[knip]
: Leon van Bon sprintte met het verzet 53*11 en gaf op TV toe aan het eind
: stil te vallen. Gegeven de zwaarte van het parcoers verbaas ik mij over
: dit soort versnellingen en vraag mij af of niet eenzelfde of
: betere demarrage met een kleiner verzet haalbaar is.
: Ik ben slechts een bescheiden coureur, maar in de de koersjes en
: clubwedstrijdjes die ik mocht rijden, lukte het mij menigmaal om met een
: verzet van 52*16 (soms 15) de concurrentie voor te blijven bij eind- of
: tussensprints.
: Resumerend dus:
: 1 Van Bon maakte mijns inziens geen taktische fout.
Ben ik met je eens.
: 2 Is het sprinten in zware versnellingen een absolute noodzaak?
Waarschijnlijk gaat het bij de profs om wat hogere basissnelheden en
sprintsnelheden als jij gewend bent. Om een voorbeeld te noemen:
Minali won de sprint op de (klote-kasseien van de) Champs-Elysees in
Parijs bij de slotetappe van de Tour de France dit jaar met een
maximumsnelheid van 84 kilometer per uur. Dat lukt je echt niet met 52*16!
Blijlevens heeft zijn 55*11 ook regelmatig nodig voorzover ik weet.
--
Groeten van Niels,
O __o
_\\/\-% _`\<
_____________(_)--(_)__________________________(_)/(_)_________________
Niels Geerts | Email: ni...@wfw.wtb.tue.nl
Department of Mechanical Engineering | Phone: +31 40 2473358
Eindhoven University of Technology | Adress: Wh -1.127, PO Box 513,
The Netherlands | 5600 MB Eindhoven
DE WEGSPRINTER: SNELHEID IS EEN GAVE VAN BOVEN
In 250 meter een wedstrijd over 200 km winnen, blijft voor de meeste
wielrenners een illusie. Musseeuw, Blijlevens en Cippolini zijn nu de meest
gerenommeerde