oogpunt van heraldiek is het oorspronkelijke wapen element
met de drie schaaktorens dat van de uit Zuid-Holland afkomstige familie Van
der Wolff, hetgeen wellicht een bevestiging vindt in het zegel van de
Rotterdamse schepen Dirck van der Wolff van 1609.
Was er, zoals gezegd, in de tijd van dijkgraaf Wigger Allertsz. Sprake van
diens ,,zeed op Zandwerven, sedert de tijd van herbouw werd het pand
aangeduid naar keuze als het Wolvenhuis, de Wolf of het Wolvenhof, geheel op
de manier waarop de Van der Wolffs toen hun andere bezittingen aanduidden,
waarvan hiervoor reeds enige voorbeelden werden aangehaald zoals het pakhuis
,,De Wolff, het zeeschip ,,De Wolff en de boerenplaats ,,De Wolff.
.
Tenslotte is in de gevel ingemetseld een trapeziumvormig blok natuursteen,
dat eens gelet op de vorm een sluitsteen van een boog (mogelijk boven de
toegangsdeur) heeft uitgemaakt. Tengevolge van de in later tijd verplaatste
entree was dit object overbodig geworden, waardoor men het de wel zeer
weinig gemotiveerde plek in de gevel heeft bezorgd. Er bestaat geen enkele
reden om aan te nemen zoals wel beweerd is, dat dit steentje uit een oudere
periode zou dagtekenen.
Maar, wat over de tegenwoordige toestand der gevel van het Wolvehuis en van
de daarop voorkomende inscriptie verklaard zou kunnen worden daargelaten,
hier dient nog wel te worden gememoreerd, dat er een hardnekkige sage
bestaat, waarvoor de tekst der inscriptie aanleiding moet hebben gegeven.
Men beweert ter plaatse namelijk algemeen, dat de Prins van Oranje
de latere Koning-Stadhouder Willem III
op het Wolvehuis zou hebben geschuild voor het noodweer, dat op de eerste
augustus 1674 losbrak, en wel ter onderbreking van zijn reis van Alkmaar
naar Enkhuizen. Volgens het volksverhaal zou Zijne Hoogheid uit
erkentelijkheid voor een hem ter plaatse ten deel gevallen gastvrije opname
in het volgende jaar persoonlijk, tezamen met de Staten van Holland de
herbouw van de hoeve mogelijk hebben gemaakt.
Alleen omdat de gevel door aanwezigheid van smans wapen er blijk van geeft,
dat het huis door Ewout van der Wolff uit eigen middelen herbouwd is, lijkt
het niet of nauwelijks waarschijnlijk, dat de Prins van Oranje in enig
opzicht het herstel zou hebben bevorderd. Maar het verhaal verliest alle
geloofwaardigheid, wanneer men in aanmerking neemt, dat de Prins in de maand
augustus niet in Noord-Holland was, maar dat hij zich toen bevond bij de
troepen van de Staat, die zich in de Zuidelijke Nederlanden op voet van
oorlog bevonden!
Staande blijft dus slechts de verklarding, dat Burgemeester Van der Wolff
als uitgesproken Oranjegezinde Regent uit de Stad Medemblik hier zijn
vreugde uitten over het herstel van de orde in de Nederlanden over onze
bevrijding van de Fransen en al evenzeer over de verheffing van de Prins in
diens stadhouderlijke functie.


Toen burgemeester Ewoud Maartsz van der Wolff in 1717 was overleden, bleek
dat hij bij zijn testament had bepaald, dat zijn dochter Anna, die met
Thames Veen getrouwd was, zijn universele erfgename zou zijn. Daaruit is
voor haar de eigendom van het Wolvehuis voortgekomen. Op hun beurt hebben
daarna Anna van der Wolff en Thames Veen als partij bij de huwelijkse
voorwaarden van hun zoon Cornelis Veen met Anna van Wallendal, gepasseerd
voor notaris J. van Twuijver te Noord-Scharwoude op 14 juni 1730 aan het
bruidspaar ,,ten boelgave
meegegeven ,,Een Huijs met omtrent vijf en dertig morgens lands, belent de
erve van de Heer Secretaris Kistemaker ten Noorden leggende aan diverse
stukken onder Spanbroek op Sandwerven.
.
