Google Groups no longer supports new Usenet posts or subscriptions. Historical content remains viewable.
Dismiss

Olieboycot 1973, de echte cijfers

29 views
Skip to first unread message

Willem-Jan Markerink

unread,
Nov 2, 2005, 6:45:30 PM11/2/05
to
Omdat er her en der blijkbaar nog steeds oliedomme lieden rondlopen met
oogkleppen, even onder eigen subject:

http://www.fnv.net/host/industriebond/olieboycot.html
xxxxxxxxxxxxx
De Oliecrisis van 1973/1974

Olieboycot

Donkere wolken boven de Rijnmond? Op 6 oktober 1973 vielen Egyptische en
Syrische troepen Israël binnen (Yom Kippur-oorlog). Aanvankelijk met
succes, maar op 15 oktober keerden de kansen. De Arabische landen hadden
nog een wapen waarmee ze Israël en de halve wereld onder druk konden
zetten: beperking van de verkoop van ruwe aardolie (crude). Een groot deel
van de wereld was afhankelijk van de invoer van Arabische olie. Ook de
Verenigde Staten was sinds 1970, door een sterk stijgende binnenlandse
vraag, meer op de internationale oliemarkt aangewezen. Voor de inval in
Israël, in begin 1973, eisten de olieproducerende landen (OPEC) al een
verdubbeling van de olieprijs. De oliemaatschappijen, die de olie afnamen,
vonden dat te hoog. Er kwam geen overeenstemming. Maar dat de prijzen sterk
zouden stijgen stond voor de oliemaatschappijen voor de inval al vast.

OPEC-conferentie Wenen 16-17 maart 1973De OAPEC (de vereniging van alleen
Arabische olieproducerende en -exporterende landen) besloot op 18 oktober
1973, na de inval in Israël, om zonder overeenstemming met de
oliemaatschappijen de olieprijs met 70% te verhogen. Bovendien werd
besloten om de productie van ruwe olie met telkens 5% per maand te
verminderen: 'Totdat Israël zich uit alle bezette Arabische gebieden heeft
teruggetrokken en de rechten van het Palestijnse volk in ere zijn
hersteld'. 'Landen die de Arabische zaak steunen' kregen een speciale
voorkeursbehandeling. Op 19 oktober 1973 zei president Nixon van de
Verenigde Staten (USA) aan Israël omvangrijke militaire steun toe. Dat was
voor Libië, Abu Dhabi, gevolgd door Saoedi-Arabië, de belangrijkste
olieproducent in het Midden-Oosten, reden om twee dagen later alle
olieleveranties aan de Verenigde Staten stop te zetten. De olieboycot was
een feit. Ook Nederland werd getroffen. Algerije besloot op 20 oktober 1973
tot een volledig stopzetting van de olietoevoer aan Nederland, gevolgd door
Koeweit en nog 6 andere Arabische landen. Saoedi-Arabië deed dat op 30
oktober. Voor het Botlek/Europoortgebied waar vijf olieraffinaderijen waren
gevestigd leek de boycot een catastrofe: 54% van de Nederlandse olieaanvoer
kwam uit Saoedi-Arabië en Koeweit.

Nederland raakte niet direct in paniek. Arabische landen waren het immers
onderling nooit eens en volgens de Nederlandse regering berustte de boycot
tegen Nederland op een vergissing. Op 4 november 1973 verminderde de OAPEC
de olieproductie met nog eens 25% extra. Dat zou, volgens de Nederlandse
regering, tot 80.000 werklozen leiden. Het gemeentelijke Havenbedrijf van
Rotterdam dacht, dat de boycot diep in zou grijpen in het havenverkeer. Het
dagblad De Telegraaf voorspelde 65.000 werklozen in de bouw. De Bovag (de
bond van garagehouders) verwachtte 18.000 werklozen in de autobranche en de
Volkskrant had het over 55.000 werklozen. De vooruitzichten waren slecht.
Ook de oliemaatschappijen zagen het somber in.

Minister-president Den Uyl drong er bij werkgevers en vakbonden sterk op
aan om voor 1974 een centraal akkoord af te sluiten. De werkgevers- en
werknemersorganisaties in de Stichting van de Arbeid (het overlegorgaan van
werkgevers- en werknemersbonden) waren daartoe bereid. Op 5 november 1973
sloten zij een principeakkoord. De achterban van de werkgevers draaide het
principeakkoord echter de nek om. Zowel de leden van het VNO (Vereniging
van Nederlandse Ondernemingen) als de NCW (Nederlandse Christelijke
Werkgevers) wezen het principeakkoord af. De werkgevers wilden blijkbaar
uit de oliecrisis een slaatje slaan. Dat was volgens de toenmalige
voorzitter van het NVV, Wim Kok (de latere minister-president), kennelijk
hun motief. Den Uyl wilde tijdens de crisis geen arbeidsonrust en kondigde
de z.g. machtigingswet arbeidsvoorwaarden 1974 af.

