Af en toe ben ik in een nostalgische bui. Bovendien moet je het kind in
jezelf niet vergeten hč. Eigenlijk is mijn vraag dit: wie heeft er
informatie over Conrad Kobbe? Schrijver van de uit 82 (denk ik) delen
bestaande Conny Coll reeks. Zoeken op internet leverde niets op. Altijd
vroeg ik me om te beginnen al af uit welke taal de Conny Coll reeks vertaald
is. Duits? Ik weet helemaal niets van de man. En dat zit me nog steeds
mateloos dwars.
Toen schoot me te binnen dat ik een paar jaar geleden er iets over had
opgeschreven. Dat heb ik hieronder geplakt. Hopelijk een bron van herkenning
voor de lezer van de reeks en voor de getikte verzamelaars onder ons.
Sommige fragmenten uit de boeken hieronder vind ik overigens nog steeds
fraai. Maar misschien is dat een door sentiment en nostalgie vertroebeld
oordeel.
Met excuses voor de matige stijl waarin een en ander geschreven is. Het
eindigt nogal abrupt, maar ik had op dat moment geen zin meer. Misschien
maken we het nog eens af.
De vraag blijft: wie weet er iets te vertellen over Conrad Kobbe? Of over de
Conny Coll reeks?
Jeugdboeken I: Conny Coll
In de zomer van 1976, ik was net 13 geworden, bracht ik met mijn ouders een
vakantie door in Otterloo, een dorp op de Veluwe. We logeerden twee weken op
een camping, in de caravan van een oom en tante. Het was al twee weken
slecht weer en op de camping was niets te beleven.
Toen ik na drie dagen alle boeken die ik had meegenomen uit had, besloot ik
mijn leeshonger te stillen met de boeken die mijn neefjes hadden
achtergelaten. Een ervan was een omnibus van 475 bladzijden. Erg
veelbelovend zag de kaft er niet uit: in de linkerbovenhoek een zwart
figuurtje met een getrokken pistool, een wat goedkoop ogend lettertype. Ik
hield niet van 'cowboyboeken'. Die waardeloze christelijke Arendsoog.
Op de zijkant stond met grote reclameletters: 3 titels in één band - dat
beviel me ook niet.
Het was een Conny Coll omnibus. Nr. 2 De drie titels waren: San Fransisco
1906, Tornado en Noorderlicht. Van Conny Coll had ik nog nooit gehoord.
Conny klonk wat kinderachtig. Van de smaak van mijn neefjes, die niet veel
lazen, had ik ook geen hoge dunk.
Ik besloot, als altijd, toch maar door te lezen en het te proberen.
Op bladzijde 5 las ik:
"Samuel Brady had het voorkomen van een geleerde. Een lange, slanke man met
grijzende slapen, die hem samen met de bril in zwaar hoornen montuur het
aanzien gaven van iemand, die over grote gaven des geestes moest
beschikken."
Dat was niet de stijl van de boeken die ik las.
"Niemand in het uitgestrekte gebied van Zuid-Texas tot aan het
Wichitagebergte in Oklahoma, herinnerde zich, Samuel Brady ooit anders
gezien te hebben dan in lange broek, zwart wollen hemd met lange mouwen en
breedgerande zwarte hoed. In de wintermaanden droeg hij bovendien een met
bont gevoerd zwart leren vest, dat glom als de zwarte kalfsleren schoenen
aan de voeten. Alles aan hem was zwart en triest, een indruk welke nog
versterkt werd door de lange zwarte snor met langs de mondhoeken afhangende
punten. De grote melancholieke ogen met gitzwarte pupillen, die door lange,
donkere wimpers peinzend de wereld in schouwden pasten geheel bij zijn
verschijning, die moeilijk anders dan als treurig gekarakteriseerd kon
worden."
Deze verschijning had de bijnaam 'De Treurige' . Hij was de beroemde G-man
nummer 6 van de troep van Overste Sinclair. Nooit van gehoord!
Enkele bladzijden verder werden de andere leden van de G-groep beschreven.
Ik besloot al snel een lijstje te maken:
Nr 1: Conny Coll (Trixie)
Nr 2: Hal Steve
Nr 3: Neff Cilimm
Nr 4 en 5:de Onafscheidelijken (Sam Brash en Fred Lokh)
Nr 6: Samuel Brady, De Treurige
Nr 7: Kleine Benjamin
Nr 8: Ed Spring / Sunny Neil (Hoe dat precies zat wist ik nog niet.)
