Dit is ook een hele interessant link:
http://www.ntvg.nl/publicatie/aids-een-beroepsrisico-voor-de-paramedische-beroepsgroepen/volledig/print
"
Gepubliceerd op: 02-12-1987 (in print verschenen in week 48 1987)
Citeer dit artikel als:
Ned Tijdschr Geneeskd. 1987;131:2183-6
Stand van zaken
Is AIDS een beroepsrisico voor de (para)medische beroepsgroepen?
H. Houweling
en
R.A. Coutinho
Zie ook de artikelen op bl. 2187 en 2188.
Met het voortschrijden van de AIDS-epidemie krijgt ook het beroepsrisico
steeds meer aandacht. Ook in Nederland hebben diverse organisaties van
werkers in de gezondheidszorg inmiddels adviezen uitgebracht voor de
preventie van infectie met het humane immunodeficiëntievirus (HIV) in de
praktijk. Omdat voor een juiste beoordeling en besluitvorming kennis van de
relevante epidemiologische literatuur onontbeerlijk is, volgt hier een korte
samenvatting.
OVERZICHT VAN DE LITERATUUR
AIDS onder gezondheidswerkers
Het risico van infectie met HIV voor gezondheidswerkers is in diverse
studies geanalyseerd. In de V.S. werden de 1875 gevallen van AIDS bij
gezondheidsmedewerkers per juli 1987 nader bestudeerd, 5,8 van het totaal
aantal patiënten. Op 87 na bleken allen ingedeeld te kunnen worden in één
van de bekende risicogroepen:
– in 16 gevallen kon in verband met overlijden of weigering om nader
ondervraagd te worden geen nadere informatie met betrekking tot
risicofactoren ingewonnen worden,
– 38 patiënten waren nog in onderzoek,
– van de overige 33 zonder bekende risicofactoren waren 5 artsen (van wie 3
chirurgen), 1 tandarts, 12 verpleegkundigen of verpleeghulpen, 7 leden van
de huishoudelijke dienst, 3 laboratoriummedewerkers, 1 oefentherapeut en 4
anderen die geen contact met patiënten hadden. Hoewel 15 van de 33 zich
prik- of snijverwondingen in de voorafgaande 10 jaren konden herinneren of
anderszins aan bloed of lichaamsvloeistoffen van patiënten waren
blootgesteld, betrof dit in geen enkel geval iemand van wie bekend was dat
hijzij seropositief was.1
Het risico van infectie
Het verplegen en behandelen van AIDS-patiënten houdt in het algemeen géén
verhoogd risico van infectie in.
– In het Mama Yemo-ziekenhuis te Kinshasa in Zaïre was van de artsen en de
verpleegkundigen, en van het administratief personeel en de handwerkers die
helemaal geen contact met patiënten hadden, een gelijk deel seropositief;
seksueel contact en bloedtransfusie waren hier de belangrijkste
risicofactoren.2
– In het San Francisco General Hospital, dat van het begin af aan
AIDS-patiënten in deze stad heeft behandeld, werden tussen december 1984 en
maart 1986 270 artsen, verpleegkundigen en andere ziekenhuiswerkers gevolgd.
De meerderheid van deze groep verzorgde of behandelde meer dan 2 jaar AIDS-
of ARC-patiënten, 18 werkte op gespecialiseerde AIDS-afdelingen en 35 was
bij elkaar 342 maal parenteraal blootgesteld geweest aan bloed van
HIV-positieve patiënten, deels via prikverwondingen en deels via besmetting
van slijmvliezen of wonden. Getoetst aan de aanbevelingen ter preventie van
infectie met HIV voor gezondheidswerkers bleek, dat 44 voldoende of
overdreven voorzorgsmaatregelen nam en dat 56 (bij bekende AIDS- en
ARC-patiënten!) onvoldoende voorzorgsmaatregelen nam. Deze groep is wel de
meest geëxposeerde cohort van gezondheidswerkers genoemd. Géén van hen was
bij toelating tot het onderzoek seropositief en van 175 personen die
gemiddeld 10 maanden later weer getest werden, bleek bij niemand een
seroconversie.3
– In een onderzoek van de Centers for Disease Control (CDC) werden 883
gezondheidswerkers opgenomen die blootgesteld waren geweest aan bloed van
AIDS-patiënten of anderen die met HIV geïnfecteerd waren. In 708 gevallen
(80) ging het hier om prik- of snijverwondingen, ‘ongelukjes’ met naalden of
instrumenten die gebruikt zijn bij AIDS-patiënten of seropositieve personen.
