Jan Schnitker
Jan Schnitker
Burgemeester de Roocklaan 34a
4611 LD Bergen op Zoom
e-mail jan.sc...@home.nl
> Ik ben in Den Bosch het beroep passementwerker tegengekomen weet
> iemand wat dit is?
> Is het beroep lintwerker misschien hetzelfde ??
Typisch een opzoekvraag voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal (in
elk(e) archief/bibliotheek aanwezig; hieruit onderstaande tekst.
Vr.gr.,
Herman de Wit
--
webmaster:
http://geneaknowhow.net/
* Digitale Bronbewerkingen Nederland en België
* FAQ Genealogie BeNeLux
* Genea-Lokaal
* Het verleden in Beeld
* Regelgeving in de Nederlanden
http://de-wit.net
* Genealogisch domein van Herman de Wit
============================================================
WNT:
PASSEMENT, znw. onz., mv. -en. Uit fra. passement, in denzelfden zin;
van fr. passer. Evenzoo in andere talen. Eigenlijk iets dat dient of
geschikt is om over of langs iets gelegd te worden, er op aangebracht te
worden, belegsel; inzonderheid in toepassing op allerlei smalle weefsels
enz.: boordsels, banden, kanten, snoeren, die gebruikt worden tot
versiering of omzooming van kleedingstukken, meubelzittingen enz. ||
Passement. Limbus intextus, fimbria praetexta, praetextum, segmenta:
aurea, argentea, aut serica fila intertexta, KIL. — Niemant sal mogen
maecken, ofte doen maecken eenige Molen-wercken, Fluweelen, Passementen,
Linten enz. ... van geswaerde zyde, Gr. Placaatb. 1, 1182 (aº. 1598).
Passementen van sijde ende garen, Placc. v. Brab. 1, 301 b (aº. 1603).
Alsoo ... gemaeckt zijn groote quantiteyten van Goude ende Silvere
Draet-wercken, Klincanten, Cantilles, Grovioenen, Pailletten, Loveren,
ende andere diergelijcke stoffen, bequaem tot Passementen,
Borduyr-werckerye, ende andersins, Gr. Placaatb. 1, 2734 (aº. 1627). Dat
niemandt, van buyten alhier komende, en sal mogen verkoopen ... eenige
passementen ofte galonnen, ten zy enz., Utr. Placaatb. 3, 779 a (aº.
1628). Partije lapjens allerhande sijde stoffen, witte gewerckte canten,
mitsgaders sijde linten ende passementen, V. RIEBEEK, Dagverh. 3, 515.
Dat van nu voortaen een behoorlijcke Proef van 't Passement en Lint sal
moeten werden gedaen, by die genen, die in 't Gilt komen, Handv. v.
Amst. 1363 a (aº. 1667). Niemand (zal) binnen Haerlem, by de Elle mogen
uytmeeten or verkoopen, eenig Fluweel, Damasten enz. ...; Zyde of Wolle
Passementen, of eenig ander Lint, van Garen of Saay gemaakt ...; ten zy
hy enz., Keuren v. Haerlem 2, 135 a (aº. 1750).
— Vooral bij de vroegere kostbare kleeding dikwijls als versiering van
kleedingstukken. || Be-leght met passement. Segmentatus, KIL. — Een
passement op de broeck kijnt staet bruyn en ondieft, KOLM, Malle Jan
Tots B. Vr. 1. Schootcleeren van blau lynwaet ..., gheboordt met blau
passemendt, DIERICX, Gends Charterb. 183 (aº. 1645). Den Adm. Montagu
..., gekleet in fraye passementen, na de staet van sijn tegenwoordigh
ampt, Holl. Merc. 1660, 90 b. Hy was, toen hy hier inkwam, naakt. ... 'T
is nu een sinjeur met passementen op zyn kleeren, V. HALMAEL 11, 9. Men
(oordeelde) het ongemeen deftig, als men een rooden Scharlaken Rok
droeg, welke van onderen met geele zyden Passementen bezet was; die wel
tot zes of zeven hoog boven elkander stonden, BERKHEY, N. H. 3, 571.
