Cor
> Ik ben bezig met een studie over de Thora (Oude Testament van de Bijbel).
> Ik vroeg me af of iemand een idee heeft omtrent de datering van de
> uittocht uit Egypte?
*** it-2 1062-70 Uittocht uit Egypte ***
De bevrijding van de natie Israėl uit Egyptische knechtschap. Nadat Jehovah
had beloofd dat Abrahams zaad het land zou beėrven, zei hij tot Abraham
(vóór 1933 v.G.T.): "Gij kunt voorzeker weten dat uw zaad een inwonende
vreemdeling zal worden in een land dat niet het hunne is, en zij zullen hen
moeten dienen, en dezen zullen hen stellig kwellen, vierhonderd jaar lang.
Maar de natie die zij zullen dienen, oordeel ik, en daarna zullen zij met
veel have uitgaan. . . . Maar in het vierde geslacht zullen zij hier
terugkeren, omdat de dwaling van de Amorieten nog niet tot voltooiing is
gekomen." - Ge 15:13-16.
Het is duidelijk dat de 400 jaar durende periode van kwelling niet kon
beginnen voor de komst van het beloofde "zaad". Hoewel Abraham eerder, toen
er in Kanaän hongersnood heerste, in Egypte was geweest en er zich bepaalde
moeilijkheden met de farao aldaar hadden voorgedaan, was hij in die tijd
kinderloos (Ge 12:10-20). Kort nadat God de woorden over de 400 jaar durende
kwelling had geuit, toen Abraham 86 jaar oud was (in 1932 v.G.T.), schonk
zijn Egyptische slavin en bijvrouw hem een zoon, Ismaėl. Maar pas veertien
jaar later (1918 v.G.T.) schonk Sara, Abrahams vrije vrouw, hem een zoon,
Isaäk, en zoals God te kennen had gegeven, zou deze zoon degene zijn via wie
het beloofde Zaad zou komen. Toch was Gods tijd nog niet aangebroken om
Abraham of zijn zaad het land Kanaän te geven, en daarom waren zij, zoals
voorzegd, 'inwonende vreemdelingen in een land dat niet het hunne was'. - Ge
16:15, 16; 21:2-5; Heb 11:13.
Tijdstip van de uittocht.
Wanneer begonnen derhalve de 400 jaar van kwelling, en wanneer eindigden ze?
De joodse overlevering laat ze bij de geboorte van Isaäk beginnen. Maar van
een werkelijke kwelling was pas sprake op de dag dat Isaäk gespeend werd. De
aanwijzingen duiden op 1913 v.G.T. - toen Isaäk ongeveer vijf jaar en Ismaėl
ongeveer negentien jaar was - als het jaar waarin de kwelling begon. Toen
ging Ismaėl, "degene die naar de wijze van het vlees geboren was, hem . . .
vervolgen die naar de wijze van de geest geboren was" (Ga 4:29). Van
jaloezie en haat vervuld begon Ismaėl, een halfbloed Egyptenaar, 'de spot te
drijven' met Isaäk, die nog een klein kind was, en dit was niet louter een
kinderruzie (Ge 21:9). Andere vertalingen zeggen dat Ismaėl "spotte" (KB;
NBG), dat hij Isaäk 'uitlachte' (PC). De kwelling van Abrahams zaad duurde
tijdens Isaäks hele leven voort. Hoewel Isaäk als volwassen man door Jehovah
werd gezegend, werd hij niettemin door de bewoners van Kanaän vervolgd en
zag hij zich wegens de moeilijkheden die zij hem bezorgden, genoodzaakt van
plaats tot plaats te trekken (Ge 26:19-24, 27). Ten slotte, in de latere
levensjaren van Isaäks zoon Jakob, ging het voorzegde "zaad" naar Egypte om
daar te wonen. Na verloop van tijd raakten zij in slavernij.
Op grond van welk bewijsmateriaal uit de bijbel zelf kan worden vastgesteld
wanneer Israėls uittocht uit Egypte plaatsvond?
De 400-jarige periode van kwelling duurde dus van 1913 v.G.T. tot 1513
v.G.T. Het was ook een periode van goedgunstigheid of van goddelijke
tolerantie ten aanzien van de Kanaänieten, van wie de Amorieten de
voornaamste stam vormden. Aan het einde van die periode zou hun dwaling tot
voltooiing komen; het zou dan heel duidelijk zijn dat zij het verdienden
volledig uit het land te worden verdreven. Als eerste stap in deze richting
zou God zijn aandacht op zijn volk in Egypte richten, hen van knechtschap
bevrijden en hun de terugtocht naar het Beloofde Land doen aanvaarden. - Ge
15:13-16.
De 430-jarige periode.
Nog een sleutel voor het berekenen van het tijdstip van de uittocht vinden
wij in Exodus 12:40, 41, waar staat: "En de tijd van het verblijf van de
zonen van Israėl, die in Egypte hadden gewoond, was vierhonderd dertig jaar.
Nu geschiedde het aan het einde van de vierhonderd dertig jaar, ja, het
geschiedde op dezelfde dag, dat alle legers van Jehovah uit het land Egypte
gingen." De voetnoot bij Exodus 12:40 zegt over de uitdrukking "die . . .
hadden gewoond": "In het Hebr[eeuws] staat dit [werkwoord] in het
[meervoud]. Het [betrekkelijk voornaamwoord] ´asjer', 'die', kan betrekking
hebben op de 'zonen van Israėl' in plaats van op het 'verblijf'." De Griekse
Septuaginta geeft Ž12 Üvers 40 als volgt weer: "Maar het verblijf van de
zonen van Israėl dat zij in het land Egypte en in het land Kanaän verbleven,
[was] vierhonderd dertig jaar lang." In de Samaritaanse Pentateuch staat: ".
. . in het land Kanaän en in het land Egypte". Al deze weergaven geven te
kennen dat de 430-jarige periode niet alleen de tijd van het verblijf van de
Israėlieten in Egypte omvatte.
De apostel Paulus laat zien dat deze periode van 430 jaar (uit Ex 12:40)
begon toen het Abrahamitische verbond van kracht werd en dat ze eindigde met
de uittocht uit Egypte. Paulus legt uit: "Bovendien zeg ik dit: Wat het
tevoren door God bekrachtigde [Abrahamitische] verbond betreft, de Wet die
vierhonderd dertig jaar later [in hetzelfde jaar als de uittocht] is
ontstaan, maakt het niet krachteloos, om aldus de belofte teniet te doen.
Want indien de erfenis ten gevolge van de wet komt, dan komt ze niet langer
ten gevolge van de belofte, terwijl God ze toch door middel van een belofte
goedgunstig aan Abraham heeft gegeven." - Ga 3:16-18.
Hoeveel tijd verstreek er dan vanaf het tijdstip dat het Abrahamitische
verbond van kracht werd totdat de Israėlieten in Egypte kwamen? In Genesis
12:4, 5 lezen wij dat Abraham 75 jaar was toen hij uit Haran trok en op weg
naar Kanaän de Eufraat overstak, op welk tijdstip het Abrahamitische
verbond - de belofte die hem voordien in Ur der Chaldeeėn gedaan was - in
werking trad. Uit de in Genesis 12:4; 21:5 en 25:26 genoemde leeftijden en
uit Jakobs woorden in Genesis 47:9 blijkt dat er vervolgens 215 jaar
verstreken tussen het tijdstip waarop het Abrahamitische verbond van kracht
werd en het moment waarop Jakob en zijn huisgezin in Egypte aankwamen,
hetgeen erop zou duiden dat de Israėlieten in werkelijkheid 215 jaar
(1728-1513 v.G.T.) in Egypte gewoond hebben. Dit getal komt met andere
chronologische gegevens overeen.
Van de uittocht tot de tempelbouw.
Twee andere tijdaanduidingen stemmen met deze zienswijze overeen en
bevestigen die. Salomo begon in het 4de jaar van zijn regering (1034 v.G.T.)
met de bouw van de tempel, en dit was volgens 1 Koningen 6:1 "in het
vierhonderd tachtigste jaar" na de uittocht uit Egypte (1513 v.G.T.).
"Ongeveer vierhonderd vijftig jaar".
Vervolgens is er nog de in Handelingen 13:17-20 opgetekende toespraak van
Paulus, die hij voor een gehoor in Antiochiė (Pisidiė) hield en waarin hij
een periode van "ongeveer vierhonderd vijftig jaar" noemt. Zijn
uiteenzetting over de geschiedenis van Israėl begint bij het tijdstip dat
God 'onze voorvaders uitkoos', dat wil zeggen, vanaf het tijdstip dat Isaäk
geboren werd als het zaad der belofte (1918 v.G.T.). (Door Isaäks geboorte
werd de vraag wie God als het zaad zou erkennen, waarover onzekerheid had
bestaan omdat Sara onvruchtbaar bleef, definitief opgelost.) Vanaf dit punt
beginnend, vertelt Paulus vervolgens wat God ten behoeve van zijn
uitverkoren natie had gedaan tot aan de tijd dat hij "hun rechters [gaf] tot
op de profeet Samuėl". De periode van "ongeveer vierhonderd vijftig jaar"
strekt zich dus kennelijk uit van Isaäks geboorte in 1918 v.G.T. tot het
jaar 1467 v.G.T., ofte wel 46 jaar na de uittocht uit Egypte in 1513 v.G.T.
(veertig jaar voor de omzwerving in de wildernis en zes jaar voor de
verovering van het land Kanaän) (De 2:7; Nu 9:1; 13:1, 2, 6; Joz 14:6, 7,
10). Dit levert een totaal aantal jaren op dat strookt met het door de
apostel genoemde ronde getal van "ongeveer vierhonderd vijftig jaar". Beide
tijdaanduidingen bevestigen derhalve het jaar 1513 v.G.T. als het jaar van
de uittocht en stemmen bovendien overeen met de bijbelse chronologie
betreffende de koningen en rechters van Israėl. - Zie CHRONOLOGIE (Van 1943
v.G.T. tot de uittocht uit Egypte).
Andere zienswijzen.
Deze datering voor de uittocht uit Egypte, 1513 v.G.T. - en bijgevolg ook de
datering 1473 v.G.T. voor het binnentrekken van het land Kanaän door de
Israėlieten en de val van Jericho, veertig jaar na de uittocht uit Egypte -
wordt door sommige critici veel te vroeg geacht; zij willen deze
gebeurtenissen helemaal in de 14de of zelfs de 13de eeuw v.G.T. plaatsen.
Hoewel sommige archeologen de val van Jericho in de 13de eeuw v.G.T.
dateren, baseren zij hun opvatting echter niet op oude historische
documenten of getuigenissen maar op aardewerkvondsten. Het ligt voor de hand
dat een op potscherven gebaseerde berekening van tijdsperiodes zeer
speculatief is, hetgeen blijkt uit de opgravingen die in Jericho zijn
verricht. De aldaar gedane vondsten hebben bij de archeologen tot
tegenstrijdige conclusies en dateringen geleid. - Zie ARCHEOLOGIE
(Dateringsverschillen); CHRONOLOGIE (Archeologische datering).
Hetzelfde kan van de egyptologen worden gezegd, want hun dateringen van de
Egyptische dynastieėn verschillen eeuwen van elkaar, zodat hun
tijdaanduidingen voor welke specifieke periode maar ook onbruikbaar zijn.
Daarom is het onmogelijk met zekerheid te zeggen wie de farao van de
uittocht uit Egypte was. Sommigen zeggen dat het Thoetmozes III geweest is.
Volgens anderen was het Amenhotep II, Ramses II, enzovoort, maar in alle
gevallen zijn de opgaven zeer slecht gefundeerd.
Authenticiteit van het verslag in Exodus.
Met betrekking tot het in het boek Exodus opgetekende verslag over de
uittocht is het bezwaar geopperd dat de farao's van Egypte geen enkele
melding hebben gemaakt van de uittocht. Dit is echter niet ongewoon, want
ook koningen in latere tijd hebben alleen hun overwinningen en niet hun
nederlagen opgetekend en hebben vaak getracht zich te ontdoen van elk
historisch bewijs dat afbreuk deed aan hun image of dat van hun land of aan
de ideologie die zij hun volk wilden inprenten. Zelfs in recente tijd hebben
heersers getracht elk spoor van de werken en de reputatie van hun
voorgangers uit te wissen. In de Egyptische inscripties werd alles wat als
pijnlijk of onaangenaam werd ervaren, weggelaten of zo snel mogelijk
uitgewist. Een voorbeeld is wat er met de naam en de afbeelding van koningin
Hatsjepsoet gebeurde. Haar opvolger, Thoetmozes III, liet deze uit de
reliėfs op een in Deir al-Bahri (Egypte) ontdekt stenen monument
wegbeitelen. - Zie Archaeology and Bible History, door J. P. Free, 1964,
blz. 98 en foto tegenover blz. 94.
Manetho, een Egyptische priester die kennelijk een jodenhater was, schreef
zijn werk omstreeks 280 v.G.T. in het Grieks. De joodse geschiedschrijver
Josephus citeert Manetho, die geschreven zou hebben dat de voorouders van de
joden ten getale van "vele duizenden . . . naar Egypte zijn gekomen en daar
de inwoners aan hunne heerschappij hebben onderworpen", en zegt dan verder
dat Manetho "vervolgens zelf toegeeft, dat zij in later tijd het land
verlaten, het tegenwoordige Judéa in bezit genomen, aldaar Jeruzalem
gesticht en den tempel gebouwd hebben". - Tegen Apion, I, 26.
Manetho's verslag is historisch gezien over het algemeen zeer onnauwkeurig,
maar toch is het veelbetekenend dat hij over de joden opmerkt dat zij in
Egypte geweest en uit het land weggetrokken zijn, en dat hij in verdere
geschriften, volgens Josephus, Mozes identificeert met Osarsif, een
Egyptische priester, hetgeen aantoont dat de joden inderdaad in Egypte waren
en dat Mozes hun leider was, ook al is dit niet op Egyptische monumenten
vastgelegd. Josephus noemt nog een Egyptische geschiedschrijver, Cheremon,
die schrijft dat Jozef en Mozes gelijktijdig uit Egypte werden verdreven.
Josephus vermeldt ook een zekere Lysimachus, die iets soortgelijks
bericht. - Tegen Apion, I, 26; 32-34.
Het aantal personen dat Egypte verliet.
In Exodus 12:37 wordt het ronde getal van 600.000 "fysiek sterke mannen te
voet" - ongerekend "de kleinen" - genoemd. Volgens het verslag in Numeri
1:2, 3, 45, 46 bedroeg hun aantal bij de werkelijke telling, die ongeveer
een jaar na de uittocht werd gehouden, 603.550 mannen - van twintig jaar oud
en daarboven, uitgezonderd de levieten (Nu 2:32, 33), onder wie zich 22.000
mannelijke personen van een maand oud en daarboven bevonden (Nu 3:39). De
Hebreeuwse term geva·rim' (fysiek sterke mannen) omvat geen vrouwen. (Vgl.
Jer 30:6.) "Kleinen" komt van het Hebreeuwse woord taf en heeft betrekking
op iemand die met dribbelpasjes loopt. (Vgl. Jes 3:16.) De meeste van deze
"kleinen" moesten gedragen worden of konden althans niet de hele reis te
voet afleggen.
"In het vierde geslacht".
Men moet bedenken dat Jehovah tot Abraham zei dat zijn nakomelingen in het
vierde geslacht naar Kanaän zouden terugkeren (Ge 15:16). Gedurende de hele
periode van 430 jaar vanaf het tijdstip dat het Abrahamitische verbond in
werking trad tot de uittocht uit Egypte leefden er meer dan vier geslachten,
zelfs wanneer men de in het verslag opgetekende lange levensduur van de
mensen uit die tijd in aanmerking neemt. Maar de Israėlieten hebben slechts
215 jaar werkelijk in Egypte doorgebracht. Voor de 'vier geslachten' die na
de aankomst in Egypte leefden, kunnen, wanneer men bij wijze van voorbeeld
van slechts één stam van Israėl uitgaat, namelijk de stam Levi, de volgende
schakels voldoende zijn: (1) Levi, (2) Kehath, (3) Amram en (4) Mozes. - Ex
6:16, 18, 20.
Dat er 600.000 fysiek sterke mannen, de vrouwen en kinderen niet
meegerekend, uit Egypte trokken, zou betekenen dat in totaal misschien wel
meer dan drie miljoen personen het land verlaten hebben. Hoewel deze
conclusie door sommigen wordt betwist, is het aantal beslist niet
onredelijk, want ook al waren er van Levi tot Mozes slechts vier geslachten,
dan moeten deze mannen met het oog op hun lange levensduur toch nog tijdens
hun leven hebben meegemaakt dat er verscheidene geslachten of generaties van
nakomelingen geboren zijn. Ook in deze tijd heeft een man van zestig of
zeventig jaar vaak kleinkinderen en misschien zelfs achterkleinkinderen (wat
betekent dat er sprake is van vier gelijktijdig levende geslachten).
Buitengewone toename.
Het verslag vermeldt: "En de zonen van Israėl werden vruchtbaar en het ging
van hen wemelen; en zij bleven zich vermenigvuldigen en in zeer buitengewone
mate machtiger worden, zodat het land vol van hen werd" (Ex 1:7). Zij werden
zelfs zo talrijk dat de koning van Egypte zei: "Ziet! Het volk van de zonen
van Israėl is talrijker en machtiger dan wij." "Maar hoe meer men hen
onderdrukte, des te meer vermenigvuldigden zij zich en des te meer breidden
zij zich uit, zodat men een ziekmakende angst gevoelde ten gevolge van de
zonen van Israėl" (Ex 1:9, 12). Wanneer men bovendien bedenkt dat er
polygamie bestond, zodat velen bijvrouwen of concubines hadden, en dat
sommige Israėlieten met Egyptische vrouwen trouwden, wordt het duidelijk hoe
het mogelijk was dat zij zich zo vermenigvuldigden dat het aantal mannelijke
volwassenen 600.000 bedroeg.
Jakobs huisgezin, dat naar Egypte trok, omvatte zeventig zielen als degenen
erbij gerekend worden die kort na hun aankomst aldaar geboren werden (Ge
46). Als men Jakob zelf, zijn twaalf zonen, zijn dochter Dina, zijn
kleindochter Serah, de drie zonen van Levi en mogelijk nog anderen die tot
de familiehoofden behoorden en die zich in Egypte begonnen te
vermenigvuldigen, aftrekt van de zeventig blijven er wellicht nog slechts
vijftig over. (Levi's zonen zijn hierbij niet inbegrepen, omdat de levieten
niet bij het latere aantal van 603.550 werden meegeteld.) Wanneer men dus
uitgaat van de zeer voorzichtige schatting van vijftig familiehoofden en in
aanmerking neemt dat de bijbel zegt: "De zonen van Israėl werden vruchtbaar
en het ging van hen wemelen; en zij bleven zich vermenigvuldigen en in zeer
buitengewone mate machtiger worden, zodat het land vol van hen werd" (Ex
1:7), kan men gemakkelijk aantonen hoe het mogelijk was dat er ten tijde van
de uittocht uit Egypte 600.000 mannen in de dienstplichtige leeftijd, tussen
de twintig en vijftig jaar, waren. Beschouw het volgende eens:
Met het oog op de grote gezinnen die men destijds had en de wens van de
Israėlieten om ter vervulling van Gods belofte kinderen te hebben, is het in
onze berekening niet onredelijk aan te nemen dat ieder mannelijk gezinshoofd
tussen zijn twintigste en veertigste levensjaar gemiddeld tien kinderen
voortbracht (van wie de helft jongens waren). Om een voorzichtige berekening
te maken, zullen wij ervan uitgaan dat ieder van de oorspronkelijke vijftig
personen die familiehoofden werden, pas vijfentwintig jaar na hun komst in
Egypte kinderen begon voort te brengen. En omdat de dood of een andere
omstandigheid kon verhinderen dat sommige jongens ooit de leeftijd bereikten
waarop zij kinderen konden voortbrengen, of kon veroorzaken dat er nog vóór
hun veertigste levensjaar, de door ons gestelde grens, een halt werd
toegeroepen aan de uitbreiding van hun gezin, kunnen wij het aantal
mannelijke kinderen dat werd geboren en uiteindelijk vader werd, nog met
twintig procent verminderen. Eenvoudig gesteld, betekent dit dat in een
periode van twintig jaar in plaats van 250 slechts 200 zonen van de vijftig
door ons vastgestelde oorspronkelijke familiehoofden zelf kinderen hebben
gekregen.
Het decreet van Farao.
