Misschien is er geen vorm van letterkunde, die in alle kringen der maatschappij zoo zijn invloed doet gelden als het sprookje.Arm en rijk, aanzienlijken en geringen, ontwikkelden en eenvoudigen van geest raken even gemakkelijk onder de bekoring, dieer van het sprookje uitgaat, en ofschoon allen het lezen in dezelfde woorden, ziet ieder er wat anders in.
Onweerstaanbaar echter worden de kinderen tot het uitspansel aangetrokken; maan en sterren, zon en wolken, regenboog en bliksemspreken tot hun verbeelding, ja, maar ook tot hun gemoed! Geen moeder, die haar kroost kent en dit ontkennen zal.
De Nederlandsche bewerking van Andersens sprookjes, die hierbij het publiek wordt aangeboden, is voor zoover ik heb kunnennagaan, volledig. Verschillende nommers, die in vroegere edities ontbraken of hier en daar verspreid werden aangetroffen,zijn in deze uitgave bijeengebracht. Ongetwijfeld zal deze onderneming door ieder, die goede lectuur voor het huisgezin opprijs stelt, met vreugde worden begroet. De aantrekkelijkheid van het boek wordt nog verhoogd door het groote aantal gravuresvan Dalziel naar teekeningen van Bayes.
Vlug wat, vlug! zeide zij; en nu haastten zich al de kleine eendjes, wat zij konden, en zij kwamen uit de eieren te voorschijnen keken naar alle kanten onder de groene bladeren; en de moeder liet ze kijken, zooveel als zij maar wilden; want groen isgoed voor de oogen.
Het duurt geducht lang met dat eene ei, zei de eend, die er nu weer op zat; het wil maar niet opengaan; maar kijk eensnaar de anderen: zijn dat niet de liefste eendjes, die je ooit van je leven gezien hebt? Zij lijken allemaal precies op hunvader; maar die ondeugd komt mij niet eens bezoeken.
Eindelijk ging het groote ei open. Piep, piep! zei het jong en kroop er uit. Het was een groot en leelijk beest! De eendbekeek het eens. Wat is dat een verschrikkelijk groot eendje, dacht zij; geen van de anderen ziet er zoo uit. Zou het misschieneen kalkoensch kuikentje zijn? Nu, daar zullen we wel gauw achter komen; in het water moet het, al zou ik het er ook zelfinduwen.
Den volgenden dag was het mooi, heerlijk weer; de zon scheen op alle groene bladeren. De moeder der eendjes ging met haarheele familie naar de gracht toe. Plof! daar sprong zij in het water. Kwak, kwak! zeide zij, en het eene eendje na het andereplofte er nu ook in; het water spatte hun om den kop, en zij doken even onder, maar kwamen al spoedig weer boven en zwommenuitmuntend; hun pooten gingen van zelf, en allen waren zij in het water; zelfs het leelijke, grauwe eendje zwom mee.
En zoo begaven zij zich naar de eendenkooi. Daarbinnen was een verschrikkelijk rumoer; want daar waren twee families, dieelkaar het bezit van een palingkop betwistten, en eindelijk kreeg de kat dien toch.
Kijk, zoo gaat het nu in de wereld! zei de moeder der eendjes, en zij stak haar snavel al uit, want zij wilde den palingkopook wel hebben. Gebruikt je pooten nu! vervolgde zij. Houdt je fatsoen en maakt een buiging voor de oude eend, die je daarziet: dat is de voornaamste van alle; zij is van Spaansche afkomst, daarom is zij zoo dik; en, zie je wel, zij heeft een roodlapje om haar poot; dat is iets heel moois en de grootste onderscheiding, die een eend te beurt kan vallen; dat beteekent,dat men haar niet kwijt wil raken en dat zij door dieren en menschen erkend moet worden. Wacht eens! Zet je pooten niet zoobinnenwaarts! een welopgevoed eendje zet zijn pooten buitenwaarts, evenals vader en moeder doen. Ziet eens! Zoo! Buigt jehals nu en zegt: Kwak!