— In andere toepassingen. || (Een) hospital ... daer al de bedden van
groen laken zijn geboort, met breede passementen van wat lichter
couleur, C. HUYGENS Jr., Journ. 3, 106. Een paar zware, stofferige,
donkerbruine overgordijnen, met verkleurde, hier en daar losgerafelde
groene franje en dito passement, K. Zev. 4, 370. Naadbelegsels, zeer
smalle zijden en wollen boordsels of passementen tot het bezetten der
naden aan de binnenbekleeding van rijtuigen enz., KUYPER, Technol. 2,
546.
— Is het met goud- of zilverdraad doorweven of omwonden, dan spreekt men
van: gouden, zilveren passement. || Ghecleet in groene rocken met gouden
passement gheboort, Antw. Sp. B iij vº. Goude Passementen, en alle
andere waren, die men op berdekens wind, Handv. v. Amst. 926 b (aº.
1600). Alle Goude, Silvere, Zyde, Fluweele Passementen ende Frangien,
Gr. Placaatb. 1, 1914 (aº. 1605). Komt niet pragtig aan-streven met
goude passementen op 't kleet, VALENTIJN, Ovid. 1, 210. Lieverykleederen
... van root laken ..., met goude passementen bezet, Voyag. v. Klenk 4.
Dat ... de fyne goude- en silvere Galonnen of Passementen, welke hier te
Lande zyn gemaakt geworden, altoos zyn gefabriceert op een
Sydescheering, Gr. Placaatb. 9, 1347 a (aº. 1776). Om my een weynig
distinctie te geven, had ik my een curieus kleed van swart fruweel met
gouwe passementen laten maken, Philanthrope 5, 9.
— Militaire passementen: voor de uniformen van militairen. || Militaire
passementen of boordsels, meerendeels uit zijde ..., dikwerf uit wol
(kamgaren), soms uit kameel-hair vervaardigd, KUYPER, Technol. 2, 546. —
Passementen ... moogen op geen Rokken leggen daar men den dienst mede
doed, als ook geen goude of silvere knoopen, DIBBETZ, Milit. Wdb. 504 b.
Haar voorkomen (gaf) haar thans iets zoo overwegends, dat haar man, die
nog altijd even tenger was, al het passement van een officiersuniform
noodig had, om naast haar niet geheel in het niet te zinken, DAUM, Raad
v. I 274.
Afl. Passementeeren, met passement beleggen („Den sergeant en 12
soldaten met hun carmosijn roode gepassementeerde levreyen gedost,”
SPEELMAN, Journ. 133; „Daar quam ... een Heer van Parys met vyftig ellen
gouden passement op zynen rok. ... Twee dagen daar naa was elk met goudt
gepassementeert”, LE CLERCQ, Vert. v. d. Ton 44); passementerie,
rechtstreeks uit het Fr. („De militaire passementerieën worden ... in
speciale fabrieken ... vervaardigd”, EVERWIJN, Handel en Nijverh. 371);
passementier, passementwerker; vanwaar passementiermeester, hetzelfde
als meester-passementwerker („Ende en sullen de Passementier-Meesters
van niemant mogen aennemen noch ontfangen eenige geswaerde zyde, op pene
van te verbeuren de voorsz zyde ende 't stuck wercks,” Gr. Placaatb. 1,
1182; aº. 1598), enz.
Samenst. en Koppel. Passementfabriek („In 1858 bestonden er 21 zoodanige
passementfabrieken”, EVERWIJN, Handel en Nijverh. 370); -fabrikant;
-maker, iemand die passement vervaardigt; ook fig. („Met deze
wormenfranje wordt gevischt; dat heet peuren; en deze zonderlinge
passementmaker heet de Peuëraar!” BEETS, C. O. 345); -makerij; -werk
(„Inrichtingen, die zich met de vervaardiging van borduur- en
passementwerk bezighouden”, EVERWIJN, Handel en Nijverh. 370); -werken,
het maken van passement („Dat niemant de Neringe van Passement ende
Lintwercken sal mogen doen, 't en sy hy” enz., Handv. v. Amst. 1363 a;
aº. 1656); -werker, eertijds de gewone benaming voor hem die passement
maakt; reeds bij PLANT. („Borduyrwerckers, Gout ende Silver-smeden,
Gout-treckers ende Passement-werckers”, Gr. Placaatb. 1, 2736 (aº.