Er moet nog een factor in aanmerking worden genomen: het decreet van Farao
om alle mannelijke kinderen bij de geboorte te doden. Dit decreet schijnt
niet erg effectief en slechts kort van kracht geweest te zijn. Aäron werd
ongeveer drie jaar vóór Mozes (of in 1597 v.G.T.) geboren, en in die tijd
was een dergelijk decreet blijkbaar niet van kracht. De bijbel zegt
onomwonden dat het decreet van Farao weinig uithaalde. De Hebreeuwse vrouwen
Sifra en Pua, die vermoedelijk de leiding hadden over de vroedvrouwen,
voerden het bevel van de koning niet uit. Zij hebben de onder hen staande
vroedvrouwen kennelijk niet geļnstrueerd zoals hun bevolen was. Het
resultaat was: "Het volk bleef talrijker en zeer machtig worden." Toen
gebood Farao zijn gehele volk om ieder pasgeboren Israėlitisch jongetje in
de Nijl te gooien (Ex 1:15-22). Maar blijkbaar haatten de Egyptenaren de
Hebreeėn niet genoeg om dat te doen. Mozes werd zelfs door Farao's eigen
dochter gered. Ook heeft Farao misschien al snel ingezien dat hij
waardevolle slaven zou verliezen als zijn decreet van kracht bleef. Wij
weten dat de farao van de uittocht later weigerde de Hebreeėn te laten gaan
omdat hij hun slavenarbeid zeer op prijs stelde.
Teneinde echter een nog voorzichtiger berekening te maken, zullen wij het
aantal van de jongetjes die een periode van vijf jaar overleefden, met bijna
een derde verminderen om de mogelijke uitwerking van Farao's onsuccesvolle
edict in aanmerking te nemen.
Een berekening.
Zelfs al wordt dit alles in aanmerking genomen, dan had de bevolking toch
nog, ook al vanwege Gods zegen, zeer snel kunnen groeien. De volgende tabel
laat zien hoeveel kinderen er tijdens elke periode van vijf jaar vanaf 1563
v.G.T. (dus vijftig jaar voor de uittocht) tot 1533 v.G.T. (of twintig jaar
voor de uittocht) werden geboren:
TOENAME VAN DE MANNELIJKE BEVOLKING
v.G.T. Zonen geboren
van 1563 tot 1558 47.350
van 1558 tot 1553 62.300
van 1553 tot 1548 81.800
van 1548 tot 1543 103.750
van 1543 tot 1538 133.200
van 1538 tot 1533 172.250
Totaal 600.650*
* Theoretisch berekende grootte van de mannelijke bevolking tussen de 20 en
50 jaar ten tijde van de uittocht (1513 v.G.T.)
Hierbij dient opgemerkt te worden dat zelfs een geringe wijziging in de
berekeningsmethode, door bijvoorbeeld het aantal zonen dat gemiddeld aan
iedere vader werd geboren met één te verhogen, dit getal tot meer dan een
miljoen zou doen toenemen.
Hoe talrijk was het volk dat onder Mozes Egypte verliet?
Behalve de in de bijbel genoemde 600.000 fysiek sterke mannen was er een
groot aantal oudere mannen, een nog groter aantal vrouwen en kinderen, en
"een groot gemengd gezelschap" niet-Israėlieten (Ex 12:38). In totaal kunnen
dus heel goed meer dan drie miljoen personen uit Egypte zijn getrokken. Het
is niet verwonderlijk dat de Egyptische farao zo'n groot slavenvolk niet
graag wilde laten vertrekken. Het betekende een groot economisch verlies
voor zijn land.
Dat zich onder hen een angstwekkend groot aantal strijdbare mannen bevond,
wordt in de bijbel bevestigd: "Moab werd zeer bevreesd voor het volk, omdat
het talrijk was; en Moab ging een ziekmakende angst gevoelen voor de zonen
van Israėl" (Nu 22:3). Natuurlijk waren de Moabieten ten dele zo bevreesd
omdat Jehovah zulke grote wonderen voor Israėl had bewerkt, maar ook omdat
het volk zo talrijk was. Wanneer het om slechts enkele duizenden was gegaan,
zouden zij niet zo'n angst hebben gevoeld. Tijdens de tocht door de
wildernis kwam er weinig verandering in het aantal van de Israėlieten, omdat
in de wildernis zo velen wegens hun ongehoorzaamheid stierven. - Nu 26:2-4,
51.
Bij de volkstelling die kort na de uittocht werd gehouden, werden de
levieten apart geteld, en het aantal van degenen van een maand oud en
daarboven bedroeg 22.000 (Nu 3:39). Men zou zich kunnen afvragen hoe het
kwam dat er bij de andere twaalf stammen slechts 22.273 mannelijke
eerstgeborenen in de leeftijd van een maand oud en daarboven waren (Nu
3:43). Dit is gemakkelijk te begrijpen wanneer men beseft dat de
gezinshoofden niet geteld werden, dat een man wegens polygamie vele zonen
maar slechts één eerstgeborene kon hebben en dat de eerstgeborene van de man
en niet van de vrouw geteld werd.
Erbij betrokken strijdpunten.
In overeenstemming met Gods belofte aan Abraham was Zijn bestemde tijd
aangebroken om de natie Israėl uit "de ijzersmeltoven" van Egypte te
bevrijden. Jehovah beschouwde Israėl, wegens de belofte die hij aan Abraham
had gedaan, als zijn eerstgeboren zoon. Toen Jakob met zijn huisgezin naar
Egypte trok, ging hij vrijwillig, maar zijn nakomelingen werden later
slaven. Als natie waren zij Jehovah net zo lief als een eerstgeboren zoon,
en Jehovah had het wettelijke recht om hen uit Egypte te bevrijden zonder
een prijs te betalen. - De 4:20; 14:1, 2; Ex 4:22; 19:5, 6.
Farao, die zich tegen Jehovah's voornemen verzette, wilde dit grote
slavenvolk niet verliezen. Toen Mozes hem in Jehovah's naam benaderde met
het verzoek de Israėlieten te laten gaan, opdat zij in de wildernis voor
Jehovah een feest konden vieren, antwoordde hij bovendien: "Wie is Jehovah,
zodat ik zijn stem zou gehoorzamen en Israėl zou heenzenden? Ik ken Jehovah
in het geheel niet" (Ex 5:2). Farao beschouwde zichzelf als een god en
erkende Jehovah's autoriteit niet, hoewel hij de Hebreeėn deze naam
ongetwijfeld dikwijls had horen gebruiken. Jehovah's aanbidders hadden zijn
naam vanaf het begin gekend; Abraham had God zelfs met de naam Jehovah
aangesproken. - Ge 2:4; 15:2.
Door Farao's houding en daden werd het strijdpunt opgeworpen: Wie is de ware
God? Jehovah God moest nu laten zien dat hij machtiger was dan de goden van
Egypte, met inbegrip van Farao, die als een god werd vereerd. Hij deed dit
door tien plagen over Egypte te brengen, die ertoe leidden dat Israėl werd
bevrijd. (Zie GODEN EN GODINNEN [De tien plagen].) Bij de laatste plaag, de
dood van de eerstgeborenen, werd de Israėlieten geboden zich tijdens het
eten van het paschamaal gereed te houden om uit Egypte te trekken. Hoewel
zij Egypte in haast verlieten, hiertoe aangespoord door de Egyptenaren, die
zeiden: "Wij zijn allen zo goed als dood!", gingen zij niet met lege handen
(Ex 12:33). Zij namen hun runderen en schapen, hun ongegiste meeldeeg en hun
baktroggen mee. Bovendien gaven de Egyptenaren de Israėlieten alles waar zij
om vroegen: zilveren en gouden voorwerpen, alsook kleding. Terloops zij
opgemerkt dat de Egyptenaren hierdoor niet werden beroofd. Zij hadden niet
het recht gehad de Israėlieten als slaven te gebruiken en waren het volk
daarom loon verschuldigd. - Ex 12:34-38.
Samen met de Israėlieten trok ook "een groot gemengd gezelschap" uit Egypte
(Ex 12:38). Dit waren allen aanbidders van Jehovah, want zij hadden zich
moeten voorbereiden om samen met de Israėlieten het land te verlaten terwijl
de Egyptenaren hun doden begroeven. Zij hadden het Pascha gevierd, anders
zouden zij druk bezig zijn geweest met de Egyptische rouw- en
begrafenisriten. Het gemengde gezelschap moet ten dele bestaan hebben uit
personen die op de een of andere wijze met de Israėlieten verzwagerd waren.
Veel Israėlitische mannen bijvoorbeeld waren met Egyptische vrouwen getrouwd
en Israėlitische vrouwen met Egyptische mannen. Een voorbeeld hiervan is de
man die in de wildernis ter dood gebracht werd omdat hij Jehovah's naam had
beschimpt. Hij was de zoon van een Egyptische man, en zijn moeder was
Selomith uit de stam Dan (Le 24:10, 11). Er zij ook opgemerkt dat Jehovah
permanente instructies gaf omtrent de vereisten die voor inwonende
vreemdelingen en slaven zouden gelden wat het eten van het Pascha betreft
wanneer Israėl eenmaal in het Beloofde Land zou zijn gekomen. - Ex 12:25,
43-49.
De route van de uittocht.
De Israėlieten moeten zich op verschillende plaatsen bevonden hebben toen
zij uit Egypte wegtrokken, zodat zij aanvankelijk niet één gesloten groep
hebben gevormd. Sommigen hebben zich wellicht pas onderweg bij de hoofdgroep
aangesloten. Het vertrekpunt was Rameses, hetzij de stad of een district met
die naam; de eerste etappe voerde naar Sukkoth (Ex 12:37). Sommige geleerden
opperen dat terwijl Mozes de tocht vanuit Rameses begon, de Israėlieten uit
alle delen van het land Gosen kwamen en elkaar te Sukkoth als verzamelpunt
ontmoetten. - KAART: Deel 1, blz. 536.
De Israėlieten hadden Egypte haastig verlaten, hiertoe aangespoord door de
Egyptenaren; toch waren zij beslist niet ongeorganiseerd: "In slagorde
geschaard trokken de zonen van Israėl echter op uit het land Egypte", dat
wil zeggen, mogelijk als een leger met vijf onderdelen: voorhoede,
achterhoede, hoofdmacht en twee vleugels. Behalve het bekwame leiderschap
van Mozes, toonde Jehovah duidelijk zijn eigen leiderschap, op zijn minst
vanaf het moment dat zij zich te Etham legerden, doordat hij voor een
wolkkolom zorgde die hen overdag leidde en die in een vuurzuil veranderde om
hun 's nachts licht te geven. - Ex 13:18-22.
De kortste route zou de ongeveer 400 km lange weg over land geweest zijn
vanaf de omgeving ten N van Memphis tot bijvoorbeeld Lachis in het Beloofde
Land. Maar deze route zou de Israėlieten langs de Middellandse-Zeekust en
door het land van de Filistijnen hebben gevoerd. Hun voorvaders Abraham en
Isaäk hadden in het verleden problemen met de Filistijnen gehad. God, die
wist dat de Israėlieten door een aanval van de Filistijnen de moed konden
verliezen, omdat zij onervaren waren in de oorlogvoering en ook omdat zij
hun gezinnen en hun kudden bij zich hadden, gebood Israėl om te keren en
zich te legeren vóór Pi-Hachiroth, tussen Migdol en de Zee, in het gezicht
van Baäl-Sefon. Hier legerden zij zich bij de zee. - Ex 14:1, 2.
De exacte route die de Israėlieten van Rameses tot aan de Rode Zee hebben
gevolgd, kan thans niet met zekerheid worden nagegaan, aangezien de in het
verslag genoemde plaatsen met geen mogelijkheid geļdentificeerd kunnen
worden. Volgens de meeste naslagwerken zijn de Israėlieten door de zogeheten
Wadi Tumilat, in het Egyptische deltagebied, getrokken. Deze
veronderstelling berust echter hoofdzakelijk op de identificatie van Rameses
met een plaats in de NO-hoek van het deltagebied. John A. Wilson, hoogleraar
in de egyptologie, schrijft echter: "Helaas verschillen de geleerden van
mening over de precieze ligging van Rameses. De farao's die Ramses heetten,
en vooral Ramses II, hebben meerdere steden naar zich vernoemd. Bovendien
zijn er in deltasteden verwijzingen naar deze stad opgegraven waarvan niet
serieus beweerd kan worden dat het deze plaats betreft." - The Interpreter's
Dictionary of the Bible, onder redactie van G. A. Buttrick, 1962, Deel 4,
blz. 9.
Verschillende plaatsen zijn als mogelijke ligging geopperd; een tijdlang
heeft de ene stad de voorkeur genoten om dan weer ten gunste van een andere
mogelijkheid verworpen te worden. Tanis (het huidige San el-Hagar), enkele
kilometers ten Z van de aan de Middellandse Zee gelegen kuststad Port Said,
geniet bij velen de voorkeur, maar ook Qantir, ongeveer 24 km verder
zuidwaarts. Er zij opgemerkt dat Tanis, de eerstgenoemde plaats, en
(Per-)Rameses in een Egyptische tekst niet als dezelfde maar als twee
afzonderlijke plaatsen worden genoemd en dat op zijn minst een deel van het
in Tanis opgegraven materiaal uit andere plaatsen afkomstig blijkt te zijn.
Daarom zegt John A. Wilson vervolgens: "Er is geen garantie dat inscripties
met de naam Rameses daar oorspronkelijk vandaan kwamen." Over zowel Tanis
als Qantir kan worden gezegd dat de op Ramses II betrekking hebbende
inscripties die in deze plaatsen gevonden zijn, louter op een verband met
die farao zouden kunnen duiden, maar geenszins bewijzen dat hetzij de ene of
de andere plaats het bijbelse Raämses is dat reeds voor de geboorte van
Mozes door de Israėlieten als opslagplaats werd gebouwd (Ex 1:11). Zoals
onder het trefwoord RAÄMSES, RAMESES wordt aangetoond, zijn er weinig
bewijzen ten gunste van de opvatting dat Ramses II de farao van de uittocht
was.
De route door de Wadi Tumilat wordt ook aannemelijk geacht omdat men thans
algemeen de theorie voorstaat dat de doortocht door de Rode Zee in
werkelijkheid niet bij de genoemde zee heeft plaatsgevonden, maar bij een
plek ten N daarvan. Sommige geleerden hebben zelfs geopperd dat de
Israėlieten het aan de Middellandse-Zeekust gelegen Serbonismeer zijn
doorgetrokken of er voorbij zijn getrokken en zich dus, na de Wadi Tumilat
te hebben verlaten, naar het N hebben gekeerd, in de richting van de kust.
Deze opvatting is lijnrecht in tegenspraak met de specifieke in de bijbel
opgetekende verklaring dat God zelf de Israėlieten niet langs de route
leidde die hen naar het land van de Filistijnen zou voeren (Ex 13:17, 18).
Anderen houden het erop dat zij door de Wadi Tumilat zijn getrokken maar
betogen dat de doortocht door de "zee" in het gebied van de Bittermeren ten
N van Suez plaatsvond.
Rode Zee, geen "rietzee".
Deze laatste opvatting is gebaseerd op het argument dat de Hebreeuwse
uitdrukking jam-soef' (vertaald met "Rode Zee") letterlijk "biezenzee of
rietzee" betekent en dat de Israėlieten daarom niet door de arm van de Rode
Zee die bekendstaat als de Golf van Suez zijn getrokken, maar door een
rietzee, een moerassige streek, zoals het gebied van de Bittermeren. Door
dit te beweren, zijn zij het echter oneens met de vertalers van de oude
Griekse Septuaginta, die jam-soef' met de Griekse naam e·ru'thra tha·las'sa
hebben weergegeven, wat letterlijk "Rode Zee" betekent. Veel belangrijker is
echter dat Lukas, de schrijver van Handelingen (hij citeert Stefanus), en de
apostel Paulus deze zelfde Griekse naam gebruikten toen zij de
gebeurtenissen van de uittocht verhaalden. - Han 7:36; Heb 11:29; zie RODE
ZEE.
Bovendien zou er geen sprake van een groot wonder zijn geweest wanneer zij
door louter een moeras getrokken waren, en ook hadden de Egyptenaren niet in
de Rode Zee "verzwolgen" kunnen worden toen 'de woelige wateren hen ten
slotte bedekten', zodat zij 'in de diepten zonken als een steen' (Heb 11:29;
Ex 15:5). Niet alleen Mozes en Jozua verwezen later naar dit ontzagwekkende
wonder, maar ook de apostel Paulus, die zei dat de Israėlieten door middel
van de wolk en de zee in Mozes gedoopt werden. Hierdoor werd te kennen
gegeven dat zij volledig door water omgeven waren - aan weerszijden van hen
bevond zich de zee en boven en achter hen was de wolk (1Kor 10:1, 2). Het
laat ook zien dat het water zo diep geweest moet zijn dat zij er niet
doorheen konden waden.
De route van de uittocht hangt grotendeels van twee factoren af: waar de
toenmalige Egyptische hoofdstad lag en welk water de Israėlieten zijn
doorgetrokken. Aangezien de schrijvers van de geļnspireerde christelijke
Griekse Geschriften de uitdrukking "Rode Zee" gebruikten, bestaat er alle
reden om te geloven dat de Israėlieten door dit water zijn getrokken. Wat de
Egyptische hoofdstad betreft, komt Memphis hier naar alle waarschijnlijkheid
het meest voor in aanmerking, aangezien deze stad gedurende het grootste
gedeelte van Egyptes geschiedenis de belangrijkste regeringszetel was. (Zie
MEMPHIS.) Indien dat zo is, dan moet het vertrekpunt voor de uittocht zich
dicht genoeg bij Memphis bevonden hebben dat Mozes in de paschanacht na
middernacht naar Farao geroepen kon worden en vervolgens op tijd Rameses
bereikte om vandaar nog vóór het einde van de veertiende Nisan de tocht naar
Sukkoth te kunnen aanvaarden (Ex 12:29-31, 37, 41, 42). De oudste joodse
overlevering - opgetekend door Josephus - zegt dat de tocht even ten N van
Memphis begonnen is. - De joodse oudheden, II, xv, 1.
De route door de Wadi Tumilat zou zo ver ten N van Memphis gelegen hebben
dat bovenstaande omstandigheden onmogelijk geweest zouden zijn. Daarom
hebben vele vroegere commentators een van de bekende "pelgrim"-routes door
Egypte geopperd, zoals de El Haj-route, die van Caļro dwars door het land
naar Clysma, aan het boveneinde van de Golf van Suez, loopt.
Waar scheidde Jehovah de wateren van de Rode Zee opdat Israėl erdoorheen kon
trekken?
Gelieve op te merken dat God, nadat de Israėlieten de tweede etappe van hun
reis, Etham, "aan de rand van de wildernis", hadden bereikt, tot Mozes zei
dat zij dienden "om te keren en zich [dienden] te legeren vóór Pi-Hachiroth
. . . bij de zee". Deze manoeuvre zou Farao doen geloven dat de Israėlieten
'in verwarring ronddoolden' (Ex 13:20; 14:1-3). Geleerden die de voorkeur
geven aan de El Haj-route wijzen erop dat het Hebreeuwse werkwoord voor
"omkeren" nadrukkelijk is en niet slechts "afbuigen" of "afwijken" betekent,
maar meer de gedachte heeft van "terugkeren" of op zijn minst "een
duidelijke omweg maken". Volgens hen maakten de Israėlieten, nadat zij een
punt ten N van het boveneinde van de Golf van Suez hadden bereikt,
rechtsomkeert en trokken naar de O-zijde van de Jebel `Ataqah, een gebergte
aan de W-zijde van de Golf. Een grote menigte, zoals de Israėlieten vormden,
zou zich in deze positie met geen mogelijkheid snel uit de voeten hebben
kunnen maken als hun achtervolgers uit het N zouden komen, en zij zouden
derhalve ingesloten zijn geweest daar de zee hun de weg versperde.
De joodse overlevering uit de 1ste eeuw G.T. stelt het ook zo voor. (Zie
PI-HACHIROTH.) Belangrijker is echter dat deze situatie, in tegenstelling
tot de populaire zienswijzen van veel geleerden, past in het algemene beeld
dat de bijbel zelf geeft (Ex 14:9-16). Ongetwijfeld heeft de doortocht ver
genoeg van het boveneinde van de Golf (of de westelijke arm van de Rode Zee)
plaatsgevonden dat de strijdkrachten van Farao niet eenvoudig een boog om
het uiteinde van de Golf konden maken om de Israėlieten aan de andere zijde
moeiteloos te bereiken. - Ex 14:22, 23.
Zodra Farao vernam dat de Israėlieten vertrokken waren, veranderde hij van
gedachten met betrekking tot hun vrijlating. Het verlies van een heel
slavenvolk was beslist een zware slag voor Egyptes economie. Het zou voor
zijn strijdwagens niet moeilijk zijn deze hele voorttrekkende natie in te
halen, vooral niet omdat zij ook nog rechtsomkeert hadden gemaakt.