Niettemin hebben de ouders van de bruid land gedraald met de toegezegde
afgifte.
Daarvoor was aanleiding. Immers, de pachter op Wolvehof, Jan Theunisz.
Vlaar, die al voor
r 1729 als huurder een belangrijke achterstand had in de verschuldigde
pachtpenningen en die sedert de plaats nog bewoonde, was ten slotte in
gebreke gebleven om zijn verschuldigde huis en landhuur ten bedrage van f.
1286 en 11 stuivers te betalen.
Daardoor hadden de verhuurders hem toen genoodzaakt deze schuld te erkennen
bij akte van 24 januari 1730 voor notaris Th. van Galen te Medemblik.
Hetwelk geen resultaat had, want Vlaar betaalde alweer niet, waarom bij de
eigenaar vervolgens het geduld op was en zij besloten tegen genoemde pachter
die steeds op het goed was blijven zitten, in rechte op te treden, waartoe
zij voor dezelfde notaris op 21 maart 1732 opdracht gaven aan de procureur
Pieter van der Wolff te Medemblik. Later is het blijkbaar ook zelfs nog tot
een proces voor het Hof van Holland gekomen.
Weldra is toen Aafje Veen, het andere kind van het echtpaar Veen Van der
Wolf, gaan trouwen en aan dit tweede bruidspaar schonken de ouders bij die
gelegenheid ,,Een Huijs met omtrent twee en dertig morgen lants, geleegen in
de Oude Zijpe aan de Ruygewegh.
Iets wat niet vaak zal voorvallen geschiedde vervolgens: De twee begiftigde
jonge echtparen bewerkten onderling een ruiling van het verkregen
bruidsgoed. Cornelis Veen ontving toen de Zijpse boerderij waartegen aan
Aafje Veen het huis met land te Zandwerven werd uitgeleverd, tot egalisatie
vermeerderd met een half stuk land onder Opperdoes, groot 5 morgen en 48
roeden, belend het Oude Weeshuis der Stad Medemblik ten Zuiden. De betrokken
partijen hadden nu wel steeds de bedoeling gehad, de onderlinge regeling
betreffende de beide boerderijen formeel bij acte vast te leggen, maar dat
was bij een voornemen gebleven, en het wa s dan ook eerst bij de
boedelscheiding na de dood van de moeder Anna van der Wolff, dat men deze
ruiling notarieel heeft bevestigd.
Geconstateerd werd toen met zoveel woorden, dat Pieter Uijlenbergh als
erfgenaam de volle eigenaar zou zijn van:
,,Een Huijs met omtrent 35 morgens lants, leggende aan diverse stukken onder
jurisdictie van Spanbroek op Zandwerven, belent de weduwe van den Heer
Gerrit Agricola ten Noorden.
Van zijn landheer had de pachter Vlaar daarop gedaan gekregen dat hij van
zijn huurschuld geen rente behoefde te geven maar dat hij de soms aanstonds
in haar geheel terug zou moeten betalen na ontvangen aanzegging, drie
maanden tevoren gedaan. Voor de richtige voldoening van deze vernieuwde
verplichting verbond hij nu ook ,,alle zijn beesten"
. En dit was notarieel vastgelegd op 24 januari 1730.
Toen Pieter Uijlenbergh nu de eigendom van het Wolfehof verworden had, was
de situatie klaarblijkelijk nog geenszins opgeklaard, want kort en goed nam
hij het besluit, om zi jn bezitting te Zandwerven, hoe dan ook, door veiling
van de hand te doen.
Te Medemblik werden bij Claas Cos 30 aanplakbiljetten besteld, zoals uit de
kwitantie blijkt, luiddende:
,,Ik ondergeschreve, als stadsdrukkerij sertificeerden by deze myne
ondertekeningen dat ik gedrukt heb 30 biljetten van verkoping van een
boer-wooningk met ruijm dertigh morgen landt staande en leggende op
Sandtwerven onder Spanbroek genaamt het Wolvehuys Actum Medembliq Den 9
November 1756.
