ronald
wat noem je je suf zoeken, na 2 seconden met google:
http://www.pcisys.net/~dlblanc/Parthenogenesis.html
over slangen.
SF
So why are all the viable offspring males? In most mammals, sex is
determined by the X and Y chromosomes, two of which constitute a pair. A
pair of X chromosomes and the individual is female; one X and one Y and the
individual is male. (As the mother has only X chromosomes -- generally, a YY
combination isn't possible, and wouldn't be viable if it were.) In those
diapsids (including birds, lizards, and snakes) where AP has been described,
females have dissimilar sex chromosomes (ZW), while males have two copies of
the same chromosome (ZZ). In AP, if the egg and the second polar body each
contain a Z chromosome, when they are combined, a male offspring will be
produced. If they both contain a W chromosome (a 50% chance), the egg will
be non-viable (WW). This is what causes the high proportion of infertile
eggs in AP parthenogenesis.
Direct naar Artis zelf gaan kijken:
Bij slangen hebben de vrouwtjes twee verschillende
geslachtschromosomen: WZ. Mannetjes hebben twee geslachtschromosomen
van hetzelfde type: ZZ. Dat is dus precies andersom dan bij de mens,
waar de vrouw XX heeft en de man XY. In de moederslang ontwikkelen
zich W-eicellen en Z-eicellen. Bij een normale voortplanting versmelt
zo'n W-eicel of Z-eicel met een Z-spermacel van het mannetje, en
ontstaan er dus WZ en/of ZZ nakomelingen, dus vrouwtjes en mannetjes.
Maagdelijke voortplanting ofwel parthenogenese, komt bij meerdere
soorten reptielen voor, maar is slechts bij enkele slangensoorten
bekend. Voor zover bekend, zouden bij mogelijke parthenogenese de W-
en de Z-cellen zich tijdens de meiose afzonderlijk verdubbelen
waardoor WW- en ZZ-cellen ontstaan; alleen de ZZ-cellen kunnen dan
uitgroeien tot levensvatbare, per definitie mannelijke embryo's
Maagdelijke voortplanting bij de Artispython: klonen!
Tom Groot heeft van zowel de moederslang als van haar embryo's het
erfelijk materiaal (DNA) onderzocht met de zogenaamde AFLP-methode,
waarbij 692 verschillende genetische markers zijn gebruikt. Hij heeft
daarbij aangetoond dat de embryo's alleen erfelijk materiaal van de
moeder bezitten, zodat er wel degelijk sprake moet zijn van
parthenogenese bij deze reuzenslang. Dit is bij reuzenslangen (pythons
en boa's) nog nooit gevonden.
De embryo's werden gesexed door Marja Kik van de Universiteit Utrecht
en het bleken allemaal vrouwelijke exemplaren te zijn, terwijl een
normale parthenogenese bij slangen alleen mannetjes zou moeten
opleveren. Volgens Groot is het waarschijnlijk dat de voorloper van de
eicel (= WZ) zich nog voor de meiose verdubbelt tot WWZZ en zich pas
dan splitst in WZ-eicellen. Met andere woorden: deze moederslang
krijgt dochters die identiek zijn aan haarzelf: klonen! Dit type
parthenogenetische voortplanting bij slangen is volkomen nieuw!
---
Vriendelijke groeten
Karlos
--------------------------
http://www.karlos.org
http://www.magvermeiren.com
--------------------------
dank je wel Karlos en SF,
ik heb toch echt bijna een uur gezocht via google. Ik moet wel
bekennen dat ik de nederlandse pagina's heb bekeken, want ik vind het
onderwerp al ingewikkeld genoeg. Dat ik dan de pagina van SF niet kan
vinden begrijp ik. Artis heb ik niet aan gedacht en het kwam er bij
google ook niet uit. Zal wel te recent zijn geweest.
Maar mag ik er dan even over doorzeuren?