Aangespoord door de gedachte dat Israėl in verwarring in de wildernis
ronddoolde, zette hij nu vol vertrouwen de achtervolging in. Met een
elitestrijdmacht van 600 uitgelezen wagens, alsook alle andere met
krijgslieden bemande strijdwagens van Egypte, zijn ruiterij en al zijn
strijdkrachten, haalde hij Israėl bij Pi-Hachiroth in. - Ex 14:3-9.
Strategisch gezien bevonden de Israėlieten zich in een zeer ongunstige
positie. Zij waren kennelijk ingesloten tussen de zee en de bergen, terwijl
de terugweg door de Egyptenaren werd versperd. Nu de Israėlieten
ogenschijnlijk in de val zaten, werden zij door grote vrees bevangen en
begonnen zij tegen Mozes te klagen. Op dat moment greep God ter bescherming
van Israėl in door de wolk van de voorhoede naar de achterhoede te
verplaatsen. Aan de kant van de wolk die naar de Egyptenaren gekeerd was,
heerste duisternis; aan de andere kant bleef ze de nacht voor Israėl
verlichten. Terwijl de wolk de Egyptenaren belette tot de aanval over te
gaan, hief Mozes op Jehovah's bevel zijn staf op, en de wateren spleten
vaneen zodat de Israėlieten over de droge zeebedding naar de overkant konden
trekken. - Ex 14:10-21.
De breedte en diepte van de doorgang.
Aangezien de Israėlieten in één nacht door de zee trokken, kan nauwelijks
worden aangenomen dat er slechts een smalle geul ontstond toen de wateren
werden gespleten. Het moet veeleer een doorgang van 1 km breed of nog breder
geweest zijn. Zelfs in een tamelijk gesloten formatie zou zo'n menigte
mensen met hun wagens, hun bagage en hun vee een oppervlakte van misschien
wel 8 km2 of meer hebben ingenomen. De zeeopening schijnt derhalve groot
genoeg geweest te zijn om de Israėlieten in een vrij breed front te laten
oversteken. Indien dit front een breedte van 1,5 km zou hebben gehad, zou de
colonne Israėlieten waarschijnlijk ongeveer 5 km lang of nog langer geweest
zijn. Zou het front zo'n 2,5 km breed zijn geweest, dan zou de colonne een
lengte van circa 3 km of meer hebben gehad. Het zou zo'n colonne enkele uren
hebben gekost om over de droge bodem door de zee heen te trekken. Hoewel zij
niet in paniek optrokken maar in slagorde geschaard bleven, hebben zij
ongetwijfeld flinke haast met de doortocht gemaakt.
Als de wolk er niet was geweest, hadden de Egyptenaren de Israėlieten
gemakkelijk kunnen inhalen en velen van hen kunnen doden (Ex 15:9). Toen de
Israėlieten de zee waren ingegaan en de zich achter hen bevindende wolk naar
voren was getrokken om dit feit aan de Egyptenaren te onthullen, zetten
dezen de achtervolging in. Ook hier blijkt weer duidelijk dat de droge
zeebedding behoorlijk breed en lang geweest moet zijn, want Farao had een
grote strijdmacht. Vastbesloten om hun vroegere slaven te vernietigen of
terug te halen, joeg de hele strijdmacht hen tot ver in de zee achterna.
Vervolgens, tijdens de morgenwake - die van omstreeks twee tot zes uur 's
ochtends duurde - keek Jehovah vanuit de wolk en begon het kamp van de
Egyptenaren in verwarring te brengen; hij bleef wielen van hun wagens
afnemen. - Ex 14:24.
Tegen het aanbreken van de morgen hadden de Israėlieten veilig de oostelijke
oever van de Rode Zee bereikt. Toen kreeg Mozes het bevel zijn hand uit te
strekken opdat de wateren over de Egyptenaren zouden terugkeren. Daarop
"keerde de zee geleidelijk tot haar normale stand terug", en de Egyptenaren
vluchtten om haar te ontwijken. Ook hieruit blijkt dat er een brede opening
tussen de wateren was ontstaan, want hadden de Egyptenaren zich in een
smalle geul bevonden, dan zouden zij onmiddellijk door de watermassa's zijn
bedolven. De Egyptenaren trachtten aan de op hen afkomende muren van water,
die hen steeds meer insloten, te ontkomen door naar de westelijke oever te
vluchten, maar de wateren bleven terugkeren, totdat ze ten slotte alle
strijdwagens en ruiters die tot Farao's strijdkrachten behoorden, volledig
hadden bedekt. Niet één onder hen was er overgebleven.
Uiteraard zou zo'n overweldigende overstroming zich onmogelijk in een moeras
hebben kunnen voordoen. Bovendien zouden in een ondiep moeras geen dode
lichamen aan de oever aanspoelen, zoals in werkelijkheid gebeurde, zodat '
Israėl de Egyptenaren te zien kreeg - dood op de zeeoever'. - Ex 14:22-31;
KAART en AFB.: Deel 1, blz. 537.
De wateren "stolden".
Volgens de beschrijving in de bijbel "stolden" de woelige wateren, opdat
Israėl erdoorheen kon trekken (Ex 15:8). Dit woord "stolden" wordt in de
Leidse Vertaling, de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap,
de Verkorte Bijbel van H. Th. Obbink en A. M. Brouwer, en de
Petrus-Canisiusvertaling gebruikt. Volgens Van Dale Groot woordenboek der
Nederlandse taal betekent het woord "stollen": "van de vloeibare tot de
vaste toestand overgaan, . . . stremmen . . . bevriezen". Het Hebreeuwse
woord dat hier met "stolden" is vertaald, wordt in Job 10:10 met betrekking
tot het stremmen van melk gebruikt. Daarom betekent het niet
noodzakelijkerwijs dat de muren van water tot een vaste massa bevroren
waren, maar dat de gestolde substantie veeleer de vastheid van gelatine of
gestremde melk gehad kan hebben. Aangezien de wateren van de Rode Zee aan
beide zijden van de Israėlieten door niets zichtbaars werden tegengehouden,
leken ze gestold, verstijfd, gestremd of ingedikt, zodat ze aan beide zijden
van de Israėlieten als een muur konden blijven staan zonder boven hen in te
storten en hen te verzwelgen. Zo schenen ze Mozes toe toen een sterke
oostenwind de wateren scheidde en de bedding deed opdrogen, zodat ze noch
modderig noch bevroren was en de mensenmenigte gemakkelijk over de zeebodem
kon trekken.
Het in de zee geopende pad was zo breed dat de misschien wel drie miljoen
Israėlieten er allen in slaagden de volgende ochtend de oostelijke oever te
bereiken. Toen begonnen de gestolde wateren van beide zijden terug te
stromen. De golven sloegen over de Egyptenaren heen en bedolven hen, terwijl
Israėl aan de oostelijke oever stond en Jehovah's weergaloze bevrijding van
een hele natie uit de hand van een wereldmacht overdacht. Zij waren zich
bewust van de letterlijke vervulling van Mozes' woorden: "De Egyptenaren die
gij vandaag inderdaad nog ziet, zult gij niet meer zien, neen, nooit
meer." - Ex 14:13.
Door een spectaculaire tentoonspreiding van macht verheerlijkte Jehovah dus
zijn naam en bevrijdde hij Israėl. Nadat de zonen van Israėl veilig op de
oostelijke oever van de Rode Zee waren aangekomen, zongen zij onder Mozes'
leiding een lied, terwijl Mozes' zuster Mirjam, de profetes, een tamboerijn
in haar hand nam en alle vrouwen, die met tamboerijnen en in reidansen
uittrokken, voorging en de mannen ten antwoord zong (Ex 15:1, 20, 21). Er
was een volledige scheiding tussen de Israėlieten en hun vijanden
bewerkstelligd. Toen de Israėlieten uit Egypte trokken, mocht noch mens noch
dier hun enige schade toebrengen; geen hond gromde zelfs tegen hen of '
spitste zijn tong tegen hen' (Ex 11:7). Hoewel het verslag in het boek
Exodus niet vermeldt dat Farao zelf met zijn strijdkrachten de zee introk en
verdelgd werd, staat in Psalm 136:15 dat Jehovah "Farao en zijn krijgsmacht
afschudde in de Rode Zee".
Voorbeeld van latere gebeurtenissen.
Toen God Israėl overeenkomstig zijn aan Abraham gedane belofte uit Egypte
voerde, beschouwde hij de natie Israėl als zijn zoon, zoals hij tot Farao
gezegd had: 'Israėl is mijn eerstgeborene' (Ex 4:22). Later zei Jehovah:
"Toen Israėl een knaap was, toen had ik hem lief, en uit Egypte heb ik mijn
zoon geroepen" (Ho 11:1). Deze terugverwijzing naar de uittocht uit Egypte
was ook een profetie die in de dagen van Herodes vervuld werd, toen Jozef en
Maria na de dood van Herodes met Jezus uit Egypte terugkeerden en zich in
Nazareth vestigden. De historicus Mattheüs past de profetie uit Hosea op
deze gebeurtenis toe door over Jozef te zeggen: "Hij bleef daar tot het
overlijden van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen Jehovah door
bemiddeling van zijn profeet had gesproken, toen hij zei: 'Uit Egypte heb ik
mijn zoon geroepen.'" - Mt 2:15.
De apostel Paulus vermeldt de uittocht uit Egypte onder de dingen die de
Israėlieten als voorbeelden of afschaduwingen zijn overkomen (1Kor 10:1, 2,
11). Er blijkt derhalve iets groters door afgebeeld te worden. Het
natuurlijke Israėl wordt in de bijbel gebruikt om het geestelijke Israėl,
het Israėl Gods, af te beelden (Ga 6:15, 16). Bovendien sprak Mozes over de
toekomstige profeet die als hij zou zijn (De 18:18, 19). De joden
verwachtten dat deze profeet een groot leider en bevrijder zou zijn. De
apostel Petrus identificeert Jezus Christus als de Grotere Mozes (Han
3:19-23). De bevrijding van Israėl bij de Rode Zee en de vernietiging van
het Egyptische leger moeten derhalve een betekenis hebben die verband houdt
met het grote door Jezus Christus verrichte wonder waardoor het geestelijke
Israėl wordt bevrijd uit de hand van hun vijanden, het symbolische Egypte.
En net zoals de bij de Rode Zee tot stand gebrachte roemrijke daad van God
tot verheerlijking van zijn naam was, zal de uiteindelijke grote vervulling
van die typologische gebeurtenissen Jehovah's naam op nog veel grootsere
wijze tot eer strekken. - Ex 15:1.
Groeten, Johan
---------------------------------
"When there is no enemy within,
the enemies outside cannot hurt
you".
---------------------------------
Volgens mij zijn er helemaal geen indicaties dat zo'n uittocht ook
werkelijk heeft plaatsgevonden.
--
Job
De indicaties die in de bijbel staan spreken voor zich.
Voldoende bewijzen om over een hystorische gebeurtenis te spreken.
+/- 1445 BC.
Volgens D. Rohl was toen Doedimose Farao.
michiel
Eddy <edd...@freegates.be> schreef in berichtnieuws
Xns9163C050AE54D...@194.134.0.61...
> On Sat, 24 Nov 2001 [18:40:47], "J.J. Holtorf" wrote:
>
> > De indicaties die in de bijbel staan spreken voor zich.
> > Voldoende bewijzen om over een hystorische gebeurtenis te spreken.
>
> In de geschiedenis van de Oude Wereld (Egypte, Assyrie, Babylon,
> Mesopotamie, Perzie, Hellas, Rome) heeft Israel of beter: hebben de
> Israelieten zo goed als geen rol gespeeld. Je verwart
> 'heilsgeschiedenis' met geschiedenis.
>> De indicaties die in de bijbel staan spreken voor zich.
> In de geschiedenis van de Oude Wereld (Egypte, Assyrie,
> Babylon, Mesopotamie, Perzie, Hellas, Rome) heeft Israel of
> beter: hebben de Israelieten zo goed als geen rol gespeeld. Je
> verwart 'heilsgeschiedenis' met geschiedenis.
Afgezien van een korte bloeiperiode onder Salomo, waarin Israel lokaal enige
macht van betekenis had, wordt zowel over de perioden daarvoor als daarna
nergens in het OT gesuggereerd dat Israel als macht wat voorstelde. Ze
werden permanent onder de voet gelopen door Filistijnen, Moabieten,
Egyptenaren, Meden, Perzen, Bayloniers en uiteindelijk de Romeinen.
> De archeologie, noch de historische wetenschap heeft niets,
> maar dan ook niets gevonden dat zou wijzen op het bestaan van
> bv. het paleis van Salomon, de verwoesting (door de joden) van
> Jericho, de uittocht uit Egypte, etc .. etc ...
> Neem nou Jericho: onderzoek heeft onomstotelijk (door
> verschillende archeologische teams) uitgewezen dat die stad al
> 1.000 jaar verlaten en door natuurlijke erosie tot puin
> herschapen was toen de joden er arriveerden. Maw ze moesten
> niet eens op hun trompetten blazen.
Geen 1.000 jaar, maar 200 jaar. Er zit een misfit van 200 jaar tussen de
tijdrekening zoals deze in het OT staat en de op de Egyptische Chronologie
baseerde tijdrekening.
> Laten we ons even concentreren op de Exodus. ...<knip>...
> In Egypte had dergelijke ramp [Uittocht & 10 plagen] op zijn
> minst sporen moeten nalaten. Maar niets, totaal niets te vinden.
> Nergens.
> Denken we ook aan de zgn 10 plagen. God vermoordt alle
> eerstgeborenen. Ook dat is een ramp zonder weerga voor een
> land.
> Maar ook daar is niets van te vinden in de geschiedschrijving van >
Egypte. Nergens heeft men de massagraven gevonden, nergens
> een gedenksteen. Nul, nada.
Als je deze verschuiving van 200 jaar tussen de OT-ische en de Egyptische
jaarrekening maakt, dan zijn er zowel archeologische aanwijzingen voor het
bestaan van een Semitische herders volk in Egypte, als aanwijzingen voor
rampzalige gebeurtenissen rond de tijd van de uittocht, als kloppende
vondsten bij Jericho, als een economische bloeiperiode tentijde van Salomo.
David M. Rohl, 'A test of time', 1995, beschrijft een theorie dat deze 200
jaar een bug is in de Egyptische Chronologie.
michiel
>Afgezien van een korte bloeiperiode onder Salomo, waarin Israel lokaal enige
>macht van betekenis had, wordt zowel over de perioden daarvoor als daarna
>nergens in het OT gesuggereerd dat Israel als macht wat voorstelde. Ze
>werden permanent onder de voet gelopen door Filistijnen, Moabieten,
>Egyptenaren, Meden, Perzen, Bayloniers en uiteindelijk de Romeinen.
Van een "Israel" als staat is überhaupt geen sprake voor de 3e eeuw
b.c.e.. Voor de 9e eeuw b.c.e. is er geeneens een Jeruzalem. Ten tijde
van "Salomo" woonden er in Judea slechts een paar duizend mensen. Meer
dan een paar gefortificeerde dorpjes (het woord "stadstaat" zou nog te
veel eer zijn) was er niet. Laat staan van een wereldrijk dat zich zou
uitstrekken van Egypte tot aan Syrië, waarvan in de Egyptische
geschriften toch ook wel melding zou zijn gemaakt.
Ik ben benieuwd naar de archeaologische aanwijzingen (om je het woord
"bewijzen" te besparen) voor een Israel onder Salomo.
Meer dan een paar dorpjes en wat olijfboomgaarden was er niet om onder
de voet te lopen door de Filistijnen etc.
--
Job
1280 v Chr. -> Van Abraham tot Paulus - Uitgeverij Groen
1290 v Chr. -> Handboek bij de Bijbel - Uitgeverij Kok Voorhoeve
1445 v Chr -> Het onstaan van Israël - Telos
1445 v Chr (1279 v Chr) -> Het Leven - Jongbloed Uitgeversgroep
Dat scheelt nogal wat jaren!
"Michiel de Jong" <mic...@jmdejong.xx> schreef in bericht
news:uLJ7dHR...@net037s.hetnet.nl...
Je bent niet de enige! Hoe zou dat komen denk je?
--
Scilly
>> Afgezien van een korte bloeiperiode onder Salomo, waarin
>> Israel lokaal enige macht van betekenis had, wordt zowel over
>> de perioden daarvoor als daarna nergens in het OT gesug-
>> gereerd dat Israel als macht wat voorstelde. Ze werden
>> permanent onder de voet gelopen door Filistijnen, Moabieten,
>> Egyptenaren, Meden, Perzen, Bayloniers en uiteindelijk de
>> Romeinen.
> Van een "Israel" als staat is überhaupt geen sprake voor de 3e
> eeuw b.c.e..
Globaal klopt dat m.i. wel. Het beeld wat uit de Richteren tijd naar voren
komt is een een half los-vaste verzameling van stammen, waar andere stammen
tussen woonde. Na Salomo is Israel verdeelt in 2 koninkrijken waabij het
10-stammen rijk al snel verdwenen is en het 2 stammenrijk vrijwel permanent
schatplichtig is aan de Egyptenaren, dan wel de Meden, dan wel de
Babyloniers. Na de terugkeer uit de ballingschap is er geen koning meer en
worden ze al snel onder de voet gelopen door de Grieken en worden ze
onderdeel van een van de Diadochen-rijken, totdat de Romeinen de zaak
overnemen.
> Voor de 9e eeuw b.c.e. is er geeneens een Jeruzalem.
Voordat David daar z'n palijs bouwt, was er op de plaats waar nu Jeruzalem
is een dorpje van de Jebusieten, dus voor de 10e eeuw BC heeft het niet veel
voorgeteld.
> Ten tijde van "Salomo" woonden er in Judea slechts een paar
> duizend mensen. Meer dan een paar gefortificeerde dorpjes (het
> woord "stadstaat" zou nog te veel eer zijn) was er niet. Laat
> staan van een wereldrijk dat zich zou uitstrekken van Egypte tot
> aan Syrië, waarvan in de Egyptische geschriften toch ook wel
> melding zou zijn gemaakt.
Nou,.. wereldrijk..? Da's niet de term van het OT. Daar wordt gesproken over
het vrederijk. Er was geen oorlog en ze waren zelfstandig, dat was al heel
wat. De omvang er van was nog niet 2x het huidige Israel.
Het archeologische probleem zitum vast op het feit dat men Salomo zou moeten
dateren in de Vroege I Jzertijd, terwijl in de Late Bronstijd die ecomische
en culturele bloeitijd wel terug vindt. O.a. de opgravingen bij Megiddo. En
uit diezelfde tijd is wel degelijk iets gevonden wat duidt op een Palijs in
Jeruzalem (door Barkay, rond 1880)
> Ik ben benieuwd naar de archeaologische aanwijzingen (om je
> het woord "bewijzen" te besparen) voor een Israel onder
> Salomo.
Nogmaals de opgravingen in Israel uit de periode Laat Brons passen daar in
goed. En waar die mis-fit van zo'n 200 jaar tussen de OT-ische en de
Egyptische chronologie vandaan komt weet ik niet, maar daar bestaan aardige
theorieen over.
michiel
>>> Ik ben bezig met een studie over de Thora (Oude Testament
>>> van de Bijbel). Ik vroeg me af of iemand een idee heeft
>>> omtrent de datering van de uittocht uit Egypte?
>> +/- 1445 BC.
> Inmiddels heb ik er wat boeken over nageslagen, maar weet ik
> nog niet welke tijdsberekening ik aan moet houden.
> 1280 v Chr. -> Van Abraham tot Paulus - Uitgeverij Groen
> 1290 v Chr. -> Handboek bij de Bijbel - Uitgeverij Kok
> 1445 v Chr -> Het onstaan van Israël - Telos
> 1445 v Chr (1279 v Chr) -> Het Leven - Jongbloed
> Dat scheelt nogal wat jaren!
Dat zitum vast op de discrepantie tussen de jaartelling zoals deze uit het
OT naar voren komt en de jaartelling zoals deze op basis van Egyptische
Farao's is gereconstrueerd. Heel de archeologische jaartelling van voor 600
BC is op die laatste gebaseerd, maar die loopt rond 1000BC al zo'n kleine
200 jaar uit fase met de OT-ische jaartelling. Rond 1500BC is dat verschil
al opgelopen tot ruim 300 jaar.
michiel
> > De indicaties die in de bijbel staan spreken voor zich.
> > Voldoende bewijzen om over een hystorische gebeurtenis te spreken.
> In de geschiedenis van de Oude Wereld (Egypte, Assyrie, Babylon,
> Mesopotamie, Perzie, Hellas, Rome) heeft Israel of beter: hebben de
> Israelieten zo goed als geen rol gespeeld. Je verwart
> 'heilsgeschiedenis' met geschiedenis.