Zelf nam de regering een aantal bezuinigingsmaatregelen. Via een grote
advertentiecampagne 'verwarming lager en gordijnen dicht' bewoog ze de
burgers op energie te besparen en de benzine moest op de bon. Minister
R.F.M. Lubbers van Economische Zaken dacht de campagne niet zelf te kunnen
ontwikkelen. Het ministerie had daarvoor te weinig kennis in huis. De
oliemaatschappijen hadden die kennis wel. Op 9 oktober 1973 overlegde
minister Lubbers met mensen van negen oliemaatschappijen, waaronder B.
Davidzon van Shell, L.B.P. van Noordwijk van Chevron en A.J. Spoor van
Esso. De oliemaatschappijen wilden wel meewerken, maar stelden twee harde
voorwaarden: voorafgaande aan de advertentiecampagne moest minister Lubbers
op de tv een toespraak houden; het mocht geen campagne van de
oliemaatschappijen lijken. En de Gasunie en de elektriciteitsmaatschappijen
moesten meewerken aan de bezuinigingen. Er mocht geen 'oneerlijke'
concurrentie en geen marktverschuiving plaatsvinden tussen energiedragers
als, olie, gas, kolen, enz. De regering ging akkoord. Het was een raar
verbond: concurrenten, producenten van olieproducten, werkten nauw samen om
hun klanten te vragen minder van hun producten af te nemen. Maar zo raar
als het leek was het niet. Een daling van de vraag naar olieproducten
verminderde ook de vraag naar ruwe aardolie. Dat zou een verlagend effect
hebben op de prijs van ruwe aardolie en door de schaarste aan
olieproducten, die door de oliemaatschappijen werden geproduceerd, zouden
die producten in prijs stijgen. Voor de oliemaatschappijen, als afnemer van
ruwe olie en als leverancier van olieproducten, sneed het mes aan twee
kanten.

Bezuinigen op energie was voor de oliemaatschappijen geen nieuw idee. Voor
de oliecrisis waren ze zelf al met een bezuinigingscampagne begonnen onder
de dreiging van een verdubbeling van de olieprijs. Ze wilden er de OPEC mee
treffen en het voorkomen van een gigantische stijging van de olieprijs. Aan
het bureau Mc.Cann-Erickson hadden ze opdracht gegeven voor het ontwikkelen
van een bezuinigingsplan. Al begin 1973 werden aan de benzinepompen geen
omzet bevorderende reclameacties meer gevoerd: de gratis geschenken waren
verdwenen. Behalve bij Aral, die andere (Arabische) belangen had. De
blauwdruk lag al klaar. Het kostte de oliemaatschappijen weinig moeite om
minister Lubbers te overtuigen om juist het bureau Mc. Cann-Erickson in te
schakelen. Het bureau Mc. Cann richtte de bezuinigingscampagne op de
consument. De chefvoorlichter Francot, van bureau Mc. Cann, deed
demonstratief op 25 oktober 1973 op de kamer van Lubbers het licht uit. Ook
bij daglicht kon er gewerkt worden. Bij Lubbers ging er een lichtje
branden. Hij stuurde zijn collega-ministers een missive om kritisch met
kunstlicht om te gaan.

JUISTE CIJFERS.

olieveldHet verontrustte het team van de Industriebond NVV in Rotterdam,
dat de effecten van de oliecrisis vooral bij de werkgelegenheid werden
gelegd. Dat gaf een neerwaartse druk op de lonen. Zij waren niet zo
overtuigd van al die onheil voorspellende berichten over olietekorten en
een daarmee samenhangende werkloosheid. Ze wilden weten wat er werkelijk
aan de hand was. De kaderleden bij de olieraffinaderijen en de chemische
industrie konden de olieaanvoer en de olieverwerking gemakkelijk volgen.
Bij Shell-Europoort en bij andere oliemaatschappijen, werd de aanvoer van
ruwe olie op z.g. botenlijsten bijgehouden. Op planningslijsten werd
vermeld, waar de ruwe olie vandaan kwam, hoeveel er binnenkwam, welke
maatschappij het had aangekocht, tot welke producten de olie zou worden
verwerkt of naar wie ze werd doorgevoerd. Ze kenden de cijfers van de
werkelijke aanvoer, opslag, verwerking, doorvoer en afzet van ruwe olie en
olieproducten. De Industriebond NVV had een aardig totaal overzicht.

