Mijn vraag is nu: Weet er iemand op deze nieuwsgroep het enige echte
verhaal?
Sportieve groeten
Mij hebben ze ooit wijsgemaakt dat het woord "fiets" in de 19de eeuw
gebruikt werd voor een Nederlands muntstuk.. Het fijne van het verhaal ben
ik spijtig genoeg vergeten.
Valere
"~v~" <kassa_ka...@pandora.be> schreef in bericht
news:Ykj48.95796$rt4....@afrodite.telenet-ops.be...
groeten Joris
MTBiker <mtb_b...@hotmail.com> schreef in berichtnieuws
64bc314a.02012...@posting.google.com...
> Zoals tal van rijwielers heeft ook deze nieuwgroep de naam fiets
> gekregen. Deze benaming is naar mijn mening zeer onlogisch omdat het
> geen enkel verband houdt met de fiets op zich. Logischer is echter
> het Duitse woord Fahrrad, het Franse woord bicyclette of vélo (wat
> terug slaat op de eerste benaming vélocipčde wat op haar beurt
> terugslaat op het Latijnse woord vélocitas (snelheid) en pčde
> (trappen)) en zelfs het Engelse woord bicycle.
> Er gaan natuurlijk tal van legendes rond over de oorsprong van het
> woord fiets. Zo wordt er gezegd dat er een zeer populaire handelaar,
> meneer Vietsen genaamd, vélocipčdes verkocht in de 19de eeuw. Deze
> persoon moest zeer populair geweest zijn dat zelf zijn achternaam een
> verbastering kreeg namelijk het woord fiets. Dit woord werd
> geďntegreerd in de Nederlandse taal, vandaar de benaming fiets.
Als je in de Van Daele gaat kijken staat er inderdaad iets in van
'twee rijksdalers'. Hiervan komt dan de uitdrukking dat kost me een
fiets.
Zou een fiets indertijd twee rijksdalers gekost hebben?
Vraag me niet hoeveel dat is, ik ben 'maar' een Vlaamse biker ...
SG Joost
Waar haal je dat vandaan? Dat staat niet in mijn ethymologisch woordenboek.
Volgens hun is de herkomst van fiets onzeker. Er zijn twee verklaringen: één
van een amsterdamse rijwielhandel die jan viets heette (erg onzeker) en één
dat het een verbastering is van villesipiet, een verbastering van
velocipede.
Rutger
'Zij kunnen 't weten, want ze hebben 'n fiets ....... met een bel.' Deze
oude Brabantse uitdrukking moet ontstaan zijn in de tijd dat veel mensen nog
geen fiets hadden, laat staan een fiets met een bel. Tegenwoordig heeft
iedereen een fiets, inclusief bel, maar niemand weet met zekerheid waar het
woord 'fiets' vandaan komt.
In het boek 'Taalcocktail' van de in 1960 overleden taalkundige dr. Jan
Grauls wordt een heel hoofdstuk gewijd aan benamingen die met de fiets te
maken. De fiets kwam in 1867 echt in gebruik. Het eerste gangbare woord
ervoor was het Franse 'vélocipčde', letterlijk vertaald 'snelvoet'.
,,Voor de Vlamingen en de Nederlanders was dit een vreemd, lang en moeilijk
uit te spreken woord", aldus Grauls. ,,Zij hebben het dan ook aangepast, en
het derwijze omgevormd, dat de uitspraak ervan geen moeilijkheden meer
opleverde. Aanvankelijk maakten de Vlamingen er velocipee, velocipeerd,
flossepeerd, vlossepeerd enz. van, om tenslotte dan toch maar de Franse
afkorting 'vélo' over te nemen. In de mond der Nederlanders werd het Franse
woord verhaspeld tot filesepee, fietselepee, fieselepee, fiesse enz.,
waaruit dan omstreeks de jaren 1881-1885 'fiets' is ontstaan."
Het is een mooie herkomstverklaring die Grauls hier geeft maar aan de
betrouwbaarheid ervan bestaat grote twijfel. In het in juli verschenen
boekje 'Fiets!, de geschiedenis van een vulgair jongenswoord' wijst Ewoud
Sanders op een verklaring uit 1914 van de Limburgse letterkundige Linssen.
Die kwam destijds in het Bijblad voor Taal en Letterkunde met het
dialectwoord 'vietse' op de proppen, in de betekenis: hard lopen, zich snel
uit de voeten maken. Linssen vermoedde dat 'fiets' uit dit 'vietse' was
ontstaan, omdat het woord 'vietse' er eerder was dan het vervoermiddel
fiets. Sanders haalt ook nog de Brabantse dialectenonderzoeker A.P. de Bont
aan, afkomstig uit Oerle, die eenzelfde herkomst voor het woord 'fiets'
veronderstelde als Linssen. Sanders wijst daarvoor op een artikel van De
Bont uit 1973. De Bont gaf zijn fietsverklaring echter al in 1958 in zijn
mooie boek 'Dialekt van Kempenland'. In dat boek kreeg fietsen de betekenis:
met een lichte vlugge beweging zich verplaatsen. Als voorbeeldzinnen noemde
De Bont: 'Hij fietste öt zijn bed' en 'Hij fietste ouver ene sleut'. De Bont
wees ook nog op de bijnaam van een Oerlese vrouw -Mie Fiets- die daar haar
bijnaam zou hebben gekregen omdat ze zo vlug liep (en niet omdat ze zo vlug
zou hebben gefietst).
Volgens Sanders sloegen Linssen en De Bont met hun herkomstverklaring van
fiets de spijker 'vast' op de kop. Maar dat woordje 'vast' toont de twijfel
die ook Sanders na zijn onderzoek nog heeft. Zou 'fiets' heel misschien niet
toch een verbastering van 'vélocipčde' zijn?
Een andere herkomstverklaring die Sanders definitief weet af te voeren, is
de verklaring die teruggaat op een fietsenmaker met de achternaam Viets. Die
fietsenmaker werd in 1847 in Wageningen geboren en heette voluit Elie
Cornelis Viets. In 1890 ging deze Viets zich met de verkoop en reparatie van
fietsen bezighouden, maar op dat moment was het woord 'fiets' al geruime
tijd in gebruik. Die fietsenmaker kan dus eenvoudigweg niet de naamgever
voor de fiets geweest zijn. En zijn achternaam heeft ook niets te maken met
'vietse' of 'fietsen' in de betekenis die Linssen en De Bont eraan gaven.
Uit stamboomonderzoek is namelijk gebleken dat de achternaam Viets is
afgeleid van een klooster uit Mönchengladbach: het Sint-Vitusklooster.
Met andere woorden, het blijft gokken.
Jan-Willem
Dries
"jan-willem van den berg" <jwvand...@hetnet.nl> schreef in bericht
news:eylgYEz...@net037s.hetnet.nl...
Dat van die twee rijksdaalders is volgens mijn info andersom: het zijn de
grootste munten en leg ze eens naast elkaar (als je ze nog hebt) en teken er
is niet veel tekenwerk nodig om er een fiets van te maken.
CBee