> De archeologie, noch de historische wetenschap heeft niets, maar dan
> ook niets gevonden dat zou wijzen op het bestaan van bv. het paleis
> van Salomon, de verwoesting (door de joden) van Jericho, de uittocht
> uit Egypte, etc .. etc ...
Onder bijbelse archeologie verstaat men de studie van de in de bijbel
genoemde volken en gebeurtenissen aan de hand van het boeiende
getuigenismateriaal dat in de aarde verborgen ligt. De archeoloog legt
gesteente, ruļnes van muren en bouwwerken alsook tot puin vervallen steden
bloot en onderzoekt ze; hij graaft potscherven, kleitabletten, inscripties,
grafsteden en andere oude overblijfselen - artefacten genaamd - op, waaruit
hij inlichtingen verzamelt. Zulke studies dragen dikwijls bij tot een beter
begrip van de omstandigheden waaronder de bijbel werd geschreven en
waaronder gelovige mensen uit de oudheid leefden, alsook van de talen
waarvan zij en de omliggende volken zich bedienden. Daardoor is ook onze
kennis verruimd omtrent de landen en gebieden die in de bijbel worden
vermeld, zoals Palestina, Egypte, Perziė, Assyriė, Babyloniė, Klein-Aziė,
Griekenland en Rome.
De bijbelse archeologie is een betrekkelijk nieuwe wetenschap. Pas in 1822
maakte de Steen van Rosette de ontcijfering van de Egyptische hiėrogliefen
mogelijk. Het Assyrische spijkerschrift werd ruim twintig jaar later
ontcijferd. In Assyriė werd in 1843 en in Egypte in 1850 met systematische
opgravingen begonnen.
Met behulp van de archeologie zijn vele historische bijzonderheden van het
bijbelse verslag over deze landen bevestigd en gegevens die eens door de
hedendaagse critici in twijfel werden getrokken, gestaafd. Aangetoond is dat
scepticisme betreffende de toren van Babel, ontkenning van het bestaan van
een Babylonische koning genaamd Belsazar en een Assyrische koning genaamd
Sargon (namen die tot de 19de eeuw G.T. niet in bronnen buiten het bijbelse
verslag waren aangetroffen), en andere negatieve kritiek op bijbelse
gegevens in verband met deze landen allemaal ongefundeerd is. Daarentegen is
er een schat aan bewijsmateriaal opgegraven dat volledig met het bijbelse
verslag overeenstemt.
Bij opgravingen in en om de oude stad Babylon werden verscheidene
zigurrats - piramidevormige, terrasgewijs gebouwde torentempels -
blootgelegd, onder andere ook de ruļnes van de tempel Etemenanki binnen de
muren van Babylon. Verslagen en inscripties die men met betrekking tot zulke
tempels heeft gevonden, bevatten dikwijls de woorden: "Zijn top zal tot aan
de hemel reiken", en koning Nebukadnezar zou volgens een opgetekend bericht
hebben gezegd: "Ik verhoogde de top van de terrasvormige toren te
Etemenanki, zodat die met de hemel wedijverde." In één ten N van de
Marduktempel in Babylon gevonden fragment wordt over de ineenstorting van zo
'n zigurrat het volgende bericht: "De bouw van deze tempel krenkte de goden.
Op een nacht haalden zij wat was gebouwd, omver. Zij verstrooiden hen naar
alle kanten en maakten hun spraak vreemd. Zij belemmerden de vooruitgang"
(Bible and Spade, door S. L. Caiger, 1938, blz. 29). De zigurrat te Uruk
(het bijbelse Erech) bleek van leem, baksteen en asfalt te zijn gebouwd. -
Vgl. Ge 11:1-9.
In de nabijheid van de Isjtarpoort in Babylon ontdekte men zo'n 300
spijkerschrifttabletten uit de regeringstijd van koning Nebukadnezar. Onder
de daarop vermelde namen van de arbeiders en gevangenen die destijds in
Babylon woonden en mondvoorraad kregen, komt de naam "Yaukin, koning van het
land Yahud," voor. Daarmee wordt "Jojachin, de koning van Juda," bedoeld,
die na de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar in 617 v.G.T. naar
Babylon werd gevoerd. Hij werd door Awil-Marduk (Evil-Merodach),
Nebukadnezars opvolger, uit het huis van bewaring ontslagen en dagelijks van
voedsel voorzien (2Kon 25:27-30). Ook worden op deze tabletten vijf van
Jojachins zonen genoemd. - 1Kr 3:17, 18.
Er zijn talrijke bewijzen gevonden van Babylons pantheon van goden, onder
wie de hoofdgod Marduk, later gewoonlijk als Bel aangeduid, en de god Nebo,
die beiden in Jesaja 46:1, 2 worden genoemd. Veel van de inlichtingen in
Nebukadnezars inscripties handelen over zijn uitgebreide bouwprogramma,
waardoor Babylon tot zo'n prachtige stad werd gemaakt. (Vgl. Da 4:30.) De
naam van zijn opvolger Awil-Marduk (in 2Kon 25:27 Evil-Merodach genoemd)
komt op een in Susa (Elam) ontdekte vaas voor.
In de tweede helft van de 19de eeuw hebben opgravingen in de buurt van het
hedendaagse Bagdad talrijke kleitabletten en -cilinders opgeleverd,
waaronder de beroemd geworden Naboniduskroniek. Dit document weerlegt
ontwijfelbaar alle bezwaren die worden geopperd tegen het bericht in Daniėl
hoofdstuk 5, waar staat dat Belsazar in Babylon regeerde toen het viel. De
kroniek bewijst dat Belsazar, de oudste zoon van Nabonidus, mederegent met
zijn vader was en dat Nabonidus in de tweede helft van zijn regering de
heerschappij over Babylon aan deze zoon toevertrouwde.
Ook Ur, de oorspronkelijke woonplaats van Abraham (Ge 11:28-31), blijkt een
belangrijke metropool met een hoogontwikkelde beschaving te zijn geweest.
Deze Sumerische stad lag aan de Eufraat in de nabijheid van de Perzische
Golf. Blijkens opgravingen die daar onder leiding van Sir Leonard Woolley
werden verricht, stond Ur op het toppunt van zijn macht en roem toen Abraham
(vóór 1943 v.G.T.) de stad verliet om naar Kanaän te gaan. De zigurrattempel
van Ur is de best bewaarde die men gevonden heeft. De koningsgraven gaven
een schat aan gouden voorwerpen en sieraden prijs die van zeer grote
kunstvaardigheid getuigen; ook vond men muziekinstrumenten, zoals de harp.
(Vgl. Ge 4:21.) Verder vond men ook een kleine bijl van staal (niet slechts
van ijzer). (Vgl. Ge 4:22.) Ook hier werden duizenden kleitabletten ontdekt,
die veel bijzonderheden uit het leven van bijna 4000 jaar geleden
onthullen. - Zie UR nr. 2.
Op de plaats van het oude Sippar aan de Eufraat, ongeveer 32 km van Bagdad
vandaan, werd een kleicilinder van koning Cyrus, de veroveraar van Babylon,
gevonden. Deze cilinder vertelt met welk een gemak Cyrus de stad innam en
onthult bovendien dat hij de gedragslijn volgde om de in Babylon gevangen
gehouden volken naar hun respectieve landen te laten terugkeren. Dit strookt
met het bijbelse verslag, waarin wordt verteld dat Cyrus de voorzegde
veroveraar van Babylon was en dat hij tijdens zijn regering de joden
toestond naar Palestina terug te keren. - Jes 44:28; 45:1; 2Kr 36:23.
In 1843 werd bij Chorsabad, aan een noordelijke zijrivier van de Tigris, het
paleis van de Assyrische koning Sargon II ontdekt, op een platform van bijna
10 ha. Sindsdien hebben aldaar verrichte archeologische opgravingen deze in
Jesaja 20:1 genoemde koning, die tot dusver in de wereldlijke geschiedenis
zo goed als onbekend was, tot een beroemde historische figuur verheven
(AFB.: Deel 1, blz. 960). In een van zijn annalen beweert hij Samaria
veroverd te hebben (740 v.G.T.). Hij bericht ook de in Jesaja 20:1 vermelde
verovering van Asdod. Eens geloofden vele prominente geleerden dat Sargon II
nooit had bestaan, maar thans behoort hij tot de meest bekende koningen van
Assyriė.
Op de plaats van het oude Nineve, de hoofdstad van Assyriė, heeft men het
reusachtige paleis van Sanherib opgegraven. Het had zo'n zeventig vertrekken
met een totale muurlengte van ruim 3000 m waarop gebeeldhouwde reliėfs waren
aangebracht. Een zo'n reliėf toonde joden die na de val van Lachis in 732
v.G.T. in gevangenschap werden gevoerd (2Kon 18:13-17; 2Kr 32:9; AFB.: Deel
1, blz. 952). Nog interessanter waren de op prisma's (kleicilinders)
opgetekende annalen van Sanherib die men in Nineve vond. Op enkele prisma's
beschrijft Sanherib de veldtocht die de Assyriėrs tijdens de regering van
Hizkia tegen Palestina ondernamen (732 v.G.T.). Opmerkelijk is echter dat de
pocherige monarch er geen aanspraak op maakt Jeruzalem te hebben ingenomen,
waardoor hij het bijbelse verslag bevestigt. (Zie SANHERIB.) Ook de moord op
Sanherib door zijn zonen wordt vermeld in een inscriptie van Esar-Haddon, de
opvolger van Sanherib. In een inscriptie van de volgende koning wordt daar
eveneens gewag van gemaakt (2Kon 19:37). Behalve koning Hizkia, die door
Sanherib wordt vermeld, komen in spijkerschriftverslagen van verscheidene
Assyrische heersers de namen voor van de Judese koningen Achaz en Manasse en
de namen van de Israėlitische koningen Omri, Jehu, Joas, Menahem en Hosea,
alsook de naam Hazaėl van Damaskus.
Bij Behistun in Iran (Perziė) liet koning Darius I (521-486 v.G.T.; Ezr
6:1-15) hoog op een rotswand van kalksteen een reusachtige inscriptie
beitelen, waarin wordt beschreven hoe hij het Perzische Rijk verenigde en
waarin hij zijn succes aan zijn god Ahura Mazda toeschrijft. Van groot
belang is het feit dat de inscriptie in drie talen werd opgesteld: in het
Babylonisch (Akkadisch), Elamitisch en Oudperzisch. Aldus kon ze als een
sleutel dienen voor de ontcijfering van het Assyro-Babylonische
spijkerschrift, dat tot op die tijd nog niet ontcijferd was. Als gevolg van
dit werk kan men thans de duizenden kleitabletten en inscripties in de
Babylonische taal lezen.
Susan, de plaats waar de in het boek Esther opgetekende gebeurtenissen zich
afspeelden, werd tussen 1880 en 1890 door Franse archeologen opgegraven (Es
1:2). Toen het ongeveer 1 ha grote paleis van koning Xerxes werd
blootgelegd, kwamen de schittering en de pracht aan het licht waarmee de
Perzische koningen zich hadden omgeven. De vondsten bevestigden dat de
schrijver van het boek Esther de bijzonderheden in verband met het bestuur
van het Perzische koninkrijk en de bouw van het paleis, met grote
nauwkeurigheid had opgetekend. In het boek The Monuments and the Old
Testament, door I. M. Price (1946, blz. 408), wordt daarover het volgende
opgemerkt: "Er is geen in het Oude Testament beschreven gebeurtenis waarvan
de plaatselijke achtergrond met behulp van opgravingen zo levendig en
nauwkeurig gereconstrueerd kan worden als 'de burcht Susan'."
In 1933 werd er een begin gemaakt met de opgravingen van de oude koningsstad
Mari (Tell Hariri) aan de Eufraat, ongeveer 11 km ten NNW van Abu Kemal in
ZO-Syriė. Er werd een reusachtig paleis ontdekt dat zo'n 6 ha besloeg en 300
vertrekken telde. Men vond er een archief met meer dan 20.000 kleitabletten.
Het paleiscomplex omvatte niet alleen de woon- en slaapvertrekken van de
koninklijke familie, maar ook kantoorruimten voor administratie en een
school voor schrijvers. Veel muren waren versierd met grote
wandschilderingen of fresco's, de badkamers waren uitgerust met badkuipen en
in de keukens werden bakvormen aangetroffen. De stad schijnt in het begin
van het 2de millennium v.G.T. een van de opmerkelijkste en fraaiste steden
van die tijd geweest te zijn. De teksten op de kleitabletten bevatten
belangrijke gegevens, onder andere koninklijke decreten, openbare
aankondigingen, rekeningen en opdrachten voor de bouw van kanalen, sluizen,
dammen en andere irrigatieprojecten, evenals correspondentie betreffende
import, export en buitenlandse betrekkingen. Er werden veelvuldig
volkstellingen gehouden met het oog op belasting en militaire dienst.
Religie speelde een voorname rol, vooral de aanbidding van Isjtar, de
vruchtbaarheidsgodin. De aan haar gewijde tempel werd eveneens gevonden. Net
als in Babylon werd ook hier met behulp van leverschouw, astronomie en
soortgelijke methoden waarzeggerij beoefend. De stad werd door de
Babylonische koning Hammurabi grotendeels verwoest. Bijzonder interessant
was dat namen als Peleg, Serug, Nahor, Terah en Haran opdoken, die alle als
steden van N-Mesopotamiė worden genoemd en waarin de namen van Abrahams
bloedverwanten terug te vinden zijn. - Ge 11:17-32.
Nuzi, een oude stad ten O van de Tigris en ten ZO van Nineve, die in de
jaren 1925-1931 werd opgegraven, leverde een in klei getekende landkaart op,
de oudste tot nu toe gevonden kaart, alsook documenten die tonen dat men
reeds in de 15de eeuw v.G.T. het afbetalingsstelsel kende. Er werden zo'n
20.000 kleitabletten opgegraven, die, naar men aanneemt, door Hurritische
schrijvers in de Babylonische taal werden geschreven. Ze bevatten een
rijkdom aan bijzonderheden over de jurisprudentie in die tijd en behandelen
kwesties als adoptie, huwelijkscontracten, erfrechten en testamenten.
Bepaalde aspecten vertonen een betrekkelijk nauwe overeenkomst met zeden en
gewoonten zoals die in het Genesisverslag in verband met de patriarchen
beschreven worden. Het gebruik dat een kinderloos echtpaar een zoon, hetzij
een vrijgeborene of een slaaf, adopteerde die tot aan hun dood en begrafenis
voor hen kon zorgen en ook hun erfgenaam kon zijn, vertoont overeenkomst met
Abrahams uitspraak betreffende zijn vertrouwde slaaf Eliėzer in Genesis
15:2. De verkoop van eerstgeboorterechten wordt beschreven, wat aan het
geval van Jakob en Esau doet denken (Ge 25:29-34). Uit de teksten blijkt ook
dat het bezit van de familiegoden - vaak kleifiguurtjes - beschouwd werd als
had men een eigendomsbewijs in handen. Wie de goden bezat, had recht op de
bezitting of was erfgerechtigd. Dit kan verklaren waarom Rachel de terafim
van haar vader had meegenomen en waarom haar vader zoveel moeite deed om ze
terug te krijgen. - Ge 31:14-16, 19, 25-35.
De nauwkeurigste beschrijving die de bijbel van Egypte geeft, vindt men in
het verslag over de komst van Jozef aldaar en de latere aankomst en het
verblijf van de hele familie van Jakob in dat land. Archeologische vondsten
tonen aan dat dit beeld uiterst nauwkeurig is en redelijkerwijs niet aldus
geschilderd kon zijn door een schrijver uit een veel latere tijd (zoals
sommige critici met betrekking tot de schrijver van dit deel van het
Genesisverslag hebben willen beweren). In het boek New Light on Hebrew
Origins, door J. G. Duncan (1936, blz. 174), wordt over de schrijver van het
verslag omtrent Jozef gezegd: "Hij gebruikt de juiste titel die in zwang was
en precies zoals deze in de genoemde periode werd gebezigd, en wanneer er
geen Hebreeuws equivalent is, neemt hij eenvoudig het Egyptische woord over
en transcribeert het in het Hebreeuws." Door de in Egypte gedane
archeologische vondsten worden talrijke bijzonderheden van het bijbelse
verslag bevestigd: de Egyptische namen, de positie van Jozef als Potifars
huisbestuurder, de gevangenhuizen, de titels "overste der schenkers" en
"overste der bakkers", de grote betekenis die de Egyptenaren aan dromen
hechtten, de gewoonte van Egyptische bakkers om broodmanden op het hoofd te
dragen (Ge 40:1, 2, 16, 17), de positie van eerste minister en
voedselbeheerder die door Farao aan Jozef werd toegekend, de manier waarop
hij in zijn ambt werd geļnstalleerd, de afschuw die de Egyptenaren van
schaapherders hadden, de sterke invloed van magiėrs aan het Egyptische hof,
de vestiging van de nomadische Israėlieten in het land Gosen, de Egyptische
begrafenisgebruiken en nog veel meer bijzonderheden.
- Ge 39:1-47:27; 50:1-3.
Aan de zuidelijke muur van een reusachtige Egyptische tempel in Karnak (het
oude Thebe) aan de Nijl prijkt een reliėf waardoor de in 1 Koningen 14:25,
26 en 2 Kronieken 12:1-9 beschreven veldtocht van de Egyptische koning Sisak
(Sjesjonk I) tegen Palestina wordt bevestigd. Het gigantische reliėf waarop
zijn overwinningen worden afgebeeld, toont 156 aan de handen geboeide
gevangenen uit Palestina, die elk een stad of een dorp vertegenwoordigen,
waarvan de naam in hiėrogliefen verschijnt. Onder de identificeerbare namen
bevinden zich Rabbith (Joz 19:20); Taänach, Beth-Sean en Megiddo (waar men
een stuk van een stčle [zuil met inscriptie] van Sisak heeft opgegraven)
(Joz 17:11); Sunem (Joz 19:18); Rehob (Joz 19:28); Hafaraļm (Joz 19:19);
Gibeon (Joz 18:25); Beth-Horon (Joz 21:22); Ajalon (Joz 21:24); Socho (Joz
15:35) en Arad (Joz 12:14). Sisak vermeldt zelfs het "Veld van Abram" als
een van zijn veroveringen. Dit is de vroegste vermelding van Abraham in
Egyptische verslagen. Bij Karnak vond men ook een gedenksteen van Merenptah
(Merneptah), de zoon van Ramses II, met een hymne waarin de enige vermelding
van de naam Israėl in Oudegyptische teksten te vinden is.
In Tell el-Amarna, ongeveer 270 km ten Z van Caļro, vond een boerin bij
toeval kleitabletten. Dit leidde tot de ontdekking van vele in het Akkadisch
opgetekende documenten uit de koninklijke archieven van Amenhotep III en
zijn zoon Achnaton. De 379 gepubliceerde tabletten bevatten de
correspondentie van de vazalvorsten van talrijke stadstaten van Syriė en
Palestina met de farao, onder andere enkele brieven van de stadhouder van
Urusalim (Jeruzalem). Het beeld dat ons in deze brieven wordt geschilderd
van de vetes die destijds werden uitgevochten en van de intriges waarvan men
zich bediende, strookt volledig met de bijbelse beschrijving van die tijd.
De "Habiru", over wie men zich in de brieven dikwijls beklaagt, zijn door
sommigen met de Hebreeėn in verband gebracht. De aanwijzingen duiden er
echter eerder op dat wij hier eenvoudig met diverse nomadenvolken te doen
hebben, die in de destijds bestaande maatschappij een lage sociale positie
innamen. - Zie HEBREEĖR (De "Habiru" ["Chapiru"]).
Op Elephantine, een eiland in de Nijl in het uiterste Z van Egypte (bij
Aswan) met deze Griekse naam, ontstond na de val van Jeruzalem (607 v.G.T.)
een joodse kolonie. In 1903 vond men hier een groot aantal in het Aramees
geschreven documenten, hoofdzakelijk op papyrus, die uit de 5de eeuw v.G.T.
stammen, de tijd van het Medo-Perzische Rijk. In deze documenten wordt
melding gemaakt van Sanballat, de stadhouder van Samaria. - Ne 4:1.
Ongetwijfeld zijn de waardevolste papyrusvondsten die men in Egypte heeft
gedaan, de fragmenten en gedeelten van bijbelboeken - zowel van de
Hebreeuwse als de Griekse Geschriften - die helemaal terug te voeren zijn
tot de 1ste eeuw v.G.T. Het droge klimaat van Egypte en de zanderige bodem
maakten dit land tot een ideale bewaarplaats voor zulke papyrusdocumenten.