Eén van 396 personen van wie slechts één bloedmonster meer dan 90 dagen na
het incident beschikbaar was, bleek seropositief, heteroseksuele overdracht
kon niet worden uitgesloten. Van 425 anderen was zowel een bloedmonster
direct na het voorval als 90 dagen daarna beschikbaar: in 351 gevallen
betrof dit prik- of snijverwondingen en in 3351 (0,9) bleek een HIV-infectie
te zijn opgetreden; van de overige 74 personen, die langs andere wegen
blootgesteld waren, bleek niemand geïnfecteerd.1
Blijkbaar is het risico van infectie na prikverwondingen aan met HIV
besmette naalden of instrumenten gering en bijvoorbeeld veel kleiner dan
hetzelfde risico voor hepatitis B.4 Overigens had 40 van de besmettingen
mogelijk voorkomen kunnen worden indien bestaande voorzorgsmaatregelen waren
nageleefd.56
– Bij de National Institutes of Health (NIH) en bij de Universiteit van
Californië werden nog 461 andere gezondheidswerkers gevolgd, die op dezelfde
manier aan besmet patiëntenbloed waren blootgesteld geweest. Geen van hen
raakte geïnfecteerd.1
In de medische literatuur zijn nog 4 gevallen beschreven waarin infectie van
gezondheidswerkers na het oplopen van een prikverwonding gedocumenteerd is
doordat een negatief uitgangsserum beschikbaar was, gevolgd door
seroconversie na de prikverwonding.7-10
Ook bij de verzorging en verpleging van AIDS-patiënten is in twee gevallen
overdracht van het virus gedocumenteerd. Een Engelse vrouw verzorgde haar
Ghanese buurman, die terminaal ziek was. Zij had geen verpleegkundige
achtergrond, nam geen speciale maatregelen ter voorkoming van infectie en
zorgde voor hem als ‘een goede buur’. Zij leed aan chronisch eczeem en kwam
herhaald in aanraking met lichaamsvloeistoffen, o.a. urine. Zij ontkende elk
seksueel contact en andere risicofactoren. Tweeëneenhalf jaar later werd bij
haar AIDS gediagnostiseerd en pas toen bleek dat ook het (ingevroren) serum
van de man seropositief was.11 Het tweede geval is dat van een moeder die
haar 2 jaar oude zoontje verzorgde. In verband met een aangeboren afwijking
van de ingewanden werd hij diverse malen geopereerd en hij kreeg ook
bloedtransfusies, waardoor hij waarschijnlijk met HIV besmet raakte. Zijn
moeder nam, ook in het ziekenhuis, het grootste deel van de verzorging op
zich. Hierdoor kwam zij veelvuldig met diverse lichaamsvloeistoffen in
aanraking, waaronder bloed. Toen zij zelf bloed wilde geven, bleek zij
geïnfecteerd. Eerder bloedonderzoek was negatief geweest.12
In mei 1987 werd bekend, dat in de Verenigde Staten 3 vrouwelijke
gezondheidswerkers die met bloed van AIDS-patiënten of seropositieve
personen in aanraking waren geweest, geïnfecteerd waren.13 Het eerste geval
was dat van een verpleegkundige die op de Eerstehulp-afdeling van een
ziekenhuis assisteerde bij een reanimatie. Zij had de bloedende steekplaats
van een intra-arteriële catheter met haar wijsvinger afgedrukt en pas 20
minuten later haar handen gewassen. Zij droeg geen handschoenen, had geen
open wonden, maar wel waren haar handen gekloofd. Het tweede geval deed zich
voor toen op een polikliniek een dop van een bloedbuis afschoot en bloed
door de kamer vloog, in het gezicht en de mond van de ‘prikzuster’. Zij
droeg handschoenen en een bril ter bescherming. In haar gezicht had zij
jeugdpuistjes (acne). Zij waste het bloed onmiddellijk af. De derde
gezondheidswerker tenslotte was een laboratoriummedewerkster die bloed over
hand en onderarm morste. Zij droeg geen handschoenen en had geen wonden aan
haar handen. Zij had eczeem aan één oor, dat zij mogelijk aangeraakt heeft,
voordat zij een paar minuten later haar handen waste. In alle drie gevallen
was een bloedonderzoek voor of direct na het voorval negatief en bij een
bloedonderzoek enkele weken tot maanden erna werden antistoffen tegen HIV
aangetoond. Alle 3 ontkenden prikverwondingen. In geen geval waren er
aanwijzingen voor andere risicofactoren.