Is het nu zo dat bij de al bekende parthenogenese de mannetjes bestaan
uit chromosoomparen die allen onderling identiek zijn? Het lijkt me
toch onwaarschijnlijk dat dat alleen voor het geslachtschromosoom zal
gelden? Dan lopen die mannetjes wel heel erg veel risico op erfelijke
aandoeningen. Vreemd dat in de natuur deze wijze van parthenogenese
vaker voorkomt dan die van deze python. Het stukje van artis blijft
daar wat vaag over.
ronald
>De embryo's werden gesexed door Marja Kik van de Universiteit Utrecht
>en het bleken allemaal vrouwelijke exemplaren te zijn, terwijl een
>normale parthenogenese bij slangen alleen mannetjes zou moeten
>opleveren. Volgens Groot is het waarschijnlijk dat de voorloper van de
>eicel (= WZ) zich nog voor de meiose verdubbelt tot WWZZ en zich pas
>dan splitst in WZ-eicellen.
Dan heb je toch 25 % kans op WW en ZZ?
>Met andere woorden: deze moederslang
>krijgt dochters die identiek zijn aan haarzelf: klonen! Dit type
>parthenogenetische voortplanting bij slangen is volkomen nieuw!
Ik neem aan dat een python of een boa meer dan twee genen heeft. Het
lijkt mij dat je bij het splitsen van een cel met dubbele paren
chromosomen vel mogelijke combinaties hebt die verschillen van de
combinatie van de moeder zodat de kans dat de nakomelingen identiek zijn
erg klein is. Het kan zijn dat ik iets niet goed begrepen heb of dat er
iets anders aan de hand is.
> Is het nu zo dat bij de al bekende parthenogenese de mannetjes bestaan
> uit chromosoomparen die allen onderling identiek zijn? Het lijkt me
> toch onwaarschijnlijk dat dat alleen voor het geslachtschromosoom zal
> gelden? Dan lopen die mannetjes wel heel erg veel risico op erfelijke
> aandoeningen. Vreemd dat in de natuur deze wijze van parthenogenese
> vaker voorkomt dan die van deze python. Het stukje van artis blijft
> daar wat vaag over.
>
> ronald
Daar heb ik ook geen antwoord op, maar in ieder geval lijkt het me dat ze
dan gevoeliger zijn voor dezelfde ziekten omdat er geen genetische variatie
is, dus meer kans op uitsterven bij zeldzame slangen?
SF
>Maar mag ik er dan even over doorzeuren?
>Is het nu zo dat bij de al bekende parthenogenese de mannetjes bestaan
>uit chromosoomparen die allen onderling identiek zijn? Het lijkt me
>toch onwaarschijnlijk dat dat alleen voor het geslachtschromosoom zal
>gelden? Dan lopen die mannetjes wel heel erg veel risico op erfelijke
>aandoeningen. Vreemd dat in de natuur deze wijze van parthenogenese
>vaker voorkomt dan die van deze python. Het stukje van artis blijft
>daar wat vaag over.
Een groter risico op de expressie van erfelijke aandoeningen bij
mannelijke klonen leidt wel tot een vlugger wegselecteren van de
exemplaren met dergelijke recessieve genen. De effecten van een
dergelijke afwisselling van geslachtelijke met ongeslachtelijke
voortplanting is eigenlijk wat beoogd wordt wanneer men in de veeteelt
vele generaties inteelt laat afwisselen met de kruising van 2
verschillende inteeltlijnen.
Of deze vorm van parthenogenese via mannelijke dieren inderdaad meer
voor komt is niet zo zeker. Bij de reptielen zijn er een heel aantal
bekend waarbij er alleen nog wijfjes voorkomen. Uiteraard verliezen
deze soorten volledig hun vermogen tot variatie en leidt deze vorm van
parthenogenese alleen tot klonen. Maar dit lijkt deze soorten toch
vele duizenden jaren niet te deren.
>Op Sun, 09 Feb 2003 07:20:30 +0100, in nl.wetenschap schreef Ronald
Wordt de kans niet groot dat je na duizenden jaren parthogenese
(plaatselijk) met (een aantal stammen) homozygoten blijft zitten en dat
de genetische variatie bijna helemaal verdwijnt? In dat geval wordt het
natuurlijk vrij lastig om te kunnen onderscheiden of er sprake van
klonering is geweest aangezien vrijwel alle individuen al min of meer
een soort klonen van elkaar zijn.