In Palestina en Syriė heeft men zo'n 600 dateerbare ruļneplaatsen
opgegraven. Veel van de verkregen informatie is meer van algemene aard en
ondersteunt het bijbelse verslag in grote trekken, in plaats van specifiek
betrekking te hebben op bepaalde bijzonderheden of gebeurtenissen. Zo
trachtte men bijvoorbeeld in het verleden het bijbelse verslag omtrent de
volledige verwoesting en ontvolking van Juda tijdens de Babylonische
ballingschap in diskrediet te brengen. De opgravingen in hun geheel
bevestigen echter het bijbelse verslag. Zo verklaart W. F. Albright: "Er is
geen enkel geval bekend waarin een stad van het eigenlijke Juda tijdens de
verbanningsperiode voortdurend was bewoond. Als contrast kunnen we wijzen op
Bethel, dat in de tijd voor de verbanning juist buiten de noordelijke grens
van Juda lag en in de tijd van de wegvoering niet werd verwoest, maar
voortdurend werd bewoond tot in het laatste gedeelte van de 6e eeuw."
- Oude volken en culturen in het Heilige Land, 1960, blz. 126.
Bij Beth-San (Beth-Sean), een oude vestingstad die de oostelijke toegang tot
het Dal van Jizreėl beheerste, werden omvangrijke opgravingen verricht. Men
vond daar achttien verschillende cultuur- of bewoningslagen waarvoor men 21
m diep moest graven (DIAGRAM: Deel 1, blz. 959). Volgens het bijbelse
verslag behoorde Beth-San niet tot de steden die oorspronkelijk door de
binnenvallende Israėlieten werden veroverd en werd het in de dagen van Saul
door de Filistijnen bewoond (Joz 17:11; Re 1:27; 1Sa 31:8-12). De
opgravingen ondersteunen in het algemeen dit verslag en geven te kennen dat
Beth-San te eniger tijd na de nederlaag van de Israėlieten bij Silo werd
verwoest (Jer 7:12). Van bijzonder belang was de ontdekking van zekere
Kanaänitische tempels in Beth-San. In 1 Samuėl 31:10 staat dat de
Filistijnen de wapenrusting van koning Saul "in het huis van de
Astorethbeelden [legden], en zijn dode lichaam . . . aan de muur van
Beth-San" hechtten, terwijl in 1 Kronieken 10:10 staat dat "zij zijn
wapenrusting in het huis van hun god [legden], en zijn schedel . . . aan het
huis van Dagon" hechtten. Twee van de blootgelegde tempels behoren tot deze
tijdsperiode. De ene is naar het schijnt de tempel van Astoreth, de andere
houdt men voor de tempel van Dagon. Dat komt met de beide bovengenoemde
teksten overeen, volgens welke er in Beth-San twee tempels stonden.
Ezeon-Geber was Salomo's zeehaven aan de Golf van Akaba. Misschien was het
het huidige Tell el-Kheleifeh, dat in de jaren 1937-1940 werd opgegraven. In
een vlakke aardheuvel in deze streek vond men aanwijzingen van een
kopersmelterij, alsook koperslakken en brokken kopererts. Maar in een
artikel in het tijdschrift The Biblical Archaeologist (1965, blz. 73) herzag
de archeoloog Nelson Glueck zijn aanvankelijke conclusies met betrekking tot
de vindplaats drastisch. Hij had zijn mening dat er destijds een naar het
hoogovenprincipe ingerichte smelterij in bedrijf was, op de ontdekking van
vermeende "gaten voor luchtkanalen" in het opgegraven hoofdgebouw gebaseerd.
Nu is hij tot de conclusie gekomen dat deze gaten in de muren van het gebouw
zijn ontstaan doordat "houten balken, die ter versteviging of verankering
tussen de muren in de breedterichting waren aangebracht, vermolmden en/of
verbrandden". Het vroeger voor een smelterij gehouden gebouw zou nu een
graanopslagplaats geweest zijn. Men gelooft weliswaar nog steeds dat er op
deze plaats metaal verwerkt werd, alleen niet in de oorspronkelijk
aangenomen omvang. Dit onderstreept het feit dat de betekenis die aan
archeologische vondsten wordt toegeschreven, hoofdzakelijk van de
interpretatie van de desbetreffende archeoloog afhangt, en deze
interpretatie is geenszins onfeilbaar. De bijbel zelf vermeldt niets over
een koperindustrie in Ezeon-Geber. Wij lezen alleen dat er op een plaats in
het Jordaandal koperen gerei werd gegoten. - 1Kon 7:45, 46.
Hazor in Galilea werd in Jozua's tijd als "het hoofd van al die
koninkrijken" beschreven (Joz 11:10). Opgravingen brachten aan het licht
dat de stad eens een oppervlakte van ongeveer 60 ha besloeg en een grote
bevolking had, zodat het een van de belangrijkste steden in dat gebied was.
Salomo versterkte de stad, en het bewijsmateriaal uit die periode geeft te
kennen dat het een wagenstad geweest kan zijn. - 1Kon 9:15, 19.
Drie verschillende expedities hebben in Jericho opgravingen verricht
(1907-1909; 1930-1936; 1952-1958), en de opeenvolgende interpretaties van de
vondsten tonen opnieuw dat de archeologie net als elk ander terrein van de
menselijke wetenschap niet onvoorwaardelijk een bron van betrouwbare
inlichtingen is. Elk van de drie expedities heeft gegevens opgeleverd, maar
alle drie zijn ze tot andersluidende conclusies gekomen aangaande de
geschiedenis van de stad en vooral met betrekking tot het tijdstip van haar
verovering door de Israėlieten. Er kan echter gezegd worden dat de
gecombineerde resultaten het algemene beeld verschaffen dat in het boek De
Bijbel ontdekt in aarde en steen, door G. E. Wright (1958, blz. 83) wordt
uiteengezet: "De stad [heeft] tussen de 16e en de 13e eeuw v.C. een
verschrikkelijke verwoesting, of misschien wel een reeks verwoestingen, . .
. ondergaan, en [is] praktisch gedurende generaties onbewoond . . .
gebleven." De verwoesting ging vergezeld van grote branden, zoals blijkt uit
datgene wat opgegraven werd.
- Vgl. Joz 6:20-26.
In Jeruzalem ontdekte men in 1867 een oude watertunnel, die van de Gihonbron
terugliep de heuvel in. (Zie GIHON nr. 2.) Dit kan licht werpen op het
verslag in 2 Samuėl 5:6-10 over Davids verovering van de stad. In de jaren
1909-1911 werd het hele met de Gihonbron verbonden tunnelsysteem
blootgelegd. Eén tunnel, bekend als de Siloamtunnel, met een gemiddelde
hoogte van 1,8 m, was over een afstand van 533 m in de massieve rots
uitgehouwen en voerde van de Gihonbron naar de Vijver van Siloam in het
Tyropeondal (binnen de stad). Dit schijnt derhalve het in 2 Koningen 20:20
en 2 Kronieken 32:30 beschreven project van koning Hizkia te zijn. Van
bijzonder belang is de inscriptie in Oudhebreeuws monumentaal schrift die
men op de wand van de tunnel heeft ontdekt. Ze bericht de doorboring en
geeft de lengte van de tunnel aan. Men gebruikt deze inscriptie als basis
voor de datering van andere Hebreeuwse inscripties die gevonden zijn.
Lachis, 44 km ten WZW van Jeruzalem, was een van de voornaamste vestingen
ter bescherming van het Judese heuvelland. In Jeremia 34:7 vertelt de
profeet dat Nebukadnezars strijdkrachten streden tegen "Jeruzalem en tegen
al de steden van Juda die overgebleven waren, tegen Lachis en tegen Azeka;
want die, de versterkte steden, waren het die overgebleven waren onder de
steden van Juda". Opgravingen te Lachis hebben aan het licht gebracht dat de
stad binnen enkele jaren tweemaal door vuur werd verwoest, naar men aanneemt
bij twee aanvallen door de Babyloniėrs (618/617 en 609-607 v.G.T.), waarna
ze gedurende lange tijd onbewoond is gebleven.
In de as van de tweede brand werden 21 ostraka (beschreven potscherven)
aangetroffen, die naar men aanneemt correspondentie bevatten uit de tijd
kort voordat de stad bij Nebukadnezars laatste aanval werd verwoest. Deze
documenten, bekend als de Lachisbrieven, weerspiegelen een tijd van
benardheid en nood en werden schijnbaar vanuit overgebleven buitenposten van
Judese troepen geschreven en zijn gericht aan Yaosh, een militaire
bevelhebber in Lachis (AFB.: Deel 1, blz. 325). Brief IV bevat de volgende
woorden: "Moge JHWH [d.w.z. Jehovah] mijn heer zelfs nu goede tijdingen doen
horen. . . . wij letten op de vuursignalen van Lachis, volgens alle tekens
die mijn heer geeft, omdat wij Azeka niet zien." Deze passage brengt
treffend de situatie tot uitdrukking die in de hierboven aangehaalde tekst
van Jeremia 34:7 wordt beschreven en schijnt te kennen te geven dat Azeka
reeds gevallen was of althans de verwachte vuur- of rooksignalen niet
uitzond.
In brief III, geschreven door "Hosaja", staat onder andere: "Moge JHWH
[d.w.z. Jehovah] mijn heer vredesberichten doen horen! . . . En aan uw
dienaar is het volgende gerapporteerd: 'De bevelhebber van het leger,
Konjah, de zoon van Elnathan, is gekomen om naar Egypte te gaan en aan
Hodavjah, de zoon van Ahia, en zijn mannen heeft hij bericht gezonden om
[proviand] van hem te verkrijgen.'" Dit gedeelte kan heel goed een
aanwijzing zijn van het feit dat Juda zich voor hulp tot Egypte wendde, iets
wat door de profeten werd veroordeeld (Jes 31:1; Jer 46:25, 26). De namen
Elnathan en Hosaja, die in de volledige tekst van deze brief voorkomen,
staan ook in Jeremia 36:12 en Jeremia 42:1. Andere namen die in de brieven
worden genoemd, treft men ook aan in het boek Jeremia: Gemarja (36:10),
Neria (32:12) en Jaäzanja (35:3). Of hierbij sprake is van dezelfde
personen, is niet te zeggen, maar de overeenkomst op zich is frappant, te
meer omdat Jeremia in dezelfde tijd leefde.
Van speciaal belang is het veelvuldig gebruik van het Tetragrammaton in deze
brieven, waaruit blijkt dat de joden in die tijd er niets op tegen hadden de
goddelijke naam te gebruiken. Interessant is bovendien de zegelafdruk in
klei met de inscriptie "Gedalja, die over het huis gaat". Gedalja is de naam
van de stadhouder die na de val van Jeruzalem door Nebukadnezar over Juda
werd aangesteld. Velen achten het waarschijnlijk dat de zegelafdruk op hem
betrekking heeft. - 2Kon 25:22; vgl. Jes 22:15; 36:3.
Megiddo was een strategisch gelegen vestingstad die een belangrijke pas
beheerste die toegang verschafte tot het Dal van Jizreėl. De stad werd door
Salomo herbouwd en wordt in verband met zijn voorraad- en wagensteden
vermeld (1Kon 9:15-19). Bij opgravingen op die plek (Tell el-Mutesellim),
een aardheuvel met een oppervlakte van 5,3 ha, heeft men ontdekt wat volgens
sommige (maar niet alle) geleerden stallen waren die aan zo'n 450 paarden
plaats boden. Aanvankelijk werden deze gebouwen aan de tijd van Salomo
toegeschreven, maar de herdatering door latere geleerden plaatst ze in een
latere periode, misschien de tijd van Achab.
De Mesasteen was een van de vroegste ontdekkingen van betekenis in het
gebied ten O van de Jordaan (AFB.: Deel 1, blz. 325). De steen werd in 1868
te Dibon (thans Dhiban), ten N van het Arnondal, gevonden. Daarop bericht
Mesa, de koning van Moab, zijn versie van zijn opstand tegen Israėl. (Vgl.
2Kon 1:1; 3:4, 5.) De inscriptie luidt gedeeltelijk: "Ik ben Mesa, zoon van
Kamos, koning van Moab, de Diboniet. . . . Omri, koning van Israėl,
vernederde Moab vele dagen, want Kamos [de god van Moab] was boos op zijn
land; en zijn zoon volgde hem op en zei eveneens: 'Ik zal Moab vernederen.'
In mijn dagen sprak hij aldus, maar ik heb hem en zijn huis overwonnen,
terwijl Israėl voor altijd is vergaan. . . . En Kamos zei mij: 'Ga, neem
Nebo van Israėl.' En ik ging 's nachts en bevocht hen van het ochtendgloren
af tot de middag, terwijl ik allen nam en doodde . . . En ik nam de vaten
van Jahwe en sleepte [ze] voor Kamos" (Van Goor's Geļllustreerde
Encyclopedie van de Bijbel, 1976, blz. 481). De steen vermeldt dus niet
alleen de naam van koning Omri van Israėl, maar op de achttiende regel staat
ook Gods naam in de vorm van het Tetragrammaton.
De Mesasteen vermeldt ook talrijke plaatsen die in de bijbel worden genoemd:
Ataroth en Nebo (Nu 32:34, 38); de Arnon, Aroėr, Medeba en Dibon (Joz 13:9);
Bamoth-Baäl, Beth-Baäl-Meon, Jahaz en Kirjathaļm (Joz 13:17-19); Bezer (Joz
20:8); Horonaļm (Jes 15:5); Beth-Diblathaļm en Kerioth (Jer 48:22, 24).
Aldus getuigt hij van de historiciteit van al deze plaatsen.
Ras-sjamra (het oude Ugarit), aan de kust van N-Syriė tegenover het eiland
Cyprus, heeft inlichtingen verschaft over een vorm van aanbidding die sterke
overeenkomst vertoont met die van Kanaän, met inbegrip van haar goden en
godinnen, tempels, tempelprostituées, riten, offers en gebeden. Tussen een
Baälstempel en een aan Dagon gewijde tempel vond men een vertrek dat een
bibliotheek bevatte waarin zich honderden religieuze teksten bevonden,
vermoedelijk uit de 15de en het begin van de 14de eeuw v.G.T. De poėtische
teksten van mythologische inhoud onthullen veel omtrent de Kanaänitische
godheden El, Baäl en Asjera en de ontaarde vorm van afgoderij die met hun
aanbidding gepaard ging. Merrill F. Unger schrijft in zijn boek Archaeology
and the Old Testament (1964, blz. 175): "De Ugaritische epische literatuur
heeft ertoe bijgedragen de diepe ontaarding te onthullen waardoor de
Kanaänitische religie werd gekarakteriseerd. De riten van de Kanaänitische
cultus, een uitermate ontaarde soort van polytheļsme, waren barbaars en door
en door losbandig." Beelden van Baäl en andere goden werden eveneens
gevonden. (Zie GODEN EN GODINNEN [Kanaänitische godheden].) Deze teksten
onderscheidden zich door een tot dusver onbekende vorm van alfabetisch
spijkerschrift (anders dan het Akkadische spijkerschrift). Het houdt
dezelfde volgorde aan als het Hebreeuws, maar voegt er nog andere letters
aan toe, zodat het er in totaal dertig zijn. Net als in Ur werd ook hier een
stalen strijdbijl opgegraven.
Samaria, de sterk verschanste hoofdstad van het noordelijke koninkrijk
Israėl, werd op een heuvel gebouwd die zich zo'n 90 m boven het dal verheft.
Dat de stad wegens haar versterkingen langdurige belegeringen kon
weerstaan - zoals de in 2 Koningen 6:24-30 genoemde belegering door de
Syriėrs en de in 2 Koningen 17:5 vermelde belegering door het machtige
Assyrische leger - daarvan getuigen nog de resten van massieve dubbele
muren, die op enkele plaatsen een 10 m breed muurwerk vormen. Het stenen
metselwerk dat men op de plaats aantrof en dat naar men vermoedt uit de tijd
van de koningen Omri, Achab en Jehu stamt, getuigt van voortreffelijk
vakmanschap. Het platform waar het paleis gestaan moet hebben, meet ongeveer
90 × 180 m. In het paleisgebied werden talrijke fragmenten van
ivoorsnijwerk, alsook ivoren plaketten en panelen gevonden. Ze kunnen tot
het in 1 Koningen 22:39 genoemde ivoren huis van Achab behoord hebben. (Vgl.
Am 6:4.) Aan de NW-hoek op de top van de heuvel van Samaria ontdekte men een
grote gecementeerde vijver, die zo'n 10 m lang en ongeveer 5 m breed was.
Het zou "de vijver van Samaria" geweest kunnen zijn, waarin het bloed van
Achab van zijn strijdwagen afgespoeld werd. - 1Kon 22:38.
Nog een belangwekkende vondst waren de 63 met inkt beschreven potscherven
(ostraka), die naar men aanneemt uit de 8ste eeuw v.G.T. dateren. Het zijn
ontvangstbewijzen voor wijn- en oliezendingen die vanuit andere steden naar
Samaria werden gestuurd. Op de ostraka is een Israėlitisch systeem van
getallennotering met gebruikmaking van verticale, horizontale en schuine
streepjes te zien. Typerend is bijvoorbeeld het volgende ontvangstbewijs:
In het tiende jaar.
Aan Gaddiyau [waarschijnlijk de beheerder van de schatkamer].
Van Azah [misschien het dorp of het district dat de wijn
of de olie zond].
Abi-Ba`al 2
Achaz 2
Scheba 1
Meriba`al 1
Op deze ontvangstbewijzen staat vaak de naam Baäl als onderdeel van de
namen. Op elke elf namen die een vorm van de naam Jehovah bevatten, komen er
zeven samenstellingen met Baäl voor, hetgeen er waarschijnlijk op duidt dat
de Baälaanbidding, zoals in het bijbelse verslag wordt beschreven,
geleidelijk ingang had gevonden.
In de bijbel wordt de verwoesting van Sodom en Gomorra door vuur beschreven,
en er wordt gezegd dat er in dat gebied asfaltputten waren (Ge 14:3, 10;
19:12-28). Veel geleerden zijn van mening dat de waterspiegel van de Dode
Zee in het verleden wellicht gestegen is, zodat de zee zich naar het Z toe
over een aanzienlijk grotere oppervlakte uitstrekte en het gebied waar deze
twee steden gelegen zouden kunnen hebben, overstroomd werd. Onderzoekingen
tonen aan dat het een uitgebrand olie- en asfaltgebied is. Betreffende deze
kwestie verklaart het boek Light From the Ancient Past, door Jack Finegan
(1959, blz. 147): "Een zorgvuldig onderzoek van de literaire, geologische en
archeologische bewijzen leidt tot de conclusie dat de beruchte 'steden van
het dal' (Genesis 19:29) zich in het gebied bevonden dat thans onder water
ligt . . . en dat hun verwoesting door een grote aardbeving werd
veroorzaakt, waarschijnlijk gepaard gaande met explosies, bliksem,
ontbranding van aardgas en een algemene brand."
Jezus gebruikte een denarius met de beeltenis van Tiberius Caesar (Mr
12:15-17). Het bijbelse verslag hierover wordt bevestigd door de vondst van
een zilveren denarius met de beeltenis van Tiberius. De munt was omstreeks
het jaar 15 G.T. in omloop gebracht (AFB.: Deel 2, blz. 544). (Vgl. Lu 3:1,
2.) Dat Pontius Pilatus destijds de Romeinse bestuurder van Judea was, wordt
ook bewezen door een in Cesarea gevonden stenen plaat waarop de Latijnse
namen Pontius Pilatus en Tiberieum voorkomen. - Zie PILATUS; AFB.: Deel 2,
blz. 741.
In het boek Handelingen van Apostelen, dat duidelijk door Lukas is
geschreven, staan talrijke verwijzingen naar steden en hun provincies en
naar diverse functionarissen en hun onderscheiden titels, met vermelding van
de tijd waarin zij hun ambt bekleedden. Doordat er zulke gedetailleerde
inlichtingen werden verschaft, hadden er heel goed fouten kunnen insluipen.
(Neem ook nota van Lu 3:1, 2.) Maar het beschikbare archeologische
bewijsmateriaal toont aan dat Lukas opmerkelijk nauwkeurig was. Zo rekent
Lukas volgens Handelingen 14:1-6 Lystra en Derbe tot het gebied van
Lykaoniė, maar geeft hij te kennen dat Ikonium in een ander gebied lag.
Volgens Cicero en andere Romeinse schrijvers behoorde Ikonium tot Lykaoniė.
In 1910 werd echter een monument ontdekt dat aantoont dat Ikonium inderdaad
als een Frygische en niet als een Lykaonische stad werd beschouwd.