Op het Derde Internationale AIDS Congres in juni 1987 te Washington werd
voorts gerapporteerd over een groep van 1231 tandartsen en tandhygiënisten
uit New York, Miami, Houston, San Francisco en Los Angeles, steden dus waar
de AIDS-epidemie het grootste aantal slachtoffers heeft gemaakt.14
Maatregelen ter voorkoming van infectie, zoals het gebruik van handschoenen
en bescherming van de ogen, werden niet consequent nageleefd.
Prikverwondingen aan instrumenten werden gerapporteerd door 91 van de
deelnemers in de studie 22 had antistoffen tegen hepatitis B. Eén tandarts,
werkzaam op Manhattan, bleek met HIV geïnfecteerd, andere risicofactoren
leken bij hem niet aanwezig. Hoe de besmettingsweg precies gegaan is, valt
moeilijk te zeggen. Tandartsen injecteren (verdoven) veelvuldig, zodat er
sprake kan zijn van een prikaccident. Verwondingen aan instrumenten en
blootstelling aan bloed en speeksel op de beschadigde huid van de handen of
door rondspatten op de slijmvliezen behoren ook tot de mogelijkheden.
BESCHOUWING
Risicoschatting
Het verplegen en behandelen van AIDS-patiënten en seropositieve personen
houdt bij inachtneming van de bestaande maatregelen ter preventie van
infectieziekten géén aangetoond verhoogd risico van infectie in. Ook bij
blootstelling van de slijmvliezen aan met HIV besmet bloed is het risico van
infectie buitengewoon klein. De 3 door de CDC gerapporteerde patiënten bij
wie de niet-doorboorde huid de mogelijke porte d'entrée vormt, zijn
sporadische gevallen, waarbij men zich moet realiseren, dat alleen al in de
V.S. het aantal geïnfecteerde personen 1 à 2 miljoen bedraagt en dergelijke
incidenten zich regelmatig voordoen. De conclusie dat ook de intacte huid
een mogelijke porte d'entrée vormt, zoals naar aanleiding van deze 3
gevallen wel gesuggereerd is, is geenszins gerechtvaardigd – in alle 3
gevallen bestonden evidente huidproblemen. Dat het hier om geïsoleerde en
uitzonderlijke gevallen gaat, blijkt voorts uit het feit dat, ook bij
vergelijkbare besmettingswegen, in de series van de CDC, het NIH en de
Universiteit van Californië geen seroconversie werd waargenomen.