Bij Shell en bij de andere oliemaatschappijen waren de opslagtanks van ruwe
olie vol. Ze hadden er immers al rekening mee gehouden, dat de prijs van
ruwe aardolie exorbitant zou stijgen. Al voor de crisis werden de
opslagtanks met zoveel mogelijk nog goedkope olie gevuld. In de maanden
voor de sterke prijsstijging en de boycot was er een grote aanvoer van ruwe
aardolie. De schaarste aan olieproducten, zoals benzine, werd door de
oliemaatschappijen zelf veroorzaakt. Zij hielden er rekening mee, dat na de
prijsstijging van aardolie, ook de prijs van olieproducten (hun
afzetproduct) zou stijgen. Ze klaagden over lage prijzen voor olieproducten
(benzine, nafta, ethyleen, enz.) en over de hoge vervoerskosten: stookolie
voor tankers. Hun zorg betrof de winstmarge.

De werkelijkheid was anders dan de oliemaatschappijen aan de overheid
lieten weten. Een vermindering van de aanvoer kon niet eerder dan 5 á 6
weken na het instellen van de boycot merkbaar zijn: de tijd die olietankers
nodig hadden om na belading hun bestemming te bereiken. De kapiteins van de
olietankers ontvingen hun bestemming soms pas in volle zee en die kon later
nog gewijzigd worden. Voor de Arabische landen was het moeilijk om de
bestemming van de schepen te controleren. Chevron Petroleum Maatschappij
Nederland ving de stagnerende aanvoer uit Saoedi-Arabië (80 % van hun
aanvoer) en uit Libië (10% van hun aanvoer) op door een grotere aanvoer uit
andere landen. Voor andere oliemaatschappijen, die minder afhankelijk waren
van Saoedi-Arabië en Koeweit, zoals Shell, Esso, BP en Gulf, was het
gemakkelijker om te switchen. Zij hadden meer raffinaderijen in Europa. In
februari 1974 kwam er minder ruwe olie uit Saoedi-Arabië en Koeweit, maar
meer uit andere olielanden. Van een verminderde productie was nauwelijks
sprake: ook niet in de chemische industrie. In de chemische industrie werd
flink gehamsterd: de voorraadtanks zaten vol. De naftakrakers bij Shell-
Moerdijk produceerden zoveel ethyleen dat bij gebrek aan opslagruimte de
ethyleenproductie van 16,5 ton/h naar 14 ton/h moest worden teruggebracht.

SPREEKVERBOD

De Industriebond NVV in Rotterdam maakte geen geheim van hun kennis over de
werkelijke cijfers van aanvoer, opslag en verwerking van ruwe olie en
olieproducten. Ze probeerde ermee de druk op de inkomenspositie van de
werknemers te verminderen. Ab Schravemade, districtshoofd, nam geen blad
voor de mond. Naast de informatie van de kaderleden beschikte hij tevens
over informatie van bestuurslid Oskam van de NOVOK (de vereniging van
oliehandelaren). De pers, dag- en weekbladen radio en tv, namen de cijfers
van de Industriebond gretig over. Ze verschilden van de officiële cijfers
van de overheid en van de oliemaatschappijen en waren veel minder
verontrustend. De overheid kreeg haar gegevens van oliemaatschappijen die
belang hadden bij een somber beeld. Het verschil tussen die cijfers was
voor veel mensen verwarrend en het wekte bij de mensen, die de
oliemaatschappijen als 'redder in de nood zagen', irritatie.

Het kabinet Den UylOok het bondsbestuur van de Industriebond NVV waardeerde
de vele publiciteit uit het district Rotterdam maar matig. Ze vond dat
openbare uitspraken over een zo ingrijpende en belangrijke landelijke zaak
tot de competentie van het bondsbestuur behoorde. Arie Groenevelt,
voorzitter van de Industriebond NVV, was ontstemd over de publieke
uitspraken van Schravemade. Met zijn uitspraken verraste Schravemade het
hoofdbestuur. Groenevelt verbood op 22 januari 1974 Ab Schravemade om
verder met de pers te praten en dreigde: 'Als zich in de toekomst opnieuw
gevallen zouden voordoen, was het bondsbestuur genoodzaakt scherpe
maatregelen te treffen'. Kort daarna kreeg het hele Rotterdamse team een
spreekverbod. Het bondsbestuur wilde voorkomen dat andere teamleden met de
pers zouden praten: 'Ook Piet Scheele (districtbestuurder en onderhandelaar
in de olie- en chemische industrie in Rotterdam) was in de publiciteit'.
Het bondsbestuur vond dat ze onvoldoende op de hoogte werd gehouden en dat
er geen rekening werd gehouden met politiek-strategische consequenties: 'de
vakbeweging had er geen belang bij om de poten onder de stoel van het
kabinet-Den Uyl weg te zagen'. Ze twijfelde niet aan de intentie van de
berichtgeving en aan de juistheid van de cijfers, maar het bondsbestuur,
dat door de kritiek uit regeringskringen, politieke partijen en vakbonden
in een verdedigende rol werd geduwd, wilde invloed hebben op de uitspraken.