Evenzo bevestigt een in Delphi ontdekte inscriptie dat Gallio proconsul van
Achaje was, waarschijnlijk in 51/52 G.T. (Han 18:12). Zo'n negentien
inscripties, die uit de 2de eeuw v.G.T. tot de 3de eeuw G.T. dateren,
bevestigen dat Lukas de titel stadsbestuurders (enkelvoud: po·li·tar'ches)
correct gebruikt wanneer hij die op de beambten in Thessalonika toepast (Han
17:6, 8); vijf van deze inscripties vermelden deze stad met name. (Zie
STADSBESTUURDERS.) Ook in verband met Publius, die als "de voornaamste man"
(pro'tos) van Malta wordt aangeduid (Han 28:7), wordt zijn exacte titel
gebezigd, want deze titel verschijnt op twee Maltese inscripties, waarvan de
ene in het Latijn en de andere in het Grieks geschreven is. In Efeze werden
toverboeken gevonden en werd de tempel van Artemis opgegraven (Han 19:19,
27); ook werd daar een theater blootgelegd dat aan ongeveer 25.000 bezoekers
plaats bood. Verder kwamen er inscripties aan het licht waarin gesproken
wordt over "hen die de feesten en spelen organiseerden", zoals degenen die
ten behoeve van Paulus ingrepen; in deze inscripties wordt ook melding
gemaakt van een "stadsschrijver", zoals degene die bij die gelegenheid het
gepeupel tot bedaren bracht. - Han 19:29-31, 35, 41.
Enkele van deze vondsten bewogen Charles Gore ertoe in A New Commentary on
Holy Scripture het volgende over de nauwkeurigheid van Lukas te schrijven:
"Men dient natuurlijk te erkennen dat de moderne archeologie de critici van
St.-Lukas bijna het oordeel opdringt dat hij in al zijn zinspelingen op
wereldlijke feiten en gebeurtenissen opmerkelijk nauwkeurig is." - Onder
redactie van Gore, Goudge en Guillaume, 1929, blz. 210.
De archeologie heeft nuttige inlichtingen verschaft aan de hand waarvan
(dikwijls slechts voorlopig) bijbelse plaatsen geļdentificeerd konden
worden, heeft geschreven documenten aan het licht gebracht die tot een beter
begrip bijdragen van de oorspronkelijke talen waarin de bijbel werd
geschreven, en heeft licht geworpen op de levensomstandigheden en het doen
en laten van de in de bijbel genoemde oude volken en heersers. Maar wat haar
waarde met betrekking tot de authenticiteit en betrouwbaarheid van de bijbel
betreft, alsook met betrekking tot het geloof in de bijbel, de leringen van
de bijbel en de daarin vervatte openbaring van Gods voornemens en beloften,
moet er worden gezegd dat de extra inlichtingen die de archeologie
verschaft, niet van wezenlijk belang zijn en dat de waarheid van Gods Woord
een dergelijke bevestiging niet nodig heeft. De apostel Paulus brengt deze
gedachte als volgt tot uitdrukking: "Geloof is de verzekerde verwachting van
dingen waarop wordt gehoopt, de duidelijke demonstratie van werkelijkheden
die echter niet worden gezien. Door geloof bemerken wij dat de samenstelsels
van dingen door Gods woord geordend werden, zodat hetgeen gezien wordt,
ontstaan is uit dingen die niet zichtbaar zijn" (Heb 11:1, 3). "Wij wandelen
door geloof, niet door aanschouwen." - 2Kor 5:7.
Dit wil echter niet zeggen dat het christelijke geloof niet ook door
zichtbare dingen wordt ondersteund of dat het zich uitsluitend met
ontastbare dingen bezighoudt. In elk tijdperk hebben de mensen veeleer over
voldoende bewijzen uit hun omgeving beschikt, en hebben zij ook hun eigen
innerlijke belevenissen gehad en hun persoonlijke ervaringen opgedaan, die
hen ervan hadden kunnen overtuigen dat de bijbel de ware bron van goddelijke
openbaring is en dat daarin niets staat wat in strijd met bewijsbare feiten
is (Ro 1:18-23). De kennis van het verleden in het licht van archeologische
ontdekkingen is interessant en wordt naar waarde geschat, maar is niet
doorslaggevend. Alleen de kennis van het verleden in het licht van de bijbel
is onontbeerlijk en absoluut betrouwbaar. De bijbel, al dan niet door de
archeologie bevestigd, geeft ware betekenis aan het heden en werpt licht op
de toekomst (Ps 119:105; 2Pe 1:19-21). Een geloof dat op afbrokkelende
stenen, gebroken vazen en ingestorte muren moet steunen als kruk om stand te
kunnen houden, is in werkelijkheid een zwak geloof.
Hoewel archeologische ontdekkingen het nu en dan mogelijk hebben gemaakt
degenen die kleingeestige aanmerkingen maken op de bijbelse verslagen of
kritiek uitoefenen op de historische echtheid van bepaalde gebeurtenissen,
een passend antwoord te geven, en hoewel zulke vondsten ertoe hebben
bijgedragen de geest van oprechte personen die al te zeer onder de indruk
waren gekomen van de argumenten van zulke critici, van een last te
bevrijden, heeft de archeologie bijbelcritici niet tot zwijgen kunnen
brengen, noch is ze een werkelijk betrouwbare grondslag voor geloof in het
bijbelse bericht. De conclusies die men uit de meeste opgravingen heeft
getrokken, berusten hoofdzakelijk op de deductieve en inductieve redenaties
van de onderzoekers, die, als een soort detectives, proberen een zaak rond
te krijgen. Zelfs als een geval zich in onze tijd heeft afgespeeld, kunnen
detectives wel een indrukwekkende reeks indirecte bewijzen en ook concrete
feiten aan het licht brengen en vergaren, maar zal toch een zaak die
uitsluitend op zulk bewijsmateriaal is gegrond en niet wordt ondersteund
door van geloofwaardige getuigen afkomstige uitspraken die rechtstreeks met
de kwestie verband houden, als zeer zwak worden beschouwd indien ze voor het
gerecht wordt gebracht. Vonnissen die alleen op zulk bewijsmateriaal waren
gebaseerd, hebben reeds tot grove fouten en groot onrecht geleid. Hoeveel te
meer moet dit het geval zijn wanneer er 2000 of 3000 jaar tussen de
gebeurtenis en de onderzoekingen liggen!
Een soortgelijke parallel wordt getrokken door de archeoloog R. J. C.
Atkinson, die zegt: "Men hoeft zich alleen maar in te denken hoe moeilijk de
opgaaf van toekomstige archeologen zou zijn wanneer zij de rituelen, de
dogma's en de leringen van de christelijke kerken uitsluitend uit de ruļnes
van de kerkgebouwen moesten reconstrueren, zonder de hulp van geschreven
documenten of inscripties. Wij hebben dus de paradoxale situatie dat de
archeologie, de enige methode om het verleden van de mens te onderzoeken
wanneer schriftelijke getuigenissen ontbreken, als middel van onderzoek aan
doeltreffendheid inboet hoe dichter ze de aspecten van het menselijk leven
benadert die tot het specifiek menselijke behoren." - Stonehenge, Londen,
1956, blz. 167.
Dat archeologen klaarblijkelijk hoogstens slechts met benaderende
nauwkeurigheid licht kunnen werpen op het verre verleden, is niet het enige
probleem. Wat de zaak nog gecompliceerder maakt, is het feit dat zij ondanks
hun pogingen om bij het beschouwen van het opgegraven bewijsmateriaal
objectief te zijn, niettemin net als andere geleerden ook aan menselijke
zwakheden, persoonlijke neigingen en ambities onderworpen zijn, die
verkeerde redeneringen kunnen bevorderen. Professor W. F. Albright
onderstreept het probleem, wanneer hij schrijft: "Anderzijds schuilt er een
gevaar in om ten koste van vroegere, solidere arbeid naar nieuwe
ontdekkingen en nieuwe gezichtspunten te zoeken. Dit is vooral zo op
terreinen als de bijbelse archeologie en de bijbelse geografie, waar de
beheersing van de werktuigen en de onderzoekmethoden met zo veel moeite
gepaard gaat dat altijd de verleiding bestaat de beproefde methode
achterwege te laten, doordat men langzamer en systematischer arbeid tracht
te vervangen door knappe combinaties en briljante gissingen." - The
Westminster Historical Atlas to the Bible, onder redactie van G. E. Wright,
1956, blz. 9.
Het is belangrijk dit te beseffen wanneer men de datums beschouwt die de
archeologen voor hun vondsten aangeven. Merrill F. Unger licht dit als volgt
toe: "Garstang bijvoorbeeld dateert de val van Jericho op ca. 1400 v.Chr. .
. .; Albright onderschrijft de datum ca. 1290 v.Chr. . . .; Hugues Vincent,
de beroemde Palestijnse archeoloog, is voor de datum 1250 v.Chr. . . .; H.
H. Rowley houdt Ramses II voor de farao der verdrukking en gelooft dat de
exodus omstreeks 1225 v.Chr. onder zijn opvolger Marniptah [Merenptah] heeft
plaatsgevonden" (Archaeology and the Old Testament, blz. 164, vtn. 15).
Hoewel professor Albright gronden aanvoert voor de betrouwbaarheid van de
moderne archeologische werkwijze en analyse, erkent hij dat "het voor de
niet-specialist nog altijd moeilijk [is] zijn weg te vinden tussen de elkaar
tegensprekende dateringen en conclusies van archeologen".
- Oude volken en culturen in het Heilige Land, blz. 219.
Men heeft zich weliswaar van de radiokoolstofklok en van andere moderne
methoden bediend om gevonden artefacten te dateren, maar dat deze methode
niet volledig nauwkeurig is, blijkt uit de volgende woorden van G. Ernest
Wright in The Biblical Archaeologist (1955, blz. 46): "Er zij opgemerkt dat
de nieuwe koolstof-14-methode voor het dateren van oude overblijfselen niet,
zoals men gehoopt had, onfeilbaar is gebleken. . . . Bepaalde metingen
hebben klaarblijkelijk, waarschijnlijk om een aantal redenen, verkeerde
uitkomsten geleverd. Op het ogenblik kan men zich ongetwijfeld slechts op de
uitkomsten verlaten wanneer er verscheidene metingen zijn gedaan die
praktisch dezelfde uitkomsten leveren en wanneer de datum ook volgens andere
dateringsmethoden correct schijnt te zijn [wij cursiveren]." Een meer
recente uitspraak is te vinden in The New Encyclopędia Britannica
(Macropędia, 1976, Deel 5, blz. 508), waar staat: "Wat de reden ook moge
zijn, . . . het is duidelijk dat koolstof-14-dateringen niet zo nauwkeurig
zijn als de traditionele geschiedkundigen zouden wensen." - Zie CHRONOLOGIE
(Archeologische datering).
Duizenden en nog eens duizenden oude inscripties zijn gevonden en worden
geļnterpreteerd. Albright verklaart: "Geschreven documenten behoren tot
verreweg de belangrijkste van alle vondsten die de archeologen doen. Daarom
is het uitermate belangrijk een duidelijk idee te krijgen van hun karakter
en van ons vermogen ze te interpreteren" (The Westminster Historical Atlas
to the Bible, blz. 11). De inscripties kunnen op potscherven, kleitabletten
of papyrus geschreven zijn of in granietrotsen ingebeiteld zijn. Ongeacht
het materiaal waarop ze aangetroffen zijn, de meegedeelde inlichtingen
moeten toch nog afgewogen en op hun betrouwbaarheid en waarde worden
getoetst. Dwaling of klinkklaar bedrog kan zowel op steen als op papier
gezet zijn, wat inderdaad dikwijls het geval is geweest.
- Zie CHRONOLOGIE (Bijbelse chronologie en wereldlijke geschiedenis);
SARGON.
Om een voorbeeld te noemen: In het bijbelse bericht staat dat koning
Sanherib van Assyriė door zijn beide zonen Adrammelech en Sarezer werd
vermoord en dat een andere zoon, Esar-Haddon, hem op de troon opvolgde (2Kon
19:36, 37). Daarentegen staat in een Babylonische kroniek dat Sanherib op 20
Tebeth bij een opstand door zijn zoon werd gedood. Ook Berossos, een
Babylonische priester uit de 3de eeuw v.G.T., en Nabonidus, een Babylonische
koning uit de 6de eeuw v.G.T., berichten dat Sanherib slechts door één van
zijn zonen werd vermoord. Meer recent heeft men echter een fragment ontdekt
van het prisma van Esar-Haddon, de zoon die Sanherib opvolgde. Daarop
verklaart Esar-Haddon duidelijk dat zijn broers (meervoud) in opstand
kwamen, hun vader doodden en toen de vlucht namen. Philip Biberfeld schrijft
hierover in zijn boek Universal Jewish History (1948, Deel I, blz. 27): "De
Babylonische kroniek, Nabonidus en Berossos hadden het bij het verkeerde
eind; alleen het bijbelse verslag bleek juist te zijn. Het werd in alle
kleinere details bevestigd door de inscriptie van Esar-Haddon en bleek met
betrekking tot deze gebeurtenis uit de Babylonisch-Assyrische geschiedenis
nauwkeuriger te zijn dan de Babylonische bronnen zelf. Dit is een feit van
uitermate groot belang voor de beoordeling van zelfs contemporaine bronnen
die niet met de bijbelse overlevering stroken."
Een christen dient ook de nodige voorzichtigheid te betrachten met het
voetstoots aannemen van de interpretatie van de vele inscripties die in de
diverse oude talen zijn gevonden. In sommige gevallen, zoals bij de Steen
van Rosette en de Behistuninscriptie, konden de geleerden die het schrift
ontcijferden, aanzienlijk veel inzicht krijgen in een vroeger onbekende taal
omdat parallel aan het inschrift in deze taal de tekst in een andere,
bekende taal stond. Toch dient men niet te verwachten dat zulke hulpmiddelen
alle problemen oplossen of een volledig begrip van de taal met al haar
betekenisnuances en idiomatische uitdrukkingen mogelijk maken. Zelfs het
begrip van de oorspronkelijke talen van de bijbel - Hebreeuws, Aramees en
Grieks - is in de laatste jaren aanzienlijk toegenomen, en er wordt nog
steeds een studie van deze talen gemaakt. In het geval van het geļnspireerde
Woord van God kunnen wij terecht verwachten dat de Auteur van de bijbel ons
in staat zou stellen door middel van vertalingen die in de huidige talen
beschikbaar zijn, het juiste begrip van de daarin vervatte boodschap te
verkrijgen. Dit geldt echter niet voor de niet-geļnspireerde geschriften van
de heidense natiėn.
De volgende inlichtingen uit het boek Smal ravijn en zwarte berg door C. W.
Ceram maken duidelijk hoe noodzakelijk een dergelijke voorzichtigheid is en
bewijzen bovendien opnieuw dat problemen bij het ontcijferen van oude
inscripties dikwijls niet zo objectief worden benaderd als men geneigd is te
denken. In dit boek kan men over een bekende assyrioloog, die aan de
ontcijfering van de "Hetietische" taal werkte, het volgende lezen (1955,
blz. 94-97): "Zijn werk is een fenomeen: het is een mengsel van in elkaar
grijpende volstrekte vergissingen en uitmuntende juiste inzichten, . . . er
kwamen bij hem vergissingen voor die zo scherpzinnig verantwoord waren dat
het tientallen jaren werk kostte om ze uit te roeien. Het is volkomen
uitgesloten hier ook maar in hoofdlijnen de van filologische geleerdheid
overvloeiende gedachtengangen te volgen." Vervolgens beschrijft de auteur de
hardnekkige weigering van deze geleerde zijn bevindingen ook maar in de
geringste mate te herzien; pas na vele jaren stemde hij er ten slotte in toe
enkele wijzigingen aan te brengen - maar hij veranderde uitgerekend die
lezingen die later de juiste bleken te zijn! Toen de auteur melding maakte
van het heftige dispuut tussen deze geleerde en nog een ontcijferaar van het
"Hetietische" spijkerschrift, waarbij deze twee geleerden elkaar steeds weer
persoonlijke beschuldigingen naar het hoofd slingerden, zei hij: 'De
onderzoekers werden daarbij door fanatisme gedreven (maar moesten daar ook
door gedreven worden)' (blz. 97). Hoewel de wetenschap er in de loop van de
tijd in geslaagd is vele abuizen bij het begrijpen van oude inscripties te
elimineren, doen wij er dus goed aan te beseffen dat verdere onderzoekingen
nog meer correcties noodzakelijk kunnen maken.
"Michiel de Jong" <mic...@jmdejong.xx> schreef in bericht
news:uDtn9uZ...@net037s.hetnet.nl...
> Cor wrote:
> > Michiel de Jong wrote:
> >> Cor wrote:
>
> >>> Ik ben bezig met een studie over de Thora (Oude Testament
> >>> van de Bijbel). Ik vroeg me af of iemand een idee heeft
> >>> omtrent de datering van de uittocht uit Egypte?
>
> >> +/- 1445 BC.
>
> > Inmiddels heb ik er wat boeken over nageslagen, maar weet ik
> > nog niet welke tijdsberekening ik aan moet houden.
>
> > 1280 v Chr. -> Van Abraham tot Paulus - Uitgeverij Groen
> > 1290 v Chr. -> Handboek bij de Bijbel - Uitgeverij Kok
> > 1445 v Chr -> Het onstaan van Israėl - Telos
>> Als je deze verschuiving van 200 jaar tussen de OT-ische en
>> de Egyptische jaarrekening maakt, dan zijn er zowel
>> archeologische aanwijzingen voor het bestaan van een
>> Semitische herders volk in Egypte, als aanwijzingen voor
>> rampzalige gebeurtenissen rond de tijd van de uittocht, als
>> kloppende vondsten bij Jericho, als een economische
>> bloeiperiode tentijde van Salomo.
> Zelfs als er en 'bug' van 200 jaar zou bestaan dan nog zouden er
> archeologische bewijzen gevonden zijn.
Die zijn ook gevonden.
> Van de zgn. fabelachtige paleizen van Salomon is geen steen
> gevonden, laat staan goud.
Er zijn veel aanwijzingen gevonden dat Israel in de Late Bronstijd een bloei
in economisch en cultureel opzicht heeft meegemaakt, incl een palijs in
Jeruzalem. (Yadin, A, 'Megiddo' Kenyon, K.M., 'Excavation in Jeruzalem')
> Idem dito voor de Exodus, Jericho, Noach, etc ...
Er zijn archeologische vondsten gedaan in Egypte van het bestaan van een
Aziatisch / Semitisch volk. (Onderzoek van Winkler en Wilfing, opgravingen
door Bietak) De opgravingen bij Jericho uit de periode Midden Bronstijd
geven aan dat Jericho toen verwoest is en daarna eeuwen lang vrijwel
onbewoond. (Kenyon, K.M., 'Digging in Jericho' Bienkowski, P., 'Jericho in
the late Bronze Age')
> Het is maw mythologie van het zuiverste water.
Face the facts.
michiel
> "Job ter Haar" <kan...@JobGeenTerSpamHaar.com> schreef in bericht
> news:=9X=OzU48J=lhbOevprfNkUe=T...@4ax.com...
> > On Sat, 24 Nov 2001 16:16:14 +0100, "Cor" <stap...@xs4all.nl> wrote:
> >
> > >Ik ben bezig met een studie over de Thora (Oude Testament van de Bijbel).
> Ik
> > >vroeg me af of iemand een idee heeft omtrent de datering van de uittocht
> uit
> > >Egypte?
>
> > Volgens mij zijn er helemaal geen indicaties dat zo'n uittocht ook
> > werkelijk heeft plaatsgevonden.
>
> De indicaties die in de bijbel staan spreken voor zich.
> Voldoende bewijzen om over een hystorische gebeurtenis te spreken.
Indicaties die -alleen- in de bijbel staan
zijn -nooit- voldoende
om van een historische gebeurtenis te spreken.
Jan
"Michiel de Jong" <mic...@jmdejong.xx> schreef in bericht
news:O$6FFjZd...@net005s.hetnet.nl...
> Job ter Haar wrote:
> Nou,.. wereldrijk..? Da's niet de term van het OT. Daar wordt gesproken
over
> het vrederijk. Er was geen oorlog en ze waren zelfstandig, dat was al heel
> wat. De omvang er van was nog niet 2x het huidige Israel.
> Het archeologische probleem zitum vast op het feit dat men Salomo zou
moeten
> dateren in de Vroege I Jzertijd, terwijl in de Late Bronstijd die
ecomische
> en culturele bloeitijd wel terug vindt. O.a. de opgravingen bij Megiddo.
En
> uit diezelfde tijd is wel degelijk iets gevonden wat duidt op een Palijs
in
> Jeruzalem (door Barkay, rond 1880)
>
> > Ik ben benieuwd naar de archeaologische aanwijzingen (om je
> > het woord "bewijzen" te besparen) voor een Israel onder
> > Salomo.
