harmig chereeta penleigh

0 views
Skip to first unread message

Ling Baus

unread,
Aug 2, 2024, 11:56:59 PM8/2/24
to raulasbura

De persoonsvorm komt vr het onderwerp als het onderwerp niet aan het begin van de zin staat. Als een ander zinsdeel dan het onderwerp aan het begin van de zin staat, gebeurt dit in de regel om het zinsdeel extra nadruk te geven.

Deze volgorde, waarbij de persoonsvorm vr de rest van het werkwoordelijk gezegde (de werkwoordelijke eindgroep) staat, wordt ook wel de rode werkwoordsvolgorde genoemd. Daarnaast is er in bijzinnen nog een tweede mogelijkheid, bekend als de groene werkwoordsvolgorde, waarbij de volgorde van de werkwoorden andersom is:

In deze laatste vorm is de intonatie van een of meer laatste woorden, namelijk hoger dan de rest, erg belangrijk. Hierdoor is het voor de luisteraar duidelijk dat het een vraag betreft en geen gegeven feit.

Veruit de meeste werkwoorden in het Nederlands behoren tot de klasse van de zwakke werkwoorden. Dit betekent dat ze in de onvoltooid verleden tijd de uitgang -de/-te krijgen, terwijl het voltooid deelwoord eindigt op -d of -t.

Nederlandse sterke werkwoorden worden in de tegenwoordige tijd (o.t.t.) op dezelfde manier vervoegd als zwakke. In de onvoltooid verleden tijd krijgt alleen de meervoudsvorm een uitgang -en, de andere vormen krijgen gn uitgang in de verleden tijd.

In oudere fasen van het Nederlands werden in de geschreven taal naamvallen gebruikt. Tegenwoordig bestaan deze nagenoeg alleen nog in versteende taalvormen. Een aan de tweede naamval verwante vorm, de Saksische genitief, kent nog wel een actief gebruik.

Een bijvoeglijk naamwoord wordt in het Nederlands altijd vr het naamwoord waar het betrekking op heeft (meestal een zelfstandig naamwoord of eigennaam) geplaatst. Een eventueel lidwoord staat op zijn beurt vr het bijvoeglijk naamwoord:

Bij woorden die al een uiterste aanduiden worden vaak geen trappen van vergelijking gevormd. Algemener gezegd: er zijn meestal geen gradaties van termen die inhoudelijk een dichotomie vormen, wat het geval is wanneer iets een zekere eigenschap heeft of niet en er geen tussenweg bestaat. Het algemeen bekende voorbeeld daarvan is "zwangerschap". Men kan niet een beetje of heel erg zwanger zijn en alle termen die een uiterste aanduiden vallen ook in die categorie: iets heeft die uiterste staat of heeft deze niet en daarom is er geen tussenweg, geen gradatie.

Desondanks worden bij sommige van dergelijke woorden toch trappen van vergelijking gevormd. Voorbeelden zijn "de meer/meest ideale" of "minder ideaal", terwijl het "ideale" doorgaans al het hoogst denkbare is. Ook "heel uniek" is een voorbeeld, met de gedachte dat als iets uniek is, dat er maar een van bestaat.

In het Nederlands wordt dus traditioneel de voorkeur gegeven aan een niet-samengestelde constructie. Er valt onder Nederlandstaligen echter een trend waar te nemen om, tenminste in het mondeling taalgebruik, de Engelse regels toe te passen: meest bekende in plaats van bekendste, e.d. Het gebruik van uitdrukkingen als de tweede grootste in plaats van het van oudsher gebruikelijke de op een na grootste wijst ook op dat fenomeen. Dit gebruik lijkt zich tevens uit te breiden tot constructies die in het Engels niet voorkomen, zoals meest goede in plaats van beste.

In het Nederlands is de vorm van het persoonlijk voornaamwoord afhankelijk van het perspectief, het aantal en bij de derde persoon ook het geslacht. Bij de tweede persoon bestaat een aparte beleefdheidsvorm. Bijna alle vormen kennen een gereduceerde vorm, dat wil zeggen een niet-beklemtoonde vorm die dichter bij de spreektaal ligt. De gereduceerde vorm staat hieronder steeds tussen haakjes.

De tweede persoon jij of u duidt op de aangesproken persoon. Het meervoud jullie kan betrekking hebben op de aangesproken perso(o)n(en) en dat is een nauwkeurig meervoud. Het kan echter ook betrekking hebben op anderen die niet lijfelijk aanwezig zijn, afhankelijk van de gegeven situatie.

De vorm van het bezittelijk voornaamwoord is afhankelijk van de persoon en het aantal. Bijna alle vormen kennen naast de standaardvorm een gereduceerde vorm, dat wil zeggen een vorm die dichter bij de spreektaal ligt. De gereduceerde vorm staat hieronder steeds tussen haakjes.

Het wederkerend voornaamwoord verwijst naar het onderwerp van de zin zelf. Dit kan voorkomen als een handeling slaat op het onderwerp of als het werkwoord zelf wederkerend (een zg. wederkerend werkwoord) is.

Naast zich zijn of waren er in het Nederlands nog enkele andere wederkerende voornaamwoorden. In sommige dialecten kan zich in alle personen worden vervangen door de constructie "bezittelijk voornaamwoord + eigen":

In de betekenis van "een idee hebben/krijgen" kan bedenken zowel wederkerend als niet-wederkerend worden vervoegd, waarbij de wederkerende vorm als feitelijke fout wordt gezien, maar nauwelijks nog als zodanig ervaren:

Ook de combinatie van het betrekkelijk voornaamwoord wie met een voorzetsel kan worden vervangen door een voornaamwoordelijk bijwoord met waar als eerste lid, maar taaladviseurs raden aan de vorm met wie te handhaven. Dus liever niet: ... waarmee ik heb gesproken.