1627); „De discrepantie tusschen de passementwerkers ter eenre,
mitsgaders de coopluyden en winckeliers, in sijde ende linten
handelende, ter andere sijde”, bij BONTEMANTEL, Reg. v. Amst. 2, 502
(aº. 1668); „Interdiceerende wyders alle Passementwerkers, Spinders en
Spinsters om het bovengenoemde valsche op Syde te spinnen”, Gr.
Placaatb. 9, 1347 b (aº. 1776); „Het vak van borduur- of
passementwerker”, EVERWIJN, Handel en Nijverh. 370); ook in samenst.
passementwerkersgetouw (KUIPERS), -gild („De Deeckens van het Zyde
Passementwerckers Gilde”, Utr. Placaatb. 3, 779 a (aº. 1628);
„Overluyden en Keurmeesters van 't Passement- ende Lintwerckers Gilde”,
Handv. v. Amst. 1362 b; aº. 1656); meester-passementwerker („Klachten
... van de Meester-passement-werckers van 't Voetgetou ... over de
Jongens”, Handv. v. Amst. 1362; aº. 1642); -werkerij („Passementen,
kanten, galonnen, of andere manufactuuren, de passementwerckerye
concerneerende”, Utr. Placaatb. 3, 779 a; aº. 1661); -wever („Deselve
sijnde een passementwever en geen middelen hebbende”, Bijdr. Hist. Gen.
17, 89; aº. 1618); -weverij („De passementweverij houdt zich bezig met
de vervaardiging zoowel van militaire equipementen als van z.g.
meubelpassement”, EVERWIJN, Handel en Nijverh. 370); -winkel: waar
passement verkocht wordt (V. DALE), enz.
— Als tweede lid. Dwars- („Ik heb hem in zoo een geval ook wel een zwart
zyde topje, met twee ronde kringen van goude passementen ..., en boven
met eenige dwars-passementen bezet, op 't hoofd zien hebben”, VALENTIJN,
O.-I. V, 161 a); liverei- (KUYPER, Technol. 2, 546); meubel-
(„Meubelpassementen tot het bezetten van zijden behangsels, opgevulde
meubels enz.”, KUYPER, Technol. 2, 546; „Goedkoope Duitsche
meubelpassementen”, EVERWIJN, Handel en Nijverh. 371); noppen-
(„Rijtuigpassementen en livereipassementen, van alle andere soorten van
boordsels of galons daardoor onderscheiden, dat zij werkelijk ongesneden
fluweel zijn, aangezien hunne oppervlakte met kleine, uit eenen
afzonderlijken poil-ketting verkregen ringetjes (noppen) bedekt is. Men
noemt ze dien ten gevolge ook noppenpassement” KUYPER, Technol. 2, 546;
rijtuigpassement (zie vorige aanhaling), enz.
Het bericht was al verzonder voor ik er erg in had ...
Een lintwerker is wat anders dan een passementwerker. Een lintwerker was
een zijdelintwerker. De ambachten werden soms wel door dezelfde persoon
uitgevoerd.
Vr.gr.,
Herman de Wit
--
webmaster:
http://geneaknowhow.net/
* Digitale Bronbewerkingen Nederland en Belgiė
Passementwerkers kwam je veel tegen in garnizoenssteden. Zij hielden zich
voornamelijk bezig met het vervaardigen van tressen, boordsels, epauletten
(militaire schouderstukken) ed., kortom met alle versierselen aan een
uniform.
Met het versoberen van deze uniformen is het beroep ook nagenoeg verdwenen.
Met vriendelijke groeten,
Nico van Leeuwen
http://home.wxs.nl/~leeu4181