>
> Nogmaals de opgravingen in Israel uit de periode Laat Brons passen daar in
> goed. En waar die mis-fit van zo'n 200 jaar tussen de OT-ische en de
> Egyptische chronologie vandaan komt weet ik niet, maar daar bestaan
aardige
> theorieen over.
>
> michiel
>
Ik sta langs de zijlijn deze discussie te bekijken, maar wat me opvalt is
het volgende.
Er zijn mensen die naast wat in de Bijbel staat de gegevens archeologisch
onderbouwd willen zien.
Bij absentie van die gegevens noemen ze het een mythe.
Vervolgens probeert men aannemelijk te maken dat het een mythe is en dat wat
zij zeggen waar is.
Dat is preken van een ander evangelie, van een ander geloof zogezegd, want
je moet maar geloven dat wat zij zeggen waar is.
Immers, zij hebben door de absentie alleen maar een theorie. Ze geloven niet
wat in de Bijbel staat en hebben absentie van externe info. Dus zeggen ze
dat het niet gebeurd is.
Absentie van info impliceert niet dat het niet gebeurd is.
Het creeert hooguit ruimte voor speculatie.
Deze speculatie wordt ook toegepast in de archeologie, bij gebrek aan
informatie, inzichten etc.
Vervolgens worden er nieuwe dingen ontdekt bij opgravingen en de theorie
wordt gestaafd, onderuit gehaald of een nieuwe theorie ontstaat.
Of er wordt aangetoond dat wat voor een mythe werd gehouden (neem de
ondergelopen gebieden in de zwarte zee) uit allerlei volksvertellingen, na
expedities blijkt dat het ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Dit werk is nog maar enkele eeuwen in volle gang.
Het zou kortzichtig zijn te zeggen dat we alles van 4000 jaar geleden ineens
ontrafeld hebben met de opgravingen die reeds hebben plaats gevonden. Wat
Egypte bijv. betreft, komen steeds nog nieuwe dingen aan het licht. Als
voorbeeld de opgraving die enkele dagen geleden heeft plaatsgevonden. Daar
wordt weer een klein gedeelte van de puzzel ingevuld.
Informatie die daarvoor ontbrak en bron was voor speculatie, gissing,
theorievorming.
Om, zoals sommigen doen, gebrek aan informatie puur af te doen als mythe, is
een geloof verkondigen op zich. Het is ook niet een vorm van constructief de
zaken belichten.
Het is voorzichtiger en wijzer om bij gebrek aan informatie niet teveel te
speculeren en zaken duidelijk te benoemen en te zeggen: het is mijn theorie
dat dit of dit niet heeft plaatsgevonden.
Als je niet het bewijs hebt dat het anders plaats heeft gevonden, maar
alleen zegt dat je er nergens iets van hebt gevonden heb je of niet goed
gezocht of het is nog niet gevonden.
Dat het niet heeft plaatsgevonden is dan 1 van de 3 mogelijkheden
Om mensen dan 1 van de 3 mogelijkheiden voor te spiegelen als de ultieme
waarheid gaat veel te ver. Je mag daar zelf van overtuigd zijn maar naar
anderen toe komt dat niet overtuigend over.
Dan moet ik maar geloven wat jij zegt op basis van het gegeven dat je niet
gelooft wat een ander zegt.
In de rechtspraak is het zo dat je niet schuldig bent tot het delict bewezen
is, dus ik geef de Bijbel-critici hierbij de kans om aan te tonen dat bijv.
Salomo niet bestaan heeft met feiten.
Een tegenfeit: bijbel-critici beweerden lang dat de assyrische heerser
Sargon niet bestond, omdat zijn naam zich alleen maar in de Bijbel bevond en
men extern geen bewijs voor zijn bestaan in de regeringsgeschiedenissen vond
die tot dan opgegraven waren.
Tot men op een gegeven moment een zaal ontsloot waar een zegetocht op de
muur was geschilderd van de heerser Sargon.
Toen had men het gegeven voor zichzelf bevestigd.
Nu zegt men: Salomo heeft niet bestaan. Morgen komt er bij het graven wat
boven. Wat dan? Dan David op de korrel? Dan Rehabeam?
How far will you go?
Ik hoop dat ik duidelijk genoeg ben geweest dat absentie van informatie
niets zegt of iets heeft plaatsgevonden.
Oving.
> Dus als ik het goed begrijp is de datering van de gebeurtenissen in het
> midden-oosten gebaseerd op de gegevens over de Egyptische Faraoīs.
> Als je dus de juiste Farao weet de identificeren kan je daar dus de
> tijdschatting van de uittocht op baseren?
Zo is het,
en bovendien is die datering in overeenstemming
met de radiokoolstof dateringen (na calibratie),
en met opgeschreven zonsverduisteringen.
Alleen voor het oude rijk, ą3000 BC,
bestaan er nog wat onzekerheden.
Er is weinig tussen te krijgen,
en wat er niet mee klopt is vrijwel zeker fout.
Jan
>Ik sta langs de zijlijn deze discussie te bekijken, maar wat me opvalt is
>het volgende.
>Er zijn mensen die naast wat in de Bijbel staat de gegevens archeologisch
>onderbouwd willen zien.
>Bij absentie van die gegevens noemen ze het een mythe.
Nee, bij het beschouwen van feiten die de bijbel lijnrecht
tegenspreken. Zoals een bevolking van Judea die ten tijde van het
grote rijk van Salomo niet groter dan pak hem beet 2500 mensen was.
Analyse van de economie van die tijd die uitsluit dat er überhaupt een
staat Israel was, laat staan dat dat een groot rijk was.
>Vervolgens probeert men aannemelijk te maken dat het een mythe is en dat wat
>zij zeggen waar is.
Wat ik zeg is archeologisch ondersteund. Wat in de bijbel staat
grotendeels niet. Als je je. zoals ik, interesseert voor de
geschiedenis van het midden-oosten, heb je weinig aan de bijbel. Je
zult onafhankelijk van de bijbel een geschiedenis moeten
reconstrueren. Als je dat doet, ziet het er heel anders uit dan
wanneer je de bijbel als geschiedenis opvat.
>Dat is preken van een ander evangelie, van een ander geloof zogezegd, want
>je moet maar geloven dat wat zij zeggen waar is.
>Immers, zij hebben door de absentie alleen maar een theorie.
Dat is waar, ik zal ook nooit iets anders beweren dan dat. Als ik zeg:
dit en dit is zo, en het gaat over geschiedenis, dan is het
vanzelfsprekend een theorie.
>Om, zoals sommigen doen, gebrek aan informatie puur af te doen als mythe, is
>een geloof verkondigen op zich. Het is ook niet een vorm van constructief de
>zaken belichten.
Juist wel. Het is heel interessant om de geschiedenis van Palestina op
grond van archeologische gegevens te bestuderen. En het is ook heel
interessant om de bijbel te lezen als wijsheidsliteratuur in plaats
van absolute waarheid.
>Het is voorzichtiger en wijzer om bij gebrek aan informatie niet teveel te
>speculeren en zaken duidelijk te benoemen en te zeggen: het is mijn theorie
>dat dit of dit niet heeft plaatsgevonden.
Als ik op zo'n nieuwsgroep bij alles ga zeggen dat het een theorie is
of mijn mening, blijf ik bezig. Ik ga er van uit dat men dat wel weet.
>In de rechtspraak is het zo dat je niet schuldig bent tot het delict bewezen
>is, dus ik geef de Bijbel-critici hierbij de kans om aan te tonen dat bijv.
>Salomo niet bestaan heeft met feiten.
En ik ga er van uit dat er een brood in een baan om Jupiter draait en
volgens deze redenering moet jij maar eens bewijzen dat het niet zo
is.
>Een tegenfeit: bijbel-critici beweerden lang dat de assyrische heerser
>Sargon niet bestond, omdat zijn naam zich alleen maar in de Bijbel bevond en
>men extern geen bewijs voor zijn bestaan in de regeringsgeschiedenissen vond
>die tot dan opgegraven waren.
>Tot men op een gegeven moment een zaal ontsloot waar een zegetocht op de
>muur was geschilderd van de heerser Sargon.
>Toen had men het gegeven voor zichzelf bevestigd.
Interessant, deze Sargon. Er zijn er meerdere geweest. Ik ga even
zoeken en kom binnenkort met een interessante inscriptie hierover.
>Nu zegt men: Salomo heeft niet bestaan. Morgen komt er bij het graven wat
>boven. Wat dan? Dan David op de korrel? Dan Rehabeam?
>How far will you go?
Allemaal mythe tot we bewijzen hebben. En dan nog. Als er een warlord
van zo'n geforitificeerd dorpje zijn naam heeft laten bikken in een
gedenksteen en die naam is "Salomo", roept heel de christelijke en
joodse wereld: "zie je wel!" terwijl dat natuurlijk helemaal niets
zegt over het historisch waarheidsgehalte van de Bijbel. Er is een
stele gevonden met de tekst "bth dvd" of zo iets er op. Gelovigen zien
hierin het "bewijs" voor het bestaan hebben van koning David ("huis
van David", maar dat is wishful thinking. Er zijn allerlei
alternatieve hypotheses over de betekenis en herkomst van deze tekst
die veel waarschijnlijker zijn.
En niemand zal ontkennen dat bepaalde personen die in de bijbel
voorkomen, gebaseerd zijn op historische karakters. In hoeverre het
verhaal samenvalt met de werkelijkheid, verschilt per geval.
Hoe ver ga je als je de bijbel als geschiedenis leest? Wat neem je
letterlijk, wat niet? Dat maakt het lastig discussieren.
--
Job
>> Bij absentie van die gegevens noemen ze het een mythe.
> Nee, ..
> ...bij het beschouwen van feiten die de bijbel lijnrecht tegen-
> spreken. Zoals een bevolking van Judea die ten tijde van het
> grote rijk van Salomo niet groter dan pak hem beet 2500 mensen
> was.
> Wat ik zeg is archeologisch ondersteund. ..<knip>..
Je moet je maar durven, om dit te beweren............!
michiel
>> Face the facts.
> Het is duidelijk dat zowat alle bijbelse "archeologische" vondsten
> vooral het resultaat zijn van wishful thinking en niet van ernstig
> wetenschappelijk onderzoek. ..<knip>..
> Jammer genoeg heb ik momenteel te weinig tijd (en zin) om hier
>dieper op in te gaan. ..<knip>..
Ja, da's jammer.
michiel
>> ...bij het beschouwen van feiten die de bijbel lijnrecht tegen-
>> spreken. Zoals een bevolking van Judea die ten tijde van het
>> grote rijk van Salomo niet groter dan pak hem beet 2500 mensen
>> was.
>
>> Wat ik zeg is archeologisch ondersteund. ..<knip>..
>
>Je moet je maar durven, om dit te beweren............!
Kijk, als je denkt dat ik zelf heb zitten spitten in de grond van
Judea, heb je natuurlijk gelijk. Dat besteed ik uit :-)
--
Job
"Job ter Haar" <kan...@JobGeenTerSpamHaar.com> schreef in bericht
news:0H4BPMRUD9CbXHAuJg+BY7imyr=k...@4ax.com...
> On Sun, 25 Nov 2001 22:24:13 GMT, "oving" <ov...@wxs.nl> wrote:
>
> >Ik sta langs de zijlijn deze discussie te bekijken, maar wat me opvalt is
> >het volgende.
> >Er zijn mensen die naast wat in de Bijbel staat de gegevens archeologisch
> >onderbouwd willen zien.
> >Bij absentie van die gegevens noemen ze het een mythe.
>
> Nee, bij het beschouwen van feiten die de bijbel lijnrecht
> tegenspreken. Zoals een bevolking van Judea die ten tijde van het
> grote rijk van Salomo niet groter dan pak hem beet 2500 mensen was.
> Analyse van de economie van die tijd die uitsluit dat er überhaupt een
> staat Israel was, laat staan dat dat een groot rijk was.
Kijk nu creeer je je eigen mythe. Je zegt dat het rijk van Salomo niet
groter dan 'pak en beet' 2500 mensen was.
Bestaat het rijk van Salomo dan? Waarop baseer je 2500 mensen?
Je draagt geen feiten aan maar een mythe. Of een geloof, hoe je het maar
noemen wilt.
> >Vervolgens probeert men aannemelijk te maken dat het een mythe is en dat
wat
> >zij zeggen waar is.
>
> Wat ik zeg is archeologisch ondersteund. Wat in de bijbel staat
> grotendeels niet. Als je je. zoals ik, interesseert voor de
> geschiedenis van het midden-oosten, heb je weinig aan de bijbel. Je
> zult onafhankelijk van de bijbel een geschiedenis moeten
> reconstrueren. Als je dat doet, ziet het er heel anders uit dan
> wanneer je de bijbel als geschiedenis opvat.
Op welk archeologisch 'feit' is het gebaseerd dat het rijk van Salomo 2500
mensen bevatte?
> >Dat is preken van een ander evangelie, van een ander geloof zogezegd,
want
> >je moet maar geloven dat wat zij zeggen waar is.
> >Immers, zij hebben door de absentie alleen maar een theorie.
>
> Dat is waar, ik zal ook nooit iets anders beweren dan dat. Als ik zeg:
> dit en dit is zo, en het gaat over geschiedenis, dan is het
> vanzelfsprekend een theorie.
Ok, theorie, mythe.....
> >In de rechtspraak is het zo dat je niet schuldig bent tot het delict
bewezen
> >is, dus ik geef de Bijbel-critici hierbij de kans om aan te tonen dat
bijv.
> >Salomo niet bestaan heeft met feiten.
>
> En ik ga er van uit dat er een brood in een baan om Jupiter draait en
> volgens deze redenering moet jij maar eens bewijzen dat het niet zo
> is.
Nee, dat is beweren dat iets bestaat. Jij beweert dat iets -niet- bestaat
met stelligheid. Zonder andere mogelijkheden open te laten.
> >Een tegenfeit: bijbel-critici beweerden lang dat de assyrische heerser
> >Sargon niet bestond, omdat zijn naam zich alleen maar in de Bijbel bevond
en
> >men extern geen bewijs voor zijn bestaan in de regeringsgeschiedenissen
vond
> >die tot dan opgegraven waren.
> >Tot men op een gegeven moment een zaal ontsloot waar een zegetocht op de
> >muur was geschilderd van de heerser Sargon.
> >Toen had men het gegeven voor zichzelf bevestigd.
>
> Interessant, deze Sargon. Er zijn er meerdere geweest. Ik ga even
> zoeken en kom binnenkort met een interessante inscriptie hierover.
Tja zoals andere heersers Willem I, Willem II, Willem III, waren er ook
enkele Sargons.
> >Nu zegt men: Salomo heeft niet bestaan. Morgen komt er bij het graven wat
> >boven. Wat dan? Dan David op de korrel? Dan Rehabeam?
> >How far will you go?
>
> Allemaal mythe tot we bewijzen hebben.
Dus maar niet openhouden dat ze wel bestaan hebben. Je manouvreert je bij
voorbaat al 1 van de 3 hokjes.
Motivatie?
Oving.
> Indicaties die -alleen- in de bijbel staan
> zijn -nooit- voldoende
> om van een historische gebeurtenis te spreken.
Voor mensen die louter in evolutie en toeval geloven zal dit zo kunnen zijn.
Leven bestaat en dat is zeker geen toeval.
Het boek Genesis behoorde klaarblijkelijk tot de geschriften die
oorspronkelijk één boek vormden (de thora), en het werd waarschijnlijk in
1513 v.G.T. door Mozes in de Wildernis van Sinaï voltooid. Na Genesis 1:1, 2
(waarin melding wordt gemaakt van de schepping van de hemel en de aarde)
behandelt het boek kennelijk een tijdruimte van duizenden jaren waarin de
aarde als woonplaats voor de mens werd toebereid .
Zeker een historische gebeurtenis.
Hoewel archeologische ontdekkingen het nu en dan mogelijk hebben gemaakt
degenen die kleingeestige aanmerkingen maken op de bijbelse verslagen of
kritiek uitoefenen op de historische echtheid van bepaalde gebeurtenissen,
een passend antwoord te geven, en hoewel zulke vondsten ertoe hebben
bijgedragen de geest van oprechte personen die al te zeer onder de indruk
waren gekomen van de argumenten van zulke critici, van een last te
bevrijden, heeft de archeologie bijbelcritici niet tot zwijgen kunnen
brengen, noch is ze een werkelijk betrouwbare grondslag voor geloof in het
bijbelse bericht. De conclusies die men uit de meeste opgravingen heeft
getrokken, berusten hoofdzakelijk op de deductieve en inductieve redenaties
van de onderzoekers, die, als een soort detectives, proberen een zaak rond
te krijgen. Zelfs als een geval zich in onze tijd heeft afgespeeld, kunnen
detectives wel een indrukwekkende reeks indirecte bewijzen en ook concrete
feiten aan het licht brengen en vergaren, maar zal toch een zaak die
uitsluitend op zulk bewijsmateriaal is gegrond en niet wordt ondersteund
door van geloofwaardige getuigen afkomstige uitspraken die rechtstreeks met
de kwestie verband houden, als zeer zwak worden beschouwd indien ze voor het
gerecht wordt gebracht. Vonnissen die alleen op zulk bewijsmateriaal waren
gebaseerd, hebben reeds tot grove fouten en groot onrecht geleid.
> >Ik sta langs de zijlijn deze discussie te bekijken, maar wat me opvalt is
> >het volgende.
> >Er zijn mensen die naast wat in de Bijbel staat de gegevens archeologisch
> >onderbouwd willen zien.
> >Bij absentie van die gegevens noemen ze het een mythe.
> Nee, bij het beschouwen van feiten die de bijbel lijnrecht
> tegenspreken. Zoals een bevolking van Judea die ten tijde van het
> grote rijk van Salomo niet groter dan pak hem beet 2500 mensen was.
> Analyse van de economie van die tijd die uitsluit dat er überhaupt een
> staat Israel was, laat staan dat dat een groot rijk was.
> >Vervolgens probeert men aannemelijk te maken dat het een mythe is en dat
> >wat zij zeggen waar is.
> Wat ik zeg is archeologisch ondersteund. Wat in de bijbel staat
> grotendeels niet. Als je je. zoals ik, interesseert voor de
> geschiedenis van het midden-oosten, heb je weinig aan de bijbel. Je
> zult onafhankelijk van de bijbel een geschiedenis moeten
> reconstrueren. Als je dat doet, ziet het er heel anders uit dan
> wanneer je de bijbel als geschiedenis opvat.
De ontdekking van talrijke artefacten heeft bevestigd dat de boeken Koningen
historisch en geografisch nauwkeurig zijn. Zowel door de archeologie als
door het feit dat er ook nu nog ceders op de Libanon zijn, wordt bewezen dat
daar destijds cederwouden waren, waar Salomo hout voor zijn bouwprojecten in
Jeruzalem vandaan haalde (1Kon 5:6; 7:2). In het Jordaanbekken ten N van de
Jabbok, waar eens Sukkoth en Zarethan lagen, zijn aanwijzingen van
industriėle activiteit gevonden. - 1Kon 7:45, 46.
Dat Sisak in de tijd van Rehabeam Juda binnenviel (1Kon 14:25, 26), wordt
bevestigd door de inscriptie die de farao zelf op de muren van de tempel te
Karnak (Egypte) liet aanbrengen. Op een in 1846 te Nimrud gevonden uit
zwarte kalksteen vervaardigde obelisk van de Assyrische koning Salmaneser
III is mogelijk te zien hoe een afgezant van Jehu zich voor Salmaneser
neerbuigt. Ofschoon dit voorval in de boeken Koningen niet wordt vermeld,
vormt het een extra bewijs dat de Israėlitische koning Jehu werkelijk heeft
bestaan. Een krachtige bevestiging van Achabs omvangrijke bouwwerkzaamheden,
waaronder "het ivoren huis dat hij gebouwd heeft" (1Kon 22:39), wordt
aangetroffen in de te Samaria gevonden ruļnes.
Op de Mesasteen worden enkele van de gebeurtenissen verhaald die verband
houden met de opstand van koning Mesa tegen Israėl, hoewel het de versie van
de Moabitische monarch is (2Kon 3:4, 5). Deze alfabetische inscriptie bevat
ook het Tetragrammaton.
De naam Pekah komt voor in annalen die aan Tiglath-Pileser III worden
toegeschreven (2Kon 15:27). De veldtocht van Tiglath-Pileser III tegen
Israėl wordt in zijn koninklijke annalen en in een Assyrische inscriptie op
een gebouw vermeld (2Kon 15:29). Ook de naam Hosea kon uit inscripties die
over de veldtocht van Tiglath-Pileser handelen, ontcijferd worden. - 2Kon
15:30; Ancient Near Eastern Texts, onder redactie van J. B. Pritchard, 1974,
blz. 282-284.