En dat deden zij; maar de andere eenden in de rondte bekeken ze en zeiden tegen elkaar: Kijk eens! Nu moeten wij nog het[9]aanhangsel krijgen, alsof wij al niet talrijk genoeg waren! En foei! wat ziet dat eene eendje er uit! Dat willen wij hierniet hebben! En terstond vloog er een oude eend naar het arme beest toe en beet het in den nek.
Het zijn lieve kinderen die de moeder heeft, zei de oude eend met het lapje om den poot, zij zijn allemaal mooi, behalvedat eene; dat is mislukt; ik zou wel willen, dal je dat eens wat anders kondt maken.
Dat gaat immers niet, zei de moeder van het eendje; het is wel niet mooi, maar het heeft een goed hart en zwemt even flinkals al de anderen, ja, ik moet zeggen, nog beter. Ik denk wel, dat [10]het goed zal opgroeien en mettertijd wat kleiner worden. Het heeft te lang in het ei gezeten, en daardoor is het wat mismaaktgeworden! Dit zeggende, pakte zij het beet en streek zijn veeren glad. Bovendien is het een woerd, zeide zij; en daaromdoet het er zoo veel niet toe. Ik denk, dat het wel krachtig zal worden; het weet zich ten minste nu al goed te verweren.
Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei gekomen was en er zoo leelijk uitzag, werd gebeten, gestooten en voor dengek gehouden, en dat zoowel door de eenden als door de kippen. Het is te groot! zeiden allen, en de kalkoensche haan, diemet sporen ter wereld gekomen was en daarom dacht, dat hij keizer was, blies zich op als een schip met volle zeilen en kwamop hem af; toen klokte hij en werd zijn kop vuurrood. Het arme eendje wist niet, hoe het zich zou wenden of keeren; het wastreurig, omdat het er leelijk uitzag en door al de anderen bespot werd.
Zoo ging het den eersten dag, en later werd het al erger en erger. Het arme eendje werd door allen geplaagd; zelfs zijn zusterswaren kwaad op hem en zeiden steeds: Mocht de kat je maar beetpakken, jou leelijk schepsel! En de moeder zeide: Ik wou,dat je maar ver hier vandaan waart! De eenden beten het, en de kippen pikten het, en de meid, die de beesten eten moest geven,schopte het.
Nu liep het weg en vloog over de schutting. De vogeltjes in het geboomte vlogen daardoor verschrikt op. Dat komt, omdat ikzoo leelijk ben, dacht het eendje, kneep de oogen even dicht en liep toen weer voort. Zoo kwam het aan het groote moeras,waar de wilde eenden woonden. Hier lag het den geheelen nacht; het was vermoeid en verdrietig.
Zoo lag het twee heele dagen; toen kwamen er twee wilde ganzen of, liever gezegd, genten naar hem toe; het was nog niet langgeleden, dat zij uit het ei gekropen waren, en daarom waren zij zoo overmoedig.
Hoor eens, kameraad! zeiden zij; je bent zoo leelijk, dat je goed bij ons past. Wil je met ons meegaan en trekvogel worden?Hier dichtbij in een ander moeras zijn eenige aardige wilde ganzen, [11]allemaal dames, die evenals jij kwak! kunnen zeggen. Je kunt je fortuin daar wel maken, hoe leelijk je ook wezen moogt.
Eerst laat op den dag werd het stil; maar het arme eendje durfde nog niet opstaan; het wachtte nog verscheidene uren, voordathet omkeek, en toen snelde het uit het moeras weg, zoo vlug als het maar kon. Het liep over veld en weide; maar er woei zulkeen hevige storm, dat het werk had om op zijn pooten te blijven staan.