Het voornaamste beroepsrisico is gelegen in prikverwondingen. Dit risico is
afhankelijk van 3 factoren: (1) het aantal prikverwondingen bij een persoon,
(2) het risico van infectie na een eenmalige prikverwonding aan met HIV
besmette naalden of instrumenten en (3) de HIV-prevalentie in de
patiëntenpopulatie waarin gewerkt wordt. Onderzoek naar de frequentie
waarmee prikverwondingen voorkomen, ontbreekt vrijwel geheel. Bij een
onderzoek in 15 ziekenhuizen in Amsterdam en omgeving werd een frequentie
gevonden van 8 prikverwondingen per 100 medewerkers per jaar, maar daarbij
moet rekening gehouden worden met een aanzienlijke onderrapportage; hierover
berichten Leentvaar-Kuijpers et al. in dit tijdschriftnummer.15 De
frequentie is sterk afhankelijk van het beroep: voor verpleegkundigen ligt
deze laag (minder dan 1 maal per jaar), voor sommige snijdende specialisten
beduidend hoger. Er doen zich, ook binnen één beroepsgroep, zeer grote,
individuele verschillen voor in de frequentie waarmee gezondheidswerkers
prikverwondingen oplopen: Klein et al. rapporteren voor hun groep van 1231
tandartsen en tandhygiënisten een mediaan van 10 over de voorafgaande 5 jaar
(uitersten van 1 en 1000).14
Van de prikverwondingen die zich voordoen, is waarschijnlijk een belangrijk
deel te voorkomen door zorgvuldig werken en strikt naleven van algemene
preventiemaatregelen. Toch is dit, vooral bij operatieve ingrepen, niet
altijd mogelijk: prikverwondingen komen ook bij zorgvuldig werken met enige
regelmaat voor. Hierboven is gebleken, dat de kans op seroconversie per
prikverwonding aan met HIV besmette naalden of instrumenten klein is (minder
dan 1).
De meeste gezondheidswerkers lopen weinig of geen prikverwondingen op, het
risico dat zij lopen om in de uitoefening van hun beroep met HIV
geïnfecteerd te raken, is dus uitzonderlijk klein. Voor bepaalde
beroepsgroepen is dit risico echter klein, maar reëel, zoals het volgende
rekenvoorbeeld moge verduidelijken. De gebruikte getallen vormen schattingen
voor een arts van een snijdend specialisme in een gemiddelde praktijk in
Nederland. Voor andere beroepsgroepen en specifieke plaatsen of gebieden
kunnen de schattingen aangepast worden.
Berekening.
De prevalentie van HIV-infectie in Nederland is gesteld op 0,1 (ca. 15.000
geïnfecteerden op 15 miljoen inwoners).16 Men zou kunnen stellen, dat de
prevalentie onder ziekenhuispatiënten lager is, want onder hen bevinden zich
immers vele oudere mensen, onder wie de infectie zeldzaam is; daartegenover
staat dat dit percentage heel reëel of wellicht zelfs te laag is geschat
onder traumatologiepatiënten en bezoekers van een Eerstehulp-afdeling van
een ziekenhuis. Belangrijker nog: in het rekenvoorbeeld wordt geen rekening
gehouden met een stijgende prevalentie in de komende jaren. Het aantal
prikverwondingen per snijdend specialist is gesteld op 10 per jaar en de
kans op seroconversie na een eenmalige verwonding aan een besmette naald of
instrument is gesteld op 0,5. Het risico van een HIV-infectie per chirurg
per beroepsleven (30 jaar) kan men berekenen met de formule (1-(1-fp)n),
waarbij f de HIV-prevalentie is, p de transmissiekans per incident en n het
aantal prikaccidenten. In dit voorbeeld is dat (1-(1-0,001 x 0,005)10 x 30)
= 0,0015. In Amsterdam, waar de HIV-prevalentie een factor 10 hoger ligt,16
ligt het infectierisico eveneens hoger (1-(1-0,01 x 0,005)10 x 30) = 0,015.