Blijkbaar was er drie weken later nog meer behoefte aan publiciteit, want
toen moest Cos nogmaals 50 van dezelfde aanplakbiljetten leveren. Een
helaas wat geschonden bewijsnummer van zijn drukkerij is toevallig behouden
gebleen. Het luidt:,,VerkoopingeVan een Boere-Wooningh Met ruym 30 Morgen
LANDT: Geleegen op SANDWERVEN tot SPANBROECK
Men presenteert bij openbaare opveylinge aan de meest daarvoor biedende te
verkopen/Een Boere Wooningh En Werff, staande en gelegen op Sandwerven, tot
Spanbroeck, genaamt hetWolve-Huys, met ruym ........ ? MorgenLandt, gelegen
in de Caagh. om en by de voorsz: Boere-Wooningh en ook ter zyden
dezelve.Ymands gadinge zynde koome op 8' dag den 8'
November 1756. 's Avonds ten 7. uuren ten huyzen van Evert Backer,
Casteleyn in de Vergul-
Den Valk, by de Kerk, tot Spanbroek voornoemt, Aanhoore de Conditie en doe
zyn profyt.
ZeggetVoort.
Tot Medemblick Gedrukt by Claas Cos, ordina Ris Stads Drucker.


Op de gebruikte aanplakbiljetten moet als datum ingeschreven zijn de 25',
want dat werd de dag waarop de veiling plaats had.
Het proces verbaal moge hier in extenso volgen:
,,Heden den 25 November 1756 zoo presenteert d Hr. Wigger van der Wolff
gequalificeert zijn van den Heer Pieter Uylenburg, alhier bij openbaar
veylinge te verkoopen op de voorsz Generale en volgende speciale Conditie.
Een boere huys, met dertig morgen land, staande en gelegen bij Sandwerf
onder Spanbroek genaemt 't Wolvehuys. 't voorsz Hyus en Lant, zal by de
verkooper gezuyvert werden, van de ordinaris en extra ordinaris verponding
1756, en de omslag voor 't jaar 1755 incluys.
Voorts wert de verkoopinge gedaan stootsvoets, zonder in onder of overmaat
gehouden te zullen of te willen zijn, alsmede met zoodanige vry en
onvryheeden, 't sy van hecken, slooten, als andersints, zoo als 't zelve,
altoos gepossideert, ende beseten is.
De betalinge der uytgeloofde Cooppenningen zal moeten geschieden binnen de
tijd van ses weken na dato deses, met goed gangbaar zilver gelt niet klynder
als sesthalve, goude ryders of gerande ducaten.
Nog zullen de koopers gehouden zijn boven haar uytgeloofde Cooppenningen
gereet te betalen voort schryven en veylen te samen Tien gulden.
De verkooping wert gedaan, bij 't morgen, thuys mede voor een morgen
gerekent, dus te samen thuys met voorsz Lant tegen Eenendertig morgen
gerekent, waar na de betalinge, zal moeten geschieden. de waardin een paar
nieuwe dunne schoenen en muyle
Opgestoken 52 gulden getrocken by Jan Braak t morgen f.100.:0:0.
Na gedane afslag is kooper gebleven Jan Braak omf. 100 t morgen dus
f.3100:0:0.


Hr. Wigger van der Wolff
Jan Braak Claas Agricola
Noch de bezitters van het Wolvehuis uit de familie Veen, noch die uit het
geslacht Uijlenburgh hebben tastbare herinneringen op hun bezitting onder
Zandwerven achtergelaten. En toch waren bijv. de vertegenwoordigers van het
geslacht Veen er geenszins afkering van om bijvoorbeeld in hun woonplaats
Medemblik een woning of ander gebouw daarmee op te sieren door het gebruik
van hun wapen, zijnde een staande paal met beneden een stapel dooreen liggen
turven. Voorbeelden daarvan zijn aanwezig op en naast het perceel de
Zoudziederij de Hoop van 1728 op heet Ooster Eiland aldaar, te weten in de
geveltop zowel als in een bekroning van de afsluiting der naastliggende
steegpoort.
Voor de Veen's bestond er geen aanleiding om hun bezitting onder Zandwerven
van herinneringen aan zichzelf te voorzien, al was het alleen al omdat de
verbouwer van 1675 zulks reeds terdege gedaan had. Daar komt bij, dat de
boerderij in kwestie voor hen door ondervonden moeilijkheden met de vaste
bewoners een sterk verminderde aantrekkelijkheid gekregen had, zodat zij het
erfgoed tenslotte, zoals zo juist is uiteengezet, verkoos te laten veilen.