"Zo kwam de helft der bandieten aan het einde. De andere helft - en daarbij
de zwaarste en slechts verteerbare brokken - kwam op naam van een man, de
meest succesvolle van de G-groep, Nummer Een. Hem had de natuur toegerust
met gaven, waarover geen der anderen kon beschikken en hij had gezworen het
banditisme in het Middenwesten met wortel en tak uit te roeien en voor eens
en voor altijd aan het bandietenwezen een einde te maken. Hij was een man
zonder genade, de meest gevreesde en de meest bewonderde man van het westen,
wiens optreden nauwelijks nog menselijk mocht heten en die men de bijnaam
Trixie had gegeven omdat men hem duivelskunstenarij toeschreef. Slechts
enkelen kenden zijn doopnaam en zij verzwegen die."
Het tweede hoofdstuk begon als volgt:
"Als scherpomlijnde maar nog half in donker gehulde silhouetten rezen de
machtige torens van de Ignatius- en Sint Fransiscuskerk op in de
ochtendschemering. Zij domineerden over het omvangrijke netwerk van straten
dat de onoverzienbare huizenzee in blokken splitste.
Het was vijf uur in de morgen van de zestiende april 1906 en een prachtige
Californische lentemorgen. De laatste sterren verbleekten aan het firmament
en onwezenlijk traag bewogen de eerste stoomboten zich in de kustnevel boven
de Baai van San Fransisco. Hele scharen mensen wachtten op de veer- en
kustboten om naar hun dagelijks werk gebracht te worden."
Dat soort beschrijvingen las ik graag.
Het tweede verhaal, Tornado, vond ik minder goed. Maar Noorderlicht was ook
schitterend: fraaie beschrijvingen van de natuur en het dierenleven in
Alaska, het gebied rond de Yukon, Huskies,New Foundlanders, Veelvraten, de
Odsjibewä-indiaan Halfgezicht (van de stam der Kraaien), professor John
Patrick Woodward die het stadsleven vaarwel zegt om zich in Alaska als
kluizenaar te vestigen, de Kuskokwin, de Alaska Range, en Mount MacKinley.
Ik las het boek snel uit. Jammer genoeg waren er niet meer achtergelaten
door mijn neefjes.
Een paar weken later bevonden wij ons in een vakantiehuisje op Terschelling.
Ik besloot dat ik een boek ging kopen en wandelde door de duinen naar het
naburig dorp. Daar ontdekte ik, in de enige boekhandel die het dorp rijk was
(het was eigenlijk niet eens een boekhandel, maar een winkel in
kantoorartikelen), drie delen van de Conny Coll serie: nummer 14, nummer 75
en een andere omnibus, deel 3. Ik kocht ze alledrie; en toen was mijn
vakantiegeld wel ongeveer op. Mijn vader vond het maar niks, die
cowboyboeken.
Hoofdpersoon in de serie was natuurlijk Conny Coll. Conny Coll was in het
gelukkig bezit van een zwarte hengst, Satan genaamd, het snelste paard dat
het westen ooit gekend had. (In het begin had hij een ander paard, Redley)
Bovendien, dat sprak mij meer aan, had hij een getemde wolf, Zwarte. Er
stonden heel wat natuurbeschrijvingen in de boeken, dat beviel mij.
Bovendien waren ze, zoals een kaft vermeldde, 'ontleend aan historische en
legendarische gegevens, die in bonte afwisseling geplaatst zijn in een sfeer
die meer met het hart dan met het verstand wordt ervaren.'
De goudkoorts in Alaska. Maya's in Yucatan. Burgeroorlog in Mexico. Verhalen
over wolven, huskies, grizzly's, poema's. De aardbeving in San Fransisco. De
eerste auto's. De eerste vliegtuigen. Zelfs de gebroeders Wright spelen een
rol. Zo leerde je nog eens wat ! Samuel Colt, Indianenstammen, de strijd
tussen de Fransen en de Engelsen in Cananda, Mormonen, het ontstaan van
Hollywood (jawel), Beschrijvingen van de Grand Canyon, kaartspelers (Neff
Cilimm !)
De serie bleek uit 82 delen te bestaan. Vervelend genoeg stond in geen enkel
boek een complete lijst met titels. Bovendien zag ik er in de boekwinkels in
Zwolle maar een paar staan, nummers boven de zestig. Ik kocht, van mijn
krantengeld, in de maanden na de vakantie in 1976, alles wat ik te pakken
kon krijgen. In die dagen kostte een pocket uit de reeks f 3,90. Dat stond
ook op de kaft, wat ik raar vond. In 1977 begon de uitgever aan een tweede
druk. Die begon volgens mij bij deel 14. Maar na deel 28, verschenen in
1978, hield dat weer op. Deel 13 zag ik nergens. De eerste 12 delen waren in
de omnibussen te vinden, maar daarvan kon ik alleen nummer 2 en 3 vinden.Ook
zag ik nooit ergens een van de delen tussen de nummers dertig en zestig. Bij
de bibliotheek was ook niets te vinden.