Van sommige door de Assyrische koning Sanherib gevoerde oorlogen wordt in
zijn annalen melding gemaakt, maar er wordt met geen woord gerept over de
door een engel toegebrachte vernietiging van zijn uit 185.000 man bestaande
leger toen het Jeruzalem bedreigde (2Kon 19:35). Wij hoeven trouwens niet te
verwachten in zijn annalen, waarin hij een zeer pocherige toon aanslaat, een
verslag over deze verpletterende nederlaag aan te treffen. Een opmerkelijke
archeologische bevestiging van wat tot slot in de boeken Koningen wordt
gezegd, leveren de in Babylon opgegraven spijkerschrifttabletten, die te
kennen geven dat Ja´ukinu (Jojachin) zich in Babylon in gevangenschap bevond
en vermelden dat hij een toegewezen deel ontving dat uit de koninklijke
schatkist werd betaald. - 2Kon 25:30; Ancient Near Eastern Texts, blz. 308.
>>> ...bij het beschouwen van feiten die de bijbel lijnrecht tegen-
>>> spreken. Zoals een bevolking van Judea die ten tijde van het
>>> grote rijk van Salomo niet groter dan pak hem beet 2500
>>> mensen was.
>>> Wat ik zeg is archeologisch ondersteund. ..<knip>..
>>Je moet je maar durven, om dit te beweren............!
> Kijk, als je denkt dat ik zelf heb zitten spitten in de grond van
> Judea, heb je natuurlijk gelijk. Dat besteed ik uit :-)
Je bedoelt; diepgravend onderzoek is leuk, maar liefst niet al te
letterlijk. Vooral niet als de temperatuur boven de 35' uitkomt.
Archeologie zal gerust wel een opwindende bezigheid zijn, maar persoonlijk
geef ik er ook de voorkeur aan vanuit m'n stoel de conclusies te lezen. Da's
15 minuten met een koel biertje i.p.v 15 jaar en emmers zweet.
Ik bedoelde uiteraard niet dat ik van jou verwacht daar zelf aan het wroeten
te zijn geweest. Wat ik bedoelde was de stelligheid van je bewering die op
minstens 3 allerminst vaststaande feiten berust;
a) de jaartelling uit het OT klopt.
b) de jaartelling op basis van de Egyptische chronologie klopt.
c) de archeologische vondsten impliceren slechts de aanwezigheid van 'pak
hem beet 2500 mensen' te dien tijde.
Ik heb geen idee waar je dat laatste op baseert, maar een archeoloog die dat
beweert wantrouw ik al op voorhand, puur op basis van common sense. Als je
nu eens de archeoloog noemt die dat stelt, kan ik mogelijk zelf zijn
gevonden feiten, argumentatie en conclusies beoordelen.
michiel
Gompie, Jan houdt zich nu ook al bezig met alfa-vakken!
>Ik bedoelde uiteraard niet dat ik van jou verwacht daar zelf aan het wroeten
>te zijn geweest. Wat ik bedoelde was de stelligheid van je bewering die op
>minstens 3 allerminst vaststaande feiten berust.
Ik raad je aan het boek van de onvolprezen Thomas L. Thompson er op na
te slaan: "the bible in history".
--
Job
>> Nee, bij het beschouwen van feiten die de bijbel lijnrecht
>> tegenspreken. Zoals een bevolking van Judea die ten tijde van het
>> grote rijk van Salomo niet groter dan pak hem beet 2500 mensen was.
>> Analyse van de economie van die tijd die uitsluit dat er überhaupt een
>> staat Israel was, laat staan dat dat een groot rijk was.
>Kijk nu creeer je je eigen mythe. Je zegt dat het rijk van Salomo niet
>groter dan 'pak en beet' 2500 mensen was.
Ik had "het grote rijk van salomo" tussen aanhalingstekens moeten
zetten. Ik denk dat er geen rijk van salomo was.
>Bestaat het rijk van Salomo dan?
Nee. Er waren alleen wat versterkte dorpjes en locale stamhoofden.
Soort Afghanistan.
>Waarop baseer je 2500 mensen?
Archeologisch onderzoek. Zie mijn laatste mail aan Michiel.
>> Wat ik zeg is archeologisch ondersteund. Wat in de bijbel staat
>> grotendeels niet. Als je je. zoals ik, interesseert voor de
>> geschiedenis van het midden-oosten, heb je weinig aan de bijbel. Je
>> zult onafhankelijk van de bijbel een geschiedenis moeten
>> reconstrueren. Als je dat doet, ziet het er heel anders uit dan
>> wanneer je de bijbel als geschiedenis opvat.
>Op welk archeologisch 'feit' is het gebaseerd dat het rijk van Salomo 2500
>mensen bevatte?
Er was geen rijk van salomo, dat is wat ik beweer.
>> >Dat is preken van een ander evangelie, van een ander geloof zogezegd,
>want
>> >je moet maar geloven dat wat zij zeggen waar is.
>> >Immers, zij hebben door de absentie alleen maar een theorie.
>>
>> Dat is waar, ik zal ook nooit iets anders beweren dan dat. Als ik zeg:
>> dit en dit is zo, en het gaat over geschiedenis, dan is het
>> vanzelfsprekend een theorie.
>Ok, theorie, mythe.....
Daar is een enorm verschil tussen. Misschien niet voor gelovigen, dat
zou kunnen natuurlijk.
>> >In de rechtspraak is het zo dat je niet schuldig bent tot het delict
>bewezen
>> >is, dus ik geef de Bijbel-critici hierbij de kans om aan te tonen dat
>bijv.
>> >Salomo niet bestaan heeft met feiten.
>> En ik ga er van uit dat er een brood in een baan om Jupiter draait en
>> volgens deze redenering moet jij maar eens bewijzen dat het niet zo
>> is.
>Nee, dat is beweren dat iets bestaat. Jij beweert dat iets -niet- bestaat
>met stelligheid. Zonder andere mogelijkheden open te laten.
Ik gebruik met dat brood precies dezelfde redenering als mensen die
een rijk van salomo postuleren, reken nog maar eens na. Omkeren van de
bewijslast heet dat. Ons rechtssysteem is niet gebaseerd op
wetenschappelijke principes. De verschrikkelijkheid van het onterecht
veroordelen van een verdachte leidt er vanzelf toe om te stellen dat
iemand onschuldig is zolang het tegendeel niet is bewezen. In de
wetenschap is zo'n principe niet toepasbaar. Uitkomsten van
wetenschappelijk onderzoek mogen niet worden beïnvloed door de
wenselijkheid van de uitkomst.
>> >Een tegenfeit: bijbel-critici beweerden lang dat de assyrische heerser
>> >Sargon niet bestond, omdat zijn naam zich alleen maar in de Bijbel bevond
>en
>> >men extern geen bewijs voor zijn bestaan in de regeringsgeschiedenissen
>vond
>> >die tot dan opgegraven waren.
>> >Tot men op een gegeven moment een zaal ontsloot waar een zegetocht op de
>> >muur was geschilderd van de heerser Sargon.
>> >Toen had men het gegeven voor zichzelf bevestigd.
>>
>> Interessant, deze Sargon. Er zijn er meerdere geweest. Ik ga even
>> zoeken en kom binnenkort met een interessante inscriptie hierover.
>
>Tja zoals andere heersers Willem I, Willem II, Willem III, waren er ook
>enkele Sargons.
Zie mijn nieuwe post over Sargon.
>> >Nu zegt men: Salomo heeft niet bestaan. Morgen komt er bij het graven wat
>> >boven. Wat dan? Dan David op de korrel? Dan Rehabeam?
>> >How far will you go?
>>
>> Allemaal mythe tot we bewijzen hebben.
>Dus maar niet openhouden dat ze wel bestaan hebben.
Kennelijk moet ik er voor jou wel telkens bijzetten dat het mijn
mening is of een theorie... maar dat is wel te automatiseren denk ik.
>Je manouvreert je bij
>voorbaat al 1 van de 3 hokjes.
Zie boven.
>Motivatie?
n.v.t.
--
Job
> "J. J. Lodder" <nos...@de-ster.demon.nl> schreef in bericht
> news:1f3fbj9.4i...@de-ster.demon.nl...
> > J.J. Holtorf <j.ho...@home.nl> wrote:
>
> > Indicaties die -alleen- in de bijbel staan
> > zijn -nooit- voldoende
> > om van een historische gebeurtenis te spreken.
>
> Voor mensen die louter in evolutie en toeval geloven zal dit zo kunnen zijn.
Irrelevant.
[snip meer irrelevantia]
Je zou gewoon kunnen zeggen
dat jij er een andere betekenis van de term
'historische gebeurtenis' op na houdt,
Jan
"Job ter Haar" <kan...@JobGeenTerSpamHaar.com> schreef in bericht
news:8esCPJnHPOvdrSZ=q+tPDyaxbHz=@4ax.com...
> On Mon, 26 Nov 2001 18:30:42 GMT, "oving" <ov...@wxs.nl> wrote:
>
> Ik had "het grote rijk van salomo" tussen aanhalingstekens moeten
> zetten. Ik denk dat er geen rijk van salomo was.
>
> >Bestaat het rijk van Salomo dan?
>
> Nee. Er waren alleen wat versterkte dorpjes en locale stamhoofden.
> Soort Afghanistan.
Ik zie dat je er zelf bij was en betrouwbare bronnen gebruikt. Hoe oud ben
je eigenlijk?
Trouwens Afghanistan bevat miljoenen mensen. Zoveel miljoen mensen op zo'n
kleine oppervlakte als Israel.
Goede vergelijking? Lijkt me toch een florerend land dan, want in onze tijd
wonen er nog niet zoveel mensen in Israel als dat er in Afghanistan
wonen/woonden (tijdelijk zijn er wat vertrokken).
> >Waarop baseer je 2500 mensen?
>
> Archeologisch onderzoek. Zie mijn laatste mail aan Michiel.
Cirkelredenering. Je kunt blijven verwijzen wat je wil maar jouw
beredenering bestaat alleen in je eigen mythe.
> >Op welk archeologisch 'feit' is het gebaseerd dat het rijk van Salomo
2500
> >mensen bevatte?
>
> Er was geen rijk van salomo, dat is wat ik beweer.
Dus is het de ene keer zus en de andere keer zo. Het kan verkeren.
> >Ok, theorie, mythe.....
>
> Daar is een enorm verschil tussen. Misschien niet voor gelovigen, dat
> zou kunnen natuurlijk.
Ik zou je geen ongelovige van je eigen mythe durven noemen. Ik zou niet
durven.
> Uitkomsten van
> wetenschappelijk onderzoek mogen niet worden beïnvloed door de
> wenselijkheid van de uitkomst.
Er is geen wetenschappelijk onderzoek, immers er is gebrek eraan. Maar je
wenst wel dat dit of dat niet zo is.
Wie beinvloed er hier wie? Dring je niet teveel je eigen geloof in de mythe
aan anderen op?
Oving.
The book lacks references. Oftewel geen tot weinig referenties. Er is sprake
van provocatie, of juist die stellingen ter sprake brengen die provoceren.
Als je op dat 'paard' wed, red je het niet.
"Job ter Haar" <kan...@JobGeenTerSpamHaar.com> schreef in bericht
news:KOoCPJW32B3gl4...@4ax.com...
>
>Onvolprezen :-)
>Tell me a joke
>
>The book lacks references. Oftewel geen tot weinig referenties. Er is sprake
>van provocatie, of juist die stellingen ter sprake brengen die provoceren.
>
>Als je op dat 'paard' wed, red je het niet.
Heb je het zelf gelezen?
--
Job
>> Nee. Er waren alleen wat versterkte dorpjes en locale stamhoofden.
>> Soort Afghanistan.
>Ik zie dat je er zelf bij was en betrouwbare bronnen gebruikt. Hoe oud ben
>je eigenlijk?
ongeveer 4000 jaar maar een mens raakt op een gegeven moment de tel
kwijt.
>Trouwens Afghanistan bevat miljoenen mensen. Zoveel miljoen mensen op zo'n
>kleine oppervlakte als Israel.
>Goede vergelijking? Lijkt me toch een florerend land dan, want in onze tijd
>wonen er nog niet zoveel mensen in Israel als dat er in Afghanistan
>wonen/woonden (tijdelijk zijn er wat vertrokken).
Het was een z.g. grap, niet zo'n goeie geef ik graag toe.
>> Er was geen rijk van salomo, dat is wat ik beweer.
>
>Dus is het de ene keer zus en de andere keer zo. Het kan verkeren.
Ik heb je toch al uitgelegd dat ik "het rijk van salomo" de eerste
keer tussen aanhalingstekens had moeten zetten. Ik kan dat wel een
paar keer herhalen hoor, als dat het doordringen vergemakkelijkt. Moet
ook te automatiseren zijn :-)
>> >Ok, theorie, mythe.....
>>
>> Daar is een enorm verschil tussen. Misschien niet voor gelovigen, dat
>> zou kunnen natuurlijk.
>
>Ik zou je geen ongelovige van je eigen mythe durven noemen. Ik zou niet
>durven.
>
>> Uitkomsten van
>> wetenschappelijk onderzoek mogen niet worden beïnvloed door de
>> wenselijkheid van de uitkomst.
>
>Er is geen wetenschappelijk onderzoek, immers er is gebrek eraan.
Het kan meer, maar reken maar dat er wel degelijk wetenschappelijk
onderzoek is over de historie van Palestina. En dat wordt tijd ook,
zolang er nog mensen territorium claimen aan de hand van een
sprookjesboek.
>Maar je
>wenst wel dat dit of dat niet zo is.
>Wie beinvloed er hier wie? Dring je niet teveel je eigen geloof in de mythe
>aan anderen op?
Niemand hoeft mijn posts te lezen hoor.
--
Job
"Job ter Haar" <kan...@JobGeenTerSpamHaar.com> schreef in bericht
news:MQkEPI3xPN4LHzyobAQr5dbUCi0=@4ax.com...
Ik hoef niet alle fiction te hebben gelezen om te onderscheiden wat fiction
is en wat niet.
Het zal best lekker weglezen maar een historische roman is wat anders dan
een rapport van een archeologisch onderzoek.
De man mixt historie en fictie lekker door elkaar en voor de genieter bied
hij daarvan een cocktail aan.
Geniet met mate zou ik zeggen, maar neem het met een korrel zout.
Boekbesprekingen geven aan dat het een minimalist is. Maximalisten zijn weer
het andere uiterste.
Blijf ze vooral sceptisch bekijken maar bekeer je niet tot hun geloof. Het
zijn profeten van hun eigen boodschap.
Oving.
"Job ter Haar" <kan...@JobGeenTerSpamHaar.com> schreef in bericht
news:ZgkEPHb6Kuwekf...@4ax.com...
> On Tue, 27 Nov 2001 21:26:30 GMT, "oving" <ov...@wxs.nl> wrote:
>
> >Ik zie dat je er zelf bij was en betrouwbare bronnen gebruikt. Hoe oud
ben
> >je eigenlijk?
> ongeveer 4000 jaar maar een mens raakt op een gegeven moment de tel
> kwijt.
:-)
> >> Uitkomsten van
> >> wetenschappelijk onderzoek mogen niet worden beďnvloed door de
> >> wenselijkheid van de uitkomst.
> >
> >Er is geen wetenschappelijk onderzoek, immers er is gebrek eraan.
>
> Het kan meer, maar reken maar dat er wel degelijk wetenschappelijk
> onderzoek is over de historie van Palestina. En dat wordt tijd ook,
> zolang er nog mensen territorium claimen aan de hand van een
> sprookjesboek.
Thomsons boek bedoel je?
De reden dat er weinig degelijk archeologisch onderzoek gedaan kan worden in
Jeruzalem ligt voor de hand.
Het is geen excuus maar realiteit dat door diverse bebouwingen en zgn.
'heilige' plaatsen er nog maar sporadisch iets is opgeduikeld uit de tijd
van Salomo bijv. Vraag maar aan een archeoloog hoe moeizaam het is (geweest)
om in Jeruzalem onderzoek te doen in de bodem.
Ik quote:
"When the current conditions for excavation in Jerusalem and the complexity
of occupational deposition are considered, it is not so unusual that there
is little evidence of Davidic and Solomonic Jerusalem. The area of the
citadel of the City of David is currently beneath private homes; therefore
very little excavation has been done. Similarly, the Temple Mount covers the
site of the Solomonic Temple, where it is impossible for religious and
political reasons to conduct even an archaeological survey.
Two factors in occupational deposition are important to consider: first of
all, in hilly regions like Jerusalem, it is most practical to remove the
earlier construction phases and debris down to bedrock when building new
structures. Second, uninterrupted settlement (from the tenth to the early
sixth centuries B.C.E.) leaves less of an archaeological footprint than
would a period of destruction or invasion (Na'aman 1996: 19), so it is
understandable that there would be less data from this period."
http://www.mediasense.com/athena/jerusalem.htm
Trouwens zijn vader (David) is wel getraceerd op de Tel Dan inscriptie, maar
die kende je zeker al?
Oving
>Ik hoef niet alle fiction te hebben gelezen om te onderscheiden wat fiction
>is en wat niet.
Je hebt het dus niet gelezen.
>Het zal best lekker weglezen maar een historische roman is wat anders dan
>een rapport van een archeologisch onderzoek.
Wat brengt jou op het idee dat het een historische roman zou zijn?
>De man mixt historie en fictie lekker door elkaar en voor de genieter bied
>hij daarvan een cocktail aan.
>Geniet met mate zou ik zeggen, maar neem het met een korrel zout.
>Boekbesprekingen geven aan dat het een minimalist is.
Welke boekbesprekingen? Bronnen?
En waarom geloof je die boekbesprekingen? Ik kan ook een hele leuke
boekbespreking over de bijbel schrijven hoor en die op internet
zetten.
--
Job
>> Het kan meer, maar reken maar dat er wel degelijk wetenschappelijk
>> onderzoek is over de historie van Palestina. En dat wordt tijd ook,
>> zolang er nog mensen territorium claimen aan de hand van een
>> sprookjesboek.
>Thomsons boek bedoel je?
:-)
>De reden dat er weinig degelijk archeologisch onderzoek gedaan kan worden in
>Jeruzalem ligt voor de hand.
>Het is geen excuus maar realiteit dat door diverse bebouwingen en zgn.
>'heilige' plaatsen er nog maar sporadisch iets is opgeduikeld uit de tijd
>van Salomo bijv. Vraag maar aan een archeoloog hoe moeizaam het is (geweest)
>om in Jeruzalem onderzoek te doen in de bodem.
>Ik quote:
<knip>
Het Jeruzalem uit de 2e ijzertijd is het vroegste Jeruzalem waar we
wat van over hebben. Dat is opgegraven voor de 1969 oorlog. Daarbij
werden geen sporen gevonden van oudere bewoning.
>Trouwens zijn vader (David) is wel getraceerd op de Tel Dan inscriptie, maar
>die kende je zeker al?
Ja en ik heb het er hier ook al over gehad. Met de tekst: "... k
bytdwd" (omgezet)
Christenen juichten toen dit in 1993 werd opgegraven: eindelijk
"bewijs" voor het bestaan van Koning David! het enthousiasme verstomde
enigszins toen foto's van de tekst werden gepubliceerd. Zo duidelijk
is het allemaal niet voor iemand die niet over een nacht ijs gaat.
De datering van de tekst is nog steeds onderwerp van discussie,
sommigen dateren de inscriptie niet uit de 9e eeuw maar uit de 7e. Het
zijn details, maar toch.
Verder is het giswerk om er van uit te gaan dat er "melek" staat als
je alleen een k hebt. Niets zegt ook dat bytdwd ook maar iets met
Judea of jerusalem te maken heeft. ALS dwd al op een persoon met naam
David slaat, kan dat ook een warlord gevestigd te Tel Dan zijn
geweest.
Er is ook veel om te doen wat dit "bytdwd" betekent maar om een lang
en gecompliceerd verhaal kort te maken wil ik hier volstaan met twee
mogelijkheden: "huis van David" en "tempel van de Verhevene".
Let wel: zelfs met een "huis van David" hebben we nog geen koning
David geïdentificeerd. Maar fantasie hebben gelovigen genoeg op dit
terrein dus wat mij betreft geloven alle christenen braaf dat deze
stele het bestaan van Koning David bewijst. Er zijn nog veel gekkere
dingen die ze geloven op grond van nog veel minder bewijsmateriaal,
dus wat zeuren we nou?
--
Job
http://groups.yahoo.com/group/NewChronology
http://groups.yahoo.com/group/NewChronology2