De regering Den Uyl was evenmin blij met het openbaar maken van de cijfers.
Den Uyl, voorstander van een gezamenlijke energiepolitiek van de negen
lidstaten in de EEG, werd door de olieboycot in Europa in een geïsoleerde
positie gedrongen. Als enige van de lidstaten werd Nederland door de
Arabische landen geboycot. De andere lidstaten hadden slechts met een
productiebeperking van 5% te maken. Dat verschil werd groter, toen de
Arabische landen op 18 november 1973 aan Frankrijk en Engeland geen verdere
reductie oplegden. Later werden ze zelfs tot 'bevoorrechte landen'
verklaard waarvoor geen oliebeperking golden. Van een gezamenlijke Europese
energiepolitiek kwam onder de oliecrisis weinig terecht. Nederland stond
binnen de EEG alleen. Willie Brandt, de toenmalige bondskanselier van
Duitsland, vond in een op 26 november 1973 in Parijs gehouden vergadering
van de EEG wel, dat geen land aan zijn lot mocht worden overgelaten, maar
alleen Nederland werd door de olieboycot getroffen. Den Uyl waarschuwde,
dat een effectieve boycot van Nederland op korte termijn ook andere
lidstaten gevoelig kon treffen. Rotterdam fungeerde als doorvoerhaven voor
West-Europa. Nederland was bovendien een belangrijk producent en exporteur
van aardgas en olieproducten voor West-Europa. De Nederlandse gasexport
dekte voor 45% het gasverbruik in Duitsland en voor 40% in Frankrijk. Den
Uyl maakte duidelijk, dat een noodtoestand in Nederland ook gevolgen zou
hebben voor de export van gas en olieproducten naar de buurlanden. De
cijfers die de Industriebond NVV publiceerde gaven een veel minder somber
beeld.

DISTRIBUTIE VAN BENZINE

RaffinageEen van de voorstellen die de oliemaatschappijen aan minister
Lubbers deden, was een distributie van benzine. Doch de distributie via een
bonnensysteem werd geen succes. De oliemaatschappijen, die het advies voor
een distributie hadden gegeven, waren zelf de oorzaak van de mislukking. Op
31 december 1973 hadden de oliemaatschappijen en de oliehandel een
overgangsperiode van 9 dagen gekregen om de benzinestations nog te
bevoorraden zonder het innen van benzinebonnen. Pas daarna ging de
maatregel voor de verkoop op bonnen in. Automobilisten haalden al gauw
opgelucht adem toen bleek dat ze ook zonder bonnen konden tanken. De
kaderleden van de Industriebond NVV berichtten dat er voldoende voorraad
aan olieproducten (o.a. benzine) was. De oliemaatschappijen overdreven de
te verwachten schaarste sterk. Shell bevestigde het door te berichten, dat
in de periode van 23 november 1973 tot 11 januari 1974 de voorraad
olieproducten met 300.000 ton was toegenomen tot 5,8 miljoen ton in totaal.
De regering vroeg de oliemaatschappijen om ophelderingen. De
oliemaatschappijen schoven de schuld van het mislukken van de distributie
naar de benzinepomphouders. Maar voor een groot deel waren die volstrekt
afhankelijk van de oliemaatschappijen. Zelfs zelfstandige garagehouders,
die over een eigen benzinepomp beschikten, waren contractueel gebonden aan
een oliemaatschappij die de greep op de afzetmarkt van benzine stevig in
handen hield.