De man die op deze publieke verkoop te Spanbroek aan de boerderij samen met
het land blijkbaar
zoals men dat noemt was ,,blijven hangen", was een daar gevestigde
houtkoper en tevens zaagmolenaar. Zijn zaken daar g ingen verre van
florissant, en blijkens een acte van de Alkmaarse notaris P. Groen d.d. 8
december 1763 had Jan Langedijk, de toenmalige baljuw van Spanbroek en
Opmer, hem al eens een proces aangedaan.
Om tot dekking van zijn schulden aan geld te komen had de man z ich
genoodzaakt gezien, om zijn bezittingen stuk voor stuk met hypothecair
verband te bezwaren. Zo verbond hij twee boerenwoningen met tezamen ruim 52
morgen land op Zandwerven ,,in de Caage en de Cogge onder de jurisdictie
van Spanbroek
.Maar toen kon hij de rente niet meer betalen en dit werd hem noodlottig.
Want zijn creditrice de weduwe Regter betrok haar debiteur, zoals dat
destijds nog noodzakelijk was, voor het gerecht van Opmeer, 's mans
woonplaats, voor ogen hebbende aldus haar uitgeleende gelden met de verlopen
renten terug te krijgen door forcering ener verkoop. Zij verkreeg dan ook
vonnis met toestemming om haar titel ter executie te leggen ,,gezien het
intendit van eischeresse en munimenten, met de bepaling, dat de gedaagde
Braak zou zijn ,,verstoken van alle excepti
declinatoir en peremptoir mitsgaders defensien en weeren op 28 augustus
1780. Weldra evenwel overleed de debiteur.
Jan Limmen nu, die met Maartje Jans Braak, de enige nagelaten dochter van de
houtkoper van Opmeer gehuwd was, leek ondanks deopgelopen schuldenlast van
zijn schoonvader goede kansen gezien te hebben om liquidatie door een
minnelijke regeling te volbrengen. Weliswaar moest de houtkoperij met de
molen in andere handen overgaan, maar een huismanswoning te Veenhuizen ,,Het
Groote Bethlehem" , met 115 geersen 10 sneesen en 15 roeden binnen en
buitenland, de boerderij ,,De Keijser" en ,,De Knuppel"
te Zandwerven en ook zijn huis genaamd ,,De Wolf" (Wolvehuis) staande op
Santwerven onder de jurisdictie van Spanbroek met 39 morgen 200 roeden aan
diverse stukken vermocht hij als ,,delibererende" erfgenaam nog verhuren.
Die laatste verhuring vond plaats op 20 juni 1785 en de tekst van het
hiervan opgemaakte stuk luidt als volgt:
,,Ik ondergeschrevene Remmert Jonker bekennen bij deese mijne onderteekening
gehuurd te hebben van Jan Pietersz Limmen woonende te Spanbrouck Een
Huysmanswooninge daar ik thans op woon genaamt de Wolf staand op Santwerven
onder de jurisdictie van Spanbrouck met negen en dartig morgen en twee
honderd roeden aan diverse stukken leggende in de Kaag, in de Kogge en op
Santwerven voor een somma van Aagt honderd en vijftig gulden, te betaalen
voor of op Kersmis 17 C: vier en tagentig; Aanvangh neemende met Kersmis
1783, en 't Huijs met primo
3 Meij 1784. En zal deese heur en eijnde neemen, 't Land met Kersmis 1784 en
't Huijs met ultimo April 1785 Op Conditie, dat ik heurder, voor eerst, het
Huys heus en (en) ordentelijk zal moeten gebruyken en bewoonen beneffens
beuren en belendens; ten 2'
de landerije mede zal ordentelijk gebruyken, dezelfen te zuyveren van
steekelen doornen en allerlij onrijn gewas; ten 3'
dat ik op den herfst de schotgaarde zal moeten betaalen, de onkosten
't welk mijn zal verstrekken in mindering van de heurpenningen; ten 4'
zal ik de mis ter bekwamer tijt op het land moeten brengen en behoorlijk
overslegten; ten 5'
zal het onderhoud van de binnen hekken, en het heijnen van de binne slooten
koomen voor mijn rekening.
