Wie is er bang van J.F. Powers?

4 weergaven
Naar het eerste ongelezen bericht

krazy kat

ongelezen,
30 jul. 2000 03:00:0030-07-2000
aan
Toen ik laatst op Internet wat informatie zocht over de Britse schrijver
Joyce Cary, kwam ik een site tegen van de New York Review of Books
waarop die een reeks "vergeten klassiekers" presenteren die ze zelf
opnieuw uitgeven. Een van de auteurs die in die reeks opnieuw onder de
aandacht wordt gebracht is ene J.F. Powers. Ik had nog nooit van die
naam gehoord, maar de titel van zijn roman Morte D'Urban vond ik wel
intrigerend klinken - evenals het feit dat bijna al zijn werk blijkbaar
over katholieke priesters gaat. Toen bleek dat deze roman ook nog was
door Philip Roth (een van mijn all time greatest) én in 1962 de
prestigieuze National Book Award had gewonnen, stond voor mij vast dat
ik deze auteur maar eens moest uitproberen.

Dat was nog niet eenvoudig. Zijn twee romans en twee van zijn drie
bundels met korte verhalen kon ik nog wel tweedehands opsnorren. Maar
zijn derde verhalenbundel was nergens te bekennen, en het exemplaar van
Morte D'Urban dat ik vond, leek wel het enige exemplaar dat in heel
Amsterdam te vinden was. In de reguliere boekhandels trof ik niet één
titel van Powers aan.
Dat is het lot dat de schrijver van een klein oeuvre natuurlijk
vrij snel treft. Als je niet om de paar jaar een nieuw boek publiceert,
verdwijn je snel uit de belangstelling van de media. En Powers
publiceerde van 1947 tot 1985 niet veel meer dan gemiddeld één boek per
decennium.

Maar ik bofte dus. Ik vond Morte D'Urban en sloeg aan het lezen.
Halverwege was ik al zo onder de indruk dat ik dacht: dit is vast zo'n
auteur die zo lang schaaft aan zijn verhalen en romans, om ze helemaal
perfect te maken, dat 250 pagina's per tien jaar zo'n beetje het maximum
is dat hij kan halen. In de inleiding bij zijn verzamelde verhalen
schrijft Dennis Donoghue immers ook dat iemand tegen hem had gezegd:

Did I know that Powers spent the morning putting in a comma and the
afternoon wondering whether or not he should replace it with a
semicolon?
<http://www.nybooks.com/nyrev/NYRB/storiesJFP_intro.html>

Maar "kwaliteitscontrole" was vast niet de enige reden dat Powers'
oeuvre zo klein is gebleven. Anders had zijn laatste verhalenbundel vast
niet die paar uiterst flauwe, korte satirische sketches bevat.
In de inleiding bij Powers' tweede roman schrijft zijn dochter
iets wat die indruk lijkt te bevestigen. Ze noemt Powers een "master of
the art of tinkering and procrastination". (Veelbetekenend genoeg is
"Tinkers" de titel van het laatste verhaal in Powers' laatste bundel:
een soort afscheidsbrief aan de literatuur lijkt dat verhaal wel, dat
gaat over het gezinsleven van een writer met een writer's block.) Ze
schrijft:

My father [...] felt that daily life could only be a distraction from
his calling. Tragically, in the years that he struggled to write Wheat,
he was often lost in a wilderness of petty detail and procrastination,
wasting hours repairing and polishing his shoes, rubbing emollients into
his leather-bound books, battling bats, mice, and squirrels in the
house, and gophers under the sun; caulking windows, spackling cracks and
holes, gluing, taping, and tapping in tacks.
<http://www.nybooks.com/nyrev/NYRB/wheat_intro.html>

Zo rijst uiteindelijk het beeld op van een auteur voor wie schrijven een
hels karwei was, en die getroffen werd door machtige "writer's blocks".
Met veel moeite wist hij er in 15 jaar (van 1947 tot 1962) twee
verhalenbundels en een roman uit te persen. En daarna moet het schrijven
steeds moeilijker zijn gegaan. Hij kreeg nog amper genoeg verhalen bij
elkaar voor een derde bundel - waarvan een aantal meer weg had van
fragmenten van onvoltooide romans. Twee van die verhalen werkte hij met
een laatste krachtsinspanning uiteindelijk ook daadwerkelijk uit tot een
tweede roman, die in 1988 verscheen. Maar met zo'n carrière vráág je er
in een mediacultuur bijna om om vergeten te worden.

