Hebreeën hoofdstuk 10
20 Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd
heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees; 21 En
dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods; 22
Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle
verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van
het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met
rein water. 23 Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop
vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw); 24 En
laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde
en der goede werken; 25 En laat ons onze onderlinge
bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte
hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als
gij ziet, dat de dag nadert. 26 Want zo wij willens zondigen,
nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo
blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; 27 Maar
een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des
vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden. 28 Als iemand
de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder
barmhartigheid, onder twee of drie getuigen; 29 Hoeveel te
zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die
den Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des
testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was,
en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan? 30
Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ik
zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere
zal Zijn volk oordelen. 31 Vreselijk is het te vallen in de
handen des levenden Gods. 32 Doch gedenkt de vorige
dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel
[
https://nl.wikipedia.org/wiki/Statenvertaling]