Eijndelijk zal ik het voorne Huijs en landerijen moeten houden uyt alle
ordinaare keuren en schouwen, alles sonder erg of list.
Tot nakoominge van het gundt voorsz. Staaat, verbinde ik ondergeteekende
mijn persoon en alle mijne goederen, geene van dien ter waerelt uyt
gesonderd, onder den verbanden en submissie als na Regten. Ten oirconde is
dese bij mijn ondergeschreven eygenhandig geteekend den junij 1784 In
kennisse van mij Secretaris A. Scholten.
Een periode van onzekerheid in de eigendom wordt hierna misschien overbrugd
door de registers van eigendoms overgang van Spanbroek 1812-1833 in het deel
39 waarvan een losse staat zich bevindt getekend door de Burgemeester J.
Smit op 12 september 1826, behelzende de eigendoms overgangen geboekt tussen
oktober 1825 en september 1826 houdende inboeking van het transport van
,,Een Huijs en erf staande te Spanbroek op Zandwerven geqouteert met no. 71
met 21 morgen 269 roeden in oude maat te Santwerven gequoteert op den legger
me tno. 115 voor 1827 bij testamenterie (!) 14 januari 1826 overgegaan 14
mei 1826 van de Erven Jan Schipper te Spanbroek op Jacob Kappitein.
Eerst zekerheid krijgen wij dan weer door de oudste legger van het Kadaster
te Alkmaar, waarin Pieter Roemer's naam voorkomt in verband met het huis,
later genoemd 4 Buitendijk B-131 voor huis, erf en schuur Kadaster
Spanbroek, naderhand Sectie B no. 485 en 449.
Pieter Roemer was in 1760 onder Ooster-Blokker geboren en daar in de R.K.
Statie gedoopt als zoon van Jan. Te Hoogwoud trad hij 22 april 1793 in het
huwelijk met Antje Wester, geboren aldaar 27 juli 1766 als dochter van Klaas
en Dieuwert Kant (Kand).
De vrouw overleed op 10 juni 1833 en hij, oud 85 jaar, op 29 december 1846,
beiden te Spanbroek.
In zijn dood acte wordt Pieter Roemer zonder beroep genoemd; mede in verband
met zijn hoge leeftijd valt op te merken, dat een opvolger inmiddels,
wellicht sedert vele jaren al op het Wolvehuis verblijvende, zijn bedrijf
had overgenomen. Die volgende was zijn zoon Jan; deze was op 19 oktober 1803
geboren te Opmeer.
Jan Roemer is drie maal gehuwd geweest en hij overleed te Spanbroek op 25
januari 1878. Zijn eerste vrouw, Trijntje Leeuw, geboren te Spanbroek 12 mei
1811, trouwde te Spanbroek op 23 april 1837 en overleed aldaar op 11 juni
1846. Vier kinderen, twee dochters en twee zoons, werden uit dit huwelijk
geboren.
Zijn tweede vrouw, met wij hij te Spanbroek getrouwd was, was de 29'
november 1823 te Wognum geboren Grietje Vlaming, die reeds op 12 juni 1848
te Spanbroek gestorven is na de bevalling op 28 mei tevoren van een
levenloos kind. En Jan Roemer is toen ten derde male te Spanbroek op 1 mei
1851 gehuwd met Grietje Smits, geboren te Opmeer 14 oktober 1824 en te
Spanbroek overleden op 29 maart 1905. Ook uit dit huwelijk zijn nog 5
dochters en een zoon voortgekomen.
Een schoonzoon van Jan Roemer volgde hem in het bedrijf van het Wolvehuis.
Dat werd Jan Commandeur, de op 24 september 1855 te Spanbroek geboren zoon
van Willem Commandeur en Antje Schipper. Jan Commandeur was getrouwd met
Antje Roemer, die uit haars vaders derde huwelijk geboren was op 11 oktober
1856 en die aanvankelijk op 26 april 1877 met haar man uit haar woonplaats
vertrokken was naar Ilpendam, maar reeds ruim een jaar later op het
Wolvehuis terugkeerde, toen Jan Roemer immers overleden was. Het echtpaar
bleef kinderloos en Commandeur's schoonmoeder bleef van einde april 1899 tot
haar overlijden op het huis inwonen, nadat zij eerst nog bij een andere
schoonzoon, C. Boots, te Zandwerven en later te Amsterdam gevestigd was
geweest.