Tegen den avond bereikte het een kleine, armoedige boerenhut; deze was zoo bouwvallig, dat zij zelf niet wist, naar welkenkant zij zou vallen, en daarom bleef zij maar staan. De storm gierde zoo verschrikkelijk om het eendje heen, dat het moestgaan zitten, om niet omver te waaien. Nu bemerkte het, dat de deur uit het eene scharnier geraakt was en zoo scheef hing,dat het door de reet in de kamer kon sluipen, en dit deed het dan ook.
Hier woonde een oude vrouw met haar kater en haar kip. En de kater, dien zij haar zoontje noemde, kon een hoogen rug zettenen spinnen; hij gaf zelfs vonken van zich, maar dan moest men zijn haar den verkeerden kant opstrijken. De kip had korte,lage pooten, en daarom werd zij juffrouw Kortbeen genoemd; zij legde heerlijke eieren, en de vrouw had haar zoo lief, alsofzij haar kind was.
Wat is er te doen? zei de vrouw en keek in de rondte; maar zij had een slecht gezicht, en daarom dacht zij, dat het eendjeeen vette eend was, die verdwaald was geraakt. Dat is een goede vangst! zeide zij. Nu kan ik eendeneieren krijgen. Alshet maar geen woerd is! Dat zullen wij eens probeeren!
En zoo werd het eendje voor drie weken op de proef aangenomen; [12]maar er kwamen geen eieren. En de kater was heer in huis, en de kip was er zoo goed als vrouw, en altijd zeiden zij: Wijen de wereld! Want zij dachten, dat zij de helft waren, en verreweg de beste helft. Het eendje gaf als zijn meening te kennen,dat het toch ook wel eens anders zou kunnen zijn; maar dat kon de kip niet velen.
En het eendje zat in den hoek en voelde zich diep ongelukkig; daar drong de zonneschijn in het huisje door; het kreeg zulkeen lust om in het water te zwemmen, dat het zich niet kon weerhouden, dit tegen de kip te zeggen.
Het werd winter. Het was koud, snerpend koud. Het eendje moest in het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet heelemaaldichtvroor; maar met iederen nacht werd het gat, waarin het zwom, al kleiner en kleiner. Het vroor, dat het kraakte; het eendjemoest voortdurend zijn pooten gebruiken, opdat het gat niet geheel dicht zou gaan. Eindelijk werd het moede, bleef doodstilliggen en vroor in het ijs vast.
Nu kon het eendje op eens zijn vleugels uitslaan; deze klapten luider dan vroeger en droegen hem krachtig van daar; en voordathet beest het recht wist, bevond het zich in een grooten tuin, waarin de vlierboomen geurden en hun lange, groene takken totin het water neerbogen. O, hier was het zoo schoon, zoo heerlijk! En uit het geboomte kwamen eensklaps drie prachtige wittezwanen te voorschijn: zij klapten met hun vleugels en zwommen fier in het water. Het eendje kende die prachtige beesten enwerd door een eigenaardige treurigheid aangegrepen.
Eenige kinderen kwamen den tuin inloopen; ze gooiden brood en gerst in het water, en het kleinste riep: Daar is een nieuwezwaan! En de andere kinderen jubelden mee: Ja, er is een nieuwe bijgekomen! En zij klapten in de handen en dansten in derondte, liepen naar hun ouders toe, en er werd brood en koek in het water geworpen, en zij zeiden allemaal: Die nieuwe isnog de mooiste! Hij is zoo jong en ziet er zoo prachtig uit! En de andere zwanen bogen zich voor hem.
Nu gevoelde het zich geheel beschaamd en stak zijn kop onder zijn vleugels; het wist zelf niet, hoe het zich zou houden; hetwas overgelukkig, maar volstrekt niet trotsch. Het dacht er aan, hoe het vervolgd en bespot was, en hoorde nu allen zeggen,dat het de mooiste van al die mooie vogels was. Zelfs de vlierboom boog zich met zijn takken tot hem in het water neer, ende zon scheen warm en liefelijk! Nu klapte hij met zijn vleugels, richtte zijn slanken hals op en jubelde van ganscher harte:
795a8134c1