Ik besloot enige actie te ondernemen. Ik zocht in een telefoonboek het adres
van de uitgever Ridderhof op. Die bleek zich te bevinden in Rotterdam. Ik
schreef een briefje: of ze mij niet een volledige lijst wilden doen
toekomen. Een paar weken later ontving ik tot mijn grote blijdschap een
fraaie folder waarin de titels van alle delen vermeld stonden en zelfs
enkele plaatjes van de kaften! Ik knipte de plaatjes uit en plakte de lijst
boven mijn bureau.
Tenslotte had ik een stuk of dertig losse delen; toen kon ik niets meer
vinden. De eerste 12 delen bestonden alleen in de omnibusuitgave. Liever had
ik een uniforme uitvoering gehad.
Op een dag in 1979, ik was intussen 15 of 16, liep ik met mijn vrienden door
het centrum van Zwolle. We spijbelden. We liepen langs een winkel in
feestartikelen. Buiten stond een standaard met pockets en ik zag
onmiddellijk dat het delen uit de Conny Coll serie waren. Alle delen van
nummer 52 tot en met 60! Bijna alle delen tussen 50 en 60! Afgeprijsd voor
twee gulden per stuk! Een enorme opwinding maakte zich van mij meester. Ik
besloot de rest van de dag ook te spijbelen, haastte mij naar huis, haalde
vijfentwintig gulden van mijn verdiende krantengeld uit mijn spaarpot en
kocht ze alle tien. Innig tevreden legde ik de stapel op de toonbank. Wat
een glimlach aan de verkoopster ontlokte.
Ik kon weer een tijdje vooruit.
Nu bezat ik nog geen enkele van de delen 30 t/m 49. Bij 'Sidonia' een zaakje
met tweedehandsboeken in het centrum van Zwolle, waar we voornamelijk
bladerden in tweedehands seksboekjes, ontdekte ik tot mijn grote vreugde een
beduimeld en beschreven exemplaar 49. Wraak voor Ed Spring. Ik stopte het
boek onder mijn trui en las het gedurende de volgende lesuren stiekem uit.
Eindelijk wist ik dan het hoe met Ed Spring was afgelopen, de vroeg
vermoorde nummer acht van de G-groep.
Later vond ik er ook deel 78, Black Gun en deel 70, De stervende stad.
Netjes betaald, overigens.
Vervolgens vond ik bij dezelfde Sidonia ook nog het lang gezochte deel 1 van
de omnibussen. Meegepikt..
Er stonden natuurlijk weer drie delen in: Trixie, Marjou en Zeven dode
heuvels. Marjou bleek een van de mooiste delen van de hele serie te zijn.
"Zo ver het oog reikte strekte zich rondom hem de maagdelijke wildernis uit.
Berghellingen verhieven zich welhaast loodrecht uit de diepe dalen en
stortten zich aan de andere kant haast even steil omlaag.
Grillige rotstorens bekroonde de toppen en daarboven was niets meer dan de
stralend blauwe hemel, waartegen zich scherp de contouren van krijsende
roofvogels aftekenden. Eindeloze wouden fluisterden over de geheimen der
eeuwen.
Op de smaragdgroene hellingen graasden herten en reeën tussen het geboomte
en rechtten nieuwsgierig de slanke hoofden op bij de nadering van de vreemde
gestalten van mens en paard.
Toen zag Conny op een morgen in de verte de eerste Indiaan. Onwezenlijk
klein, als een speelgoedfiguurtje bewoog de man zich voort, een lange buks
in de hand ten bewijze, dat hij of zijn stam wel eens met de wereld der
blanken in aanraking moest zijn geweest. Hij voerde aan de andere hand een
pakpaard met zich mee. De roodhuid zag hem blijkbaar niet en Conny hoedde
zich er wel voor zijn aandacht te trekken, omdat hij niet wist, hoe de rode
broeder zou reageren op de verschijning van het vreemde element in zijn
wereld.
Kort daarna, toen Conny 's morgens vroeg wakker werd en opstond, kraakte het
verbleekte prairiegras onder zijn voeten en toen het daglicht doorbrak zag
hij, dat de eerste rijp de nadering van de winter aankondigde.