Jan Commandeur overleed op 27 augustus 1915 en zijn weduwe verhuisde weldra
naar het dorp Spanbroek, waar zij gestorven is op 4 december 1941.
Inmiddels was in 1916 de boerderij in kwestie bewoond geworden door de
familie De Groot. Daar waren toen gevestigd Jacob de Groot, geboren te
Heerhugowaard 24 februari 1857, zoon van Klaas de Groot en Neeltje
Schuitemaker, en getrouwd met Lijsbeth Koemeester, geboren te Oude Niedorp
als dochter van Jacob Koemeester en Jantje Schoen. Zij bleven ook na 27
april 1920 toen hun zoon Jan de boerderij het Wolvehuis overnam , dat
bewonen tot hun dood, die respectievelijk daar voorgevallen is op 13 oktober
1926 en 26 januari 1928.
Jan de Groot, geboren te Heerhugowaard op 9 september 1886, trouwde met de
te Berkhout op 13 januari geboren Immetje Steur, dochter van Simon Steur en
Elisabeth van Diepen.
Nadat Immetje reeds op 25 juni 1935 op het Wolvehuis overleden was, deed
haar man in 1944 het bedrijf over aan zijn zoon Jacob, maar zelf bleef hij
ook op de boerderij inwonen tot zijn dood, die op 13 april 1954 plaats vond.
De nieuwe eigenaar Jacob de Groot, geboren te Blokker op 16 september 1917,
overleed reeds op 2 oktober 1968. Eigenaar was hij geworden in 1955 van het
huis, erf en schuren, samen groot 24 aren en 60 centiaren. Hij was gehuwd
te Spanbroek op 30 maart 1944 met Hillegonda Maria Smal, de tegenwoordige
bewoonster van het huis, plaatselijk genummerd C 45, eerder C 44. Deze was
geboren te Spanbroek op 1 mei 1920 als dochter van Pieter Smal en Lucia
Dekker, uit welk huwelijk 10 kinderen geboren werden.
Het Wolvehuis droeg voorheen het plaatselijk nummer 45, dat nu is verander
in 52.
Het moet, gelet op de betrekkelijke overschrijvingen, die in de Openbare
Registers geregistreerd zijn, omstreeks 1846 op nogal omvangrijke wijze zijn
verbouwd; immers het grote verschil in de toen gewijzigde belastbare
opbrengst wijst sterk in deze richting.
Het wapen en de verdere sieraden in de gevel, die hier eerder ter sprake
kwamen (zie de af beeldingen) kunnen er slechts op wijzen, dat de eigenaar
der ,,vroege hofstede"
hier zijn prive vertrekken aanhield of 'n zogenaamd heerschaps verblijf.
Ook valt het op dat in de gevel vlak onder het fronton een schildje aanwezig
is met een ander wapen, dat bij vergissing ondersteboven is geplaatst en dat
kennelijk in oorsprong ergens anders in de westmuur behoorde te staan. Dit
object vertoont het wapen van Medemblik en is nu kleurloos, ofschoon het
voorheen op het schild van zwart een gouden staande paal te zien zal hebben
gegeven. Evenzeer verdwaald is het al genoemde steentje met het
engelenkopje. En dan, ofschoon de kleuren rood, wit en blauw ons in hoge
mate sympathiek zijn, het gaf toch geen pas om de fraaie cartouche in het
front daarmee uit te monsteren. Hoewel aan de andere kant zeker erkend
behoort te worden, dat alle zich in en op de voormuur en de hals bevindende
stukken al dan niet gebeeldhouwde natuursteen naar het oud vaderlands
gebruik in de verf gezet en gehouden diende te worden. Maar al te vaak wordt
die regel bij het uitvoeren van restauraties in de tegenwoordige tijd over
het hoofd gezien.
Duidelijk hebben deze diverse blokken bergsteen tezamen het doel gehad, om
het feit te accenturen, dat de familie Van der Wolff uit Medemblik hier haar
buitenhuis gevestigd had. Zulk gebruik kwam in het bijzonder in de oude
Republiek en op nieuw aangewonnen grond voor. Het was een vrij algemeen
verschijnsel, dat, zij het in allengs beperkte mate nog tot in onze tijd
gehandhaafd bleef. Men sprak vaak van een ,,steenen kame"
, een uit baksteen opgetrokken gedeelte binnen een houten boerenhuis, glegen
in een, meestal de rechter hoek van het front, maar ook van een heerschaps
verblijf.