Er zijn weinig kwantitatieve gegevens van wat een wel en wat een niet
aanvaardbaar beroepsrisico vormt. De Amerikaanse Occupational Safety and
Health Administration beschouwt een risico van 1:1.000 op een dodelijke
beroepsziekte of beroepsverwonding als ‘betekenisvol’, een risico van
1:1.000.000.000 daarentegen als verwaarloosbaar.17 Wordt in ons
rekenvoorbeeld ervan uitgegaan, dat ten minste een derde van hen die
geïnfecteerd raken, aan AIDS overlijdt,18 dan volgt dat de kans om ten
gevolge van zijn beroepsuitoefening aan AIDS te overlijden voor een chirurg
5 per 10.000 bedraagt (5 per 1.000 in Amsterdam). De maatschappelijke
discussie of een dergelijk risico aanvaardbaar wordt geacht, moet zeker in
het geval van HIV-infectie nog gevoerd worden.
Preventieve maatregelen
Zoals hierboven al is aangegeven, zal preventie vooreerst gezocht moeten
worden in algemene maatregelen, waardoor prikverwondingen en andere
blootstellingen aan bloed en lichaamsvloeistoffen van patiënten voorkomen
worden. Deze maatregelen zijn in het kort:
– het dragen van handschoenen als contact met bloed of lichaamsvloeistoffen
te verwachten is,
– het gebruik van gezichtsmaskers en oogbescherming bij situaties waarin
spatten of druppelvorming kan optreden,
– het onmiddellijk afwassen van met bloed bespatte lichaamsdelen,
– gebruikte naalden, mesjes en instrumenten niet opnieuw van hun
beschermkapje voorzien, maar opbergen in een ondoordringbare container en
– het gebruik van tussenstukken bij mond-op-mondbeademing.
De Gezondheidsraad en de CDC hebben steeds benadrukt, dat dit algemene
maatregelen zijn die altijd genomen moeten worden en die van toepassing zijn
op alle patiënten en niet alleen bij het omgaan met AIDS-patiënten of
seropositieve personen.11920 In aanvulling op deze algemene maatregelen is
het van belang bij de behandeling van seropositieve patiënten en AIDS- of
ARC-patiënten extra zorgvuldigheid te betrachten. Om die reden is het
wenselijk, dat personen die weten dat zij seropositief zijn, hun arts of
tandarts hiervan vóór de behandeling op de hoogte brengen. Dit mag echter in
geen geval tot een mindere behandeling van deze groepen leiden.
Tegen algemene screening van patiënten voorafgaande aan invasieve ingrepen
pleiten zwaarwegende ethische en praktische bezwaren. Deze zijn samengevat
in een onlangs uitgebracht advies van de Gezondheidsraad.20 In een populatie
met lage prevalentie van HIV-infectie is bovendien de voorspellende waarde
van een positieve testuitslag gering.21
Als conclusie kan worden gesteld, dat het beroepsrisico sterk afhankelijk is
van de specifieke beroepssituatie en de HIV-prevalentie in de
patiëntenpopulatie waarin gewerkt wordt. Het voornaamste beroepsrisico is
gelegen in prikverwondingen. Voor de snijdende beroepen en mogelijk ook voor
tandartsen is het risico onder specifieke omstandigheden reëel en dit
rechtvaardigt een nadere bezinning op preventieve maatregelen. In het
algemeen is het beroepsrisico voor de (para)medische beroepsgroepen echter
gering en het kan nog verder verkleind worden door het nauwkeurig naleven
van de maatregelen ter voorkoming van infectie, zoals die al opgesteld waren
vóór o.a. hepatitis B. Deze geven een goede bescherming en naleving wordt
met een toenemend vóórkomen van HIV-infectie een zaak van levensbelang.
Met dank aan dr.S.A.Danner, W.Pauw, G.J.P.van Griensven en
E.M.M.de Vroome
voor kritisch commentaar.
Aanvaard op 05 October 1987
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne, Bureau Epidemiologie,
Bilthoven.
H.Houweling, huisarts.
Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst, sector Volksgezondheid en
Milieu, Postbus 20244, 1000 HE Amsterdam.
Dr.R.A.Coutinho, medisch microbioloog (tevens verbonden aan het
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne te Bilthoven).
Correspondentieadres: dr.R.A.Coutinho.
"
Doei,
Skybuck.