Het was herfst geworden en de volgende dagen veranderde het landschap van
aanzien. De kruinen der bergberken namen een scharlakenrode tint aan en de
espen kregen een citroengeel verfje. Suikeresdoorns leken verguld te zijn en
de machtige rode eiken spreidde n een rossig violet ten toon. De dichte
oeverstruiken langs beken en riviertjes in de dalen waren nog groen, maar
ook zij verrieden reeds de lichte vertekening van de indiaanse zomer, zoals
de vroege herfst in het westen heet. De onbeschrijfelijke pracht van dit
jaargetijde vond in Conny Coll een hartstochtelijke bewonderaar en hij
genoot van de bonte wereld met volle teugen. Slechts de eeuwige groene
sparrewouden lagen welhaast als zware tapijten in de schaduw der
berghellingen, onberoerd door de wisseling der seizoenen.
Toen Conny Coll op een van deze wonderschone dagen, nog betrekkelijk vroeg
in de middag, genietend van de pittige lucht, die reeds iets van het aroma
van vallende bladeren in zich opgenomen had, onder een uitstekende rotspunt
toebereidselen voor zijn nachtleger maakte, werd zijn aandacht getrokken
door een ijl rookzuiltje, opstijgend uit een dal beneden hem. Als een
voorzichtig getrokken pastellijntje stond de rook boven de donkerte van het
bos, het teken dat hij niet de enige mens in dit bergparadijs was. Hij
besloot de volgende morgen in die richting op verkenning uit te gaan omdat
de naderende winter het zoetjesaan noodzakelijk maakte om te zien naar een
plek, waar hij langere tijd zou kunnen vertoeven als de elementen het
onbezorgde zwerversleven niet langer zouden toestaan. Hij was de eenzaamheid
geenszins moe maar begreep dat het roekeloosheid zou zijn, alleen het barre
jaargetijde te willen trotseren."
Het zou tot 1990 duren voordat ik nieuwe delen van de serie tegenkwam. Op de
boekenmarkten in Nijmegen, rond de Stevenskerk en op Plein '44. Natuurlijk
was ik de boeken toen ontgroeid; maar ik kocht ze toch maar en las ze niet
zonder plezier.
In 1990 kocht ik: nummer 31 (waarbij het serienummer op de zijkant ontbrak),
de nummers 36, 41, 43, 45, 46, 48, 51 en 76.
Bovendien kwam ik nummer 13 tegen, De Zonde der vaderen, waarvan ik me
altijd had afgevraagd of er ook ooit een 2e druk van was verschenen. Het was
een oud exemplaar, uitgegeven bij Kerco N.V., Ridderkerk. Ongetwijfeld een
voorganger van Ridderhof.
Ik bezat nu alle delen 1 t/m 28 (maar die had ik al lang in mijn bezit) en
alle delen 45 t/m 82.
Nog altijd bezat ik de delen tussen 30 en 40 grotendeels niet.
In 1991 kwam ik tegen nummer 29 (ook zonder serienummer), nummer 30, 42 en
44.
Nummer 29, Doodsgevaar, was een raar boek: 3 verhalen ipv een.
In 1992 vond ik de nummers 37 en 38. In deel 38 wordt verteld hoe CC Satan
en De Zwarte vind. Dat verhaal viel echter een beetje tegen.
In 1993 vond ik: deel 35.
En in de laatste week van juni vond ik de resterende drie delen: 34, 39 en
40.
Nu bezat ik alleen nog deel 32 niet.
Ik wist ook niet hoe het heette.
Toen ontdekte ik bij Van Hoorne's antiquariaat, op 27 januari 1996, toen ik
op bezoek was bij vrienden in Nijmegen, in een hardcover uitvoering, het
deel Het graf van de Maya. Dat moet het ontbrekende deel 32 zijn.
Het is uitgegeven bij A.L.van Kersen, 's Gravenhage.Een datum stond er
natuurlijk weer eens niet in. Jammer. Vermoedelijk in de jaren zestig oid.
Ik zag er de kreet: Een boek uit de Conny Coll reeks. "Wie er een leest
leest ze allemaal" '
Dat klopte dus.
Ik heb gezocht op Konrad Kobbe:
http://mitglied.lycos.de/wildwester/ls03-Dateien/koelbl.htm
"C o n k" <nieuwslezer-...@conk.nl> wrote in message
news:3d36e682$0$12278$e4fe...@dreader4.news.xs4all.nl...