Laten we dat vandaag dan even rechtzetten. Powers' kleine oeuvre is van
zo'n hoog en constant niveau, dat hij meer aandacht verdient dan de
Anthony Powells, Annie Proulx of Kent Harufs van deze wereld. Hij is een
meester in het beschrijven van de kostelijke humor van menselijke
relaties die worden verziekt door alledaagse pesterijtjes. Bij andere
schrijvers gaat het dan al gauw over de loopgravenoorlog van het
huwelijk. Bij Powers gaat het meestal om mensen die tot elkaar
veroordeeld zijn door hun superieuren in de kerk - een kerk die in zijn
despotische toewijzing van kapelaans aan pastoors en pastoors aan
parochies al even ondoorgrondelijk is als de wil Gods.

Verder nog wat betreft het *soort* humor dat Powers ten beste geeft:
Ik ben geen Voskuil-adept (ben nog niet verder gekomen dan deel 1), maar
ik stel me zo voor dat Powers vooral ook Voskuil-liefhebbers wel zal
aanspreken. Ik denk dat je bij Powers eenzelfde soort humor ziet - en
dat zijn katholieke kerk wel wat weg heeft van Voskuils Bureau. Alleen
is het bij Powers allemaal wat meer ingedikt en wellicht (maar ik ben
dus geen kenner) wat knapper
Maar laat dit Voskuil-haters vooral niet afschrikken!! ;-)

Hieronder de vijf boeken die Powers heeft gepubliceerd. Ze zijn allemaal
meer dan de moeite waard. Ga naar uw plaatselijke boekhandelaar en eis
dat ze ze bestellen - in de recente heruitgave van NYRB zijn ze
teruggebracht tot drie handzame titels (de twee romans en de verzamelde
verhalen). Lezen!

The Prince of Darkness (1947)
Zijn eerste verhalenbundel is zo'n typische bundel voor die tijd (en ook
nog wel voor deze): een boeket verhalen van een schrijver die zijn
kunnen wil tonen door over een flink scala aan uiteenlopende onderwerpen
te schrijven. Sommige zijn typische producten van de post-New Criticism-
school van creative writing die in de jaren veertig en vijftig postvatte
(als ik het wel heb; ik ben niet zo'n expert. Ik denk vooral aan het
ambachtelijke werk van mensen als McCullers, Capote en Salinger, die
allemaal van dit soort verhalenbundels publiceerden.) Zo heb je een
modelverhaal over een jongetje dat zijn illusies verliest als hij merkt
dat zijn plaatselijke honkbalheld niet zo nobel en heroïsch is als de
fictieve honkballer waarover hij leest in feuilletons. En een paar
verhalen over racisme in het zuiden van de Verenigde Staten. Al in dit
deel gaan echter een flink deel van de verhalen over priesters - en dat
zijn meteen de beste verhalen in de bundel.

The Presence of Grace (1957)
In zijn tweede bundel heeft Powers "zijn" onderwerp gevonden. Op twee na
gaan al de verhalen over priesters. Ze zijn bijna allemaal even sterk.
En ze werpen ook de vraag op *waarom* nou juist daarover schreef,
aangezien hij bij mijn weten zelf toch geen pastoor geweest is.
Misschien heeft het te maken met het algemene ideaal van de wereld
afzweren om je volledig op je roeping te storen - en de manieren waarop
dat niet lukt, en waarop "de wereld afzweren" eigenlijk ook niet
bewonderenswaardig is. Powers zal niet de enige zijn die het schrijven
als een haast religieuze roeping ervaart (Philip Roth beschrijft zijn
werk ook vaak als een vorm van monnikenarbeid). En misschien is het wel
zo dat bij schrijvers die telkens diep moeten boren om enige inspiratie
te kunnen putten, de preoccupatie met die vergelijking zich des te
sterker opdringt. Misschien was Powers interesse in het priesterschap
uiteindelijk wel een interesse in zichzelf.

