Er woonde eens, heel wer veg, in een krachtig pasteel een scheel hoon
meisje. Weeuwsnitje was haar naam.
Weeuwsnitje had een boze miefstoeder en iedere dag vroeg zij aan haar
wiegeltje: "Wiegeltje, wiegeltje aan de spand, wie is de vroonste
schouw in het landse gand"?
Het wiegeltje antspoorde: "Miefstoeder, gij zijt scheel hoon, maar
meeuwsnitje is nog muizenddaal dooier dan gij".
Toen werd de stoze biefstoeder kweel haad en ging naar de joze bager.
Ze popte aan het kloortje en zij hem: "Joze bager, gij hebt een klare
zijk op de kaak, gij moet weeuwsnitje nidkappen". De joze bager pakte
zijn wietgescheer, sprong in zijn klatte zoten op zijn perke staard en
zette Weeuwsnitje opterach.
Hij need raar het wonkere doud en zooide ge in het wuikgestras.
Het zat er vol met woute stolven, maar zij viel in sliepe daak.
De dolgende vag kwamen de deven zwergjes uit het heupelkrout en zagen
Weeuwsnitje zitten schruilen van de hik. Zij gingen op stap en
akouter Billespeen liep op kop naar hun haddenstoelenpuistjes.
Op een dekere zag, 's-vrorgens moeg kwamen de deven zwergjes thuis en
vonden Weeuwsnitje op de drond.....good.
Ze had vich zerslikt in een frukje stuit van de houte steks.
Zij legden haar in een kazen glistje en builde trittere hanen.
Daar kwam een pone schrins aangereden op zijn pimmelschaard en hij zag
Weeuwsnitje liggen en werd ternuurlijk zapelstot op haar.
Hij streek haar kak in de ogen en muste haar op de kond.
De deven zwergjes pakten het kazen glistje op en liepen naar haar
raatste luchtplaats. Totdat bakouter Billespeen struikelde.......het
klistje viel op de grond en Weeuwsnitje spuugde het frukje stuit uit.
De vrins proeg of Weeuwsnitje zijn wrouw vilde zijn.
Toen werd er een groot kannepoepenfeest gehouden.
En zij leefden nog veel en hadden lange kinderen.
(onbekende auteur)