Bij de herbouw van de boerderij, die in 1934 met uitzondering van de
voorgevel grotendeels gesloopt en daarna was vergroot werd, kwam in de
noord-westhoek een klein, iets meer dan manshoogte, van boven gebogen
gewelfje tevoorschijn, geheel bekleed met blauw geschilderde tegels, die
alle een andere patroon verto(o)n(d)en. Een foto van de vondst werd bij het
bericht gegeven, waaruit blijkt dat de ontdekte tegels van XVIIe eeuwse
makelijk geweest zijn. Wellicht valt uit die omstandigheid op te maken, dat
de gehele westkant van het gebouw ten tijde van het bezit der
regenten_familie uit Medemblik ter beschikking gehouden werd van ,,het
heerschap
zoals men zich toen in West-Friesland uitdrukte.
Zeer goed mogelijk lijkt het, dat het Wolvehuis ten tijde der verbouwing van
1675 een nieuw front in hoofdzaak het tegenwoordig nog bestaande gekregen
heeft met gelijktijdige verwisseling van een ouder langhuis-type voor dat
derstolphoeve.
Bewijsbaar is namelijk, dat omstreeks de beginjaren der XIXe eeuw, toen het
herbouwde huis nog amper anderhalve eeuw bestaan had, blijkens zijn
grondplan dat laatstbedoelde type vertoonde.
Dit namelijk vloeit voort uit de figuur van de grondslag bij het onderhavige
pand, zoals dit ook voorgesteld is op het oorspronkelijke kadastrale plan
der gemeente Spanbroek, Sectie B, eerste blad no. 191, genaamd ,,Buitendijk"
, schaal 1:2500, dat opgemeten werd in 1826 door de landmeter der eerste
klasse S. P. van Diggelen, hetwelk hierbij is weergegeven.
Met verontwaardiging constateren onze tijdgenoten dikwijls de verdwijning of
verminking van oude monumenten. Maar daartegenover staat, dat dringende
economische noodzaak kan eisen, dat een boerenbehuizing van tijd tot tijd
aan nieuwe eisen behoort te worden aangepast. De hier beschreven boerderij
op Zandwerven heeft ter gelegenheid van een stellig noodzakelijk herstel van
woning met bedrijfsruimten, aan haar front, gelijk hier is aangetoond,
bepaalde ontluisteringen ondergaan. Men had die gemakkelijk kunnen
voorkomen, wanneer de uitvoerder en vooral diens ambtelijke toezichthouders
met meer kennis van zaken te werk waren gegaan en vooral daarbij het
kleurrijke, oorsponkelijke muurwerk gehandhaafd hadden. Het geval staat niet
alleen, want zelfs in onze tijd is het dikwijls zo gesteld, dat van hoger
hand aan herstellers van monumenten niets in de weg wordt gelegd bij hun
voornemen om oud muurwerk radicaal tot de grond af te breken. Zulks teneinde
dan een herbouw toe te laten, veelvuldig met toepassing van onjuist gekozen
steensoort.
Maar vermag het artistieke element stand te houden tegenover economische
noodzaak en dwang, dan is een evenwicht het beste wat kan worden bereikt op
de wijze zoals ons voorgehouden wordt in de regels:
Laudamus veteres, sed nostris utimur annis;
Nos tamen est aeque dignus uterque coli.

Met Vriendelijke groet van
Anton Musquetier

Mijn site al eens bezocht ?, U zult verrast zijn, met zoveel gegevens, o.a.
duizenden toevallige vondsten,
voor uw onderzoek.
http://members.home.nl/musquetier/

U bent om wat voor reden ook, niet in staat naar het archief te komen, maar
wilt toch copieen van .....? zie;
http://groups.yahoo.com/group/frieslandcopie

Wilt U uw eigen Schippers-Veldwachters, Bedelaars, Vondelingen, enz. zelf op
mijn site zetten dat kan.
http://groups.yahoo.com/group/schippersenveldwachters_nederland
Uitgaande berichten worden gescand met Norton Antivirus


0 new messages