Nu de aanvoer van ruwe olie, ook volgens de oliemaatschappijen, sterk was
verbeterd, wilde minister Lubbers weten of distributie van benzine nog
nodig was. Op 22 januari 1974 liet minister Lubbers zich door
vertegenwoordigers van de 9 oliemaatschappijen in Nederland adviseren. De
oliemaatschappijen hielden hun waarschuwing voor een dreigend tekort aan
benzine en grondstoffen voor de chemische industrie echter staande. Zij
hadden belang bij schaarste en de hogere prijzen die daar het gevolg van
was. Ze adviseerden een nieuw pakket van maatregelen, waaronder een
snelheidsbeperking en een autoloze dag per week of per twee weken. Zo
kwamen de autoloze zondagen begin 1974 tot stand.

De minister, die onder de indruk was gekomen van de gegevens waarover de
Industriebond NVV beschikte, wilde nu ook weten wat de Industriebond NVV in
Rotterdam over de schaarste dacht. Hij vroeg hun visie over de oliesituatie
en dezelfde avond hadden Ab Schravemade en Piet Scheele een gesprek met de
directeur-generaal van Economische Zaken, mr. Engels. Volgens de gegevens
van de Industriebond NVV waren de voorraadtanks voor benzine bij een weer
stijgende olieaanvoer goed gevuld. Dat had Schravemade al diezelfde dag in
een uitvoerig interview verteld aan Chiel Brijet, correspondent van het ANP
in Rotterdam,. De volgende dag citeerden alle landelijke en regionale
bladen de uitspraken van Schravemade. Het bondsbestuur was woedend toen
daarna bleek dat door de Rotterdamse bestuurders de avond ervoor een
gesprek met het Ministerie van Economische Zaken was gevoerd zonder overleg
vooraf met het bondsbestuur. Het deed de maat overlopen. Het bondsbestuur
gaf Schravemade op 24 januari 1974 een schriftelijke berisping met de
waarschuwing dat als het opnieuw zou gebeuren er zeer scherpe maatregelen
getroffen zouden worden.

Ja knikkerHet Havenbedrijf van de gemeente Rotterdam was ook niet zo blij
met de cijfers van de Industriebond NVV. Het gemeentebestuur maakte in een
perspublicatie op 25 januari 1974 bekend dat ze, 'er waarde aan hechtte om
de juiste cijfers over de aan- en afvoer van ruwe olie en aardolieproducten
sinds 1 oktober 1973 bekend te maken'. Maar 'hun juiste cijfers' klopten
niet. Het Havenbedrijf nam de maand oktober 1973 als uitgangspunt. Dat was
de laatste maand waarin nog goedkope aardolie kon worden aangevoerd. Volgen
het Havenbedrijf was de aanvoer van ruwe aardolie gedaald tot; in november
99,6%, in december 52,3% en in januari 1974 82,6% van die in oktober. Het
Havenbedrijf rekende zich arm. In werkelijkheid zaten de opslagtanks in
oktober en eind november barstens vol. De vermindering van de door het
Havenbedrijf berekende aanvoer had niets met de schaarste te maken maar
alles met de prijsverhoging. In de maand januari 1974 lag de aanvoer al
weer op ruim 82,6% van de topmaand oktober 1973. "De juiste cijfers" van de
gemeente Rotterdam waren "verneukeratief".

Officieel werd de olieboycot op 10 juli 1974 door de Arabische landen
beëindigd. De Nederlandse regering zou zijn pro-Israël houding in het
Midden-Oostenconflict hebben laten varen. Veel mensen hadden het gevoel dat
de oliewereld de boel had belazerd. In de Tweede Kamer gaf minister
Lubbers, bij de 'opening van zaken over de werkelijke situatie', in een
gesprek met Ab Schravemade, blijk van zijn waardering voor de cijfers van
de Industriebond NVV.

Piet Scheele.

mailto: psch...@chello.nl

naarboven

Of ga naar:
Fusie Shell-Brand Staking bij ICI Staking bij Shell Gezondheid bij Cyanamid
5-ploegendienst Aardgaswinsten Link
xxxxxxxxxxxxxx


--
Bye,

Willem-Jan Markerink

The desire to understand
is sometimes far less intelligent than
the inability to understand

<w.j.ma...@a1.nl>
[note: 'a-one' & 'en-el'!]

ejo

unread,
Nov 3, 2005, 3:04:26 AM11/3/05
to
Willem-Jan Markerink wrote:
> Omdat er her en der blijkbaar nog steeds oliedomme lieden rondlopen met
> oogkleppen, even onder eigen subject:

> [knip]

He WJ, maar jij had geen tekort aan olie in die luxe boot van de marine
waarbij jullie voor de kust mee patrouileerde. Veel meer hebben jullie
volgens mij ook niet gedaan dan een beetje op de meeuwen te lopen
knallen. Dit terwijl wij hier op de wal lagen te vernikkelen in de kou.

:-)

0 new messages