Morte D'Urban (1962)
Sommigen zullen Powers' verhalen als zijn beste werk beschouwen - zelf
vind ik deze roman zijn meesterwerk. Urban is een rondreizende priester,
die overal wordt uitgenodigd om zijn briljante en enthousiasmerende
praatjes over het geloof te houden. Hij is lid van een priesterorde waar
middelmatigheid echter troef is, en als hij wordt verordonneerd te
stoppen met zijn lezingen en zich te melden bij de nieuw op te richten
missie in Düsterhaus, ergens ver weg op het platteland, is de ramp niet
te overzien. De missie wordt geleidt door broeder Wilfrid, het toonbeeld
van incompetentie. De daaropvolgende competentiestrijd tussen Wilfrid en
Urban, die leidt tot de meest kinderachtige pesterijtjes, en Urbans
slimme geritsel met rijkelui uit andere parochies - het levert allemaal
hilarische taferelen op.
Uiteindelijk leidt het natuurlijk allemaal tot niets en loopt het
(zoals de titel al aangeeft) slecht af. Want aan Powers' kostelijke
humor ligt melancholie en een diep besef van de vergeefsheid van alle
dingen ten grondslag.

Look How The Fish Live (1975)
Powers' laatste bundel bestaat weer vooral uit verhalen over priesters -
afgezien van een paar flauwe korte grappen die eigenlijk niet in deze
bundel thuishoren. Daarnaast staan er echter twee mooie verhalen in (het
eerste en het laatste in het boek) die niet gaan over geestelijken, maar
over een man die veel weg heeft van Powers zelf: een wat eenkennige
schrijver met een kroostrijk gezin dat hij nauwelijks kan onderhouden,
geplaagd door een gebrek aan inspiratie en een wens om een werk te
schrijven dat zo succesvol is dat hij in één klap binnen is. Dit zijn
twee hele goede, schrijnende verhalen - en ze lijken te bevestigen dat
Powers zijn eigen twijfels en zorgen projecteerde in zijn
priesterpersonages.

Wheat That Springeth Green (1988)
Uiteindelijk wist hij dan nog één roman te produceren. Dit vind ik een
wat minder geslaagd werk. Het is een lang en wat richtingloos,
ongestructureerd verhaal over de carrière van één pastoor - van zijn
vroege jeugd tot zijn dood (al blijft dat wat vaag).
Een belangrijk verschil met zijn andere fictie over geestelijken
is dat Powers hier dieper ingaat op de aard van de roeping van zijn
hoofdpersoon, Joe Hackett, en diens geworstel met en desillusie over het
geloof. Op zichzelf is dat geen oninteressant thema, maar zijn eerdere
fictie is juist zo interessant doordat de inhoudelijke kant van het
geloof daar nauwelijks aan de orde komt. Zijn komedies zijn geslaagd
doordat hij zich concentreert op de uiterlijkheden van het logge
bureaucratische orgaan dat de katholieke kerk is, en de leden van dat
instituut die *van een afstand bezien* erg komisch kunnen zijn in hun
meer dan menselijke kleine rivaliteiten en onderlinge pesterijen.
Hoewel dat soort humor ook in deze roman niet ontbreekt, is de
afstand hier toch kleiner, en Powers' poging om zijn personages verder
uit te diepen, "echter" te maken, is niet helemaal geslaagd en maakt
deze roman minder spits dan zijn oude werk. De roman bevat wel een
aantal verhalen die goede korte verhalen hadden kunnen zijn. (Sterker
nog: Look How the Fish Live bevat twee verhalen die in licht gewijzigde
vorm terugkeren als hoofdstuk in deze roman.) Maar als geheel kon deze
roman mijn aandacht niet altijd even goed vasthouden.
Maar goed: Powers op zijn slechtst is nog altijd vaak beter dan
een hoop andere schrijvers op hun best, dus ook deze roman verdient
lezers.
--
Frank Lekens
operamail.com is where it's really @

Allen beantwoorden
Auteur beantwoorden
Doorsturen
0 nieuwe berichten