Als zo'n onbepaald voornaamwoord verwijst naar personen die niet in dezelfde zin worden genoemd, wordt de uitgang -n toegevoegd. In andere gevallen (dus wanneer het antecedent in dezelfde zin staat en bij zaakverwijzingen) vervalt deze uitgang:

Het woord 'het' is een onbepaald voornaamwoord als het naar iets wat onbepaald is verwijst. Als het naar iets wat bepaald is verwijst, is het een persoonlijk voornaamwoord. In de volgende zinnen is het woord 'het' vetgedrukt als het een onbepaald voornaamwoord is en schuingedrukt als het een persoonlijk voornaamwoord is.

Het woord 'je' wordt als een onbepaald voornaamwoord beschouwd als het ongeveer hetzelfde betekent als 'men'.In het volgende voorbeeld is 'je' vetgedrukt als onbepaald voornaamwoord en schuingedrukt als persoonlijk voornaamwoord.

Deze verbogen vormen hele, erge en echte suggereren strikt genomen dat het niet om bijwoorden maar om bijvoeglijke naamwoorden gaat, dat wil zeggen mooie muziek die heel is in plaats van muziek die heel mooi is enz. Hoewel zulke woordgroepen volgens de schoolgrammatica niet juist zijn en in verzorgde schrijftaal worden vermeden, worden ze in de spreektaal toch veel gebruikt, waarbij sommigen dit niet als onverzorgd ervaren.

In de alledaagse praktijk houden taalgebruikers zich aan bepaalde taalregels. Die regels zorgen voor vaste (herkenbare) patronen, waardoor je helder met elkaar kunt communiceren. Deze regels of vaste patronen kun je beschrijven: dat is de grammatica van een taal, een taalbeschrijving dus. In feite maken de taalgebruikers hun eigen grammatica, maar omdat de regels uit de praktijk zijn beschreven, kun je die gebruiken om grammaticalessen te geven. Dit is vooral handig voor mensen die een andere taal willen leren. Maar ook voor mensen die helder willen communiceren is het belangrijk om inzicht te krijgen in de zinstructuur.

Om goede zinnen te maken moet je weten welke woorden bij elkaar horen en op welke plek ze in een zin kunnen staan. Om (op school) taal te leren is kennis van begrippen noodzakelijk. Ook bij het onderdeel spelling is kennis van grammatica belangrijk.

In dit boek komt in elk hoofdstuk een grammaticaal probleem aan bod. De uitleg en voorbeeldzinnen maken duidelijk hoe de betekenis kan veranderen in de grammaticale constructie. In de oefeningen past de cursist het verworven inzicht toe.

Beter Nederlands behandelt de grammatica voor cursisten vanaf niveau B1 binnen het Europees Referentiekader. Het boek is geschikt voor anderstaligen die minstens enkele jaren voortgezet onderwijs hebben gehad.

Dina Bouman-Noordermeer zette voor roc Albeda College, in samenwerking met de Erasmus Universiteit, de cursus voor buitenlandse studenten op die naar het staatsexamen NT2, programma II leidt en was beoordelaar van de staatsexamens NT2. Marilene Gathier heeft haar eigen taalbureau De Taalvraag. Hier werkt zij als educatief auteur, taaltrainer en -adviseur Nederlands. Erica Griffioen werkt als vrijwilliger bij De Taalvraag in Rotterdam. Rita Rutten werk als beleidsadviseur voor het Middelbaar Onderwijs.

De morfologie of vormleer is de leer van de wijze waarop in een taal afgeleide en samengestelde woorden gevormd worden. Ook de verbuigings- en vervoegingsvormen van een taal worden in de morfologie onderzocht.

De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) is de belangrijkste beschrijvende grammatica van het hedendaagse Nederlands. Het is een gespecialiseerd naslagwerk dat handelt over woordsoorten, woordvorming, combinaties van woorden, zinsstructuur en een aantal algemene verschijnselen zoals samenstelling en negatie.

Iedereen die een nieuwe taal leert, komt in aanraking met de grammatica. Zo ook beginnende cursisten Nederlands als tweede taal. Dit boek geeft een antwoord op grammaticale vragen die opkomen bij een eerste kennismaking met de Nederlandse taal.

Beter Nederlands - Een inleiding behandelt vier fundamentele grammaticale onderwerpen: woordsoorten, werkwoordstijden, zinsbouw en spelling. De onderwerpen worden uitgelegd aan de hand van voorbeelden. In oefeningen kan de cursist zijn verworven inzichten toepassen.

Deze inleiding maakt deel uit van de serie Beter Nederlands: een serie grammaticale oefenboeken voor NT2-cursisten die minstens enkele jaren voortgezet onderwijs in hun land van herkomst hebben gehad. Dit inleidende deel behandelt de grammatica voor cursisten vanaf niveau A2 binnen het Europees Referentiekader. Beter Nederlands 1 en Beter Nederlands 2 bieden verdieping voor anderstaligen die al over een basistaalvaardigheid van het Nederlands beschikken (vanaf niveau B1). Elk deel is voorzien van een toelichting voor de docent, een sleutel bij de oefeningen en een register.

Dit inleidende deel behandelt de grammatica voor cursisten vanaf niveau A2 binnen het Europees Referentiekader. Beter Nederlands is geschikt voor anderstaligen die minstens enkele jaren voortgezet onderwijs hebben gehad.

c01484d022
Reply all
Reply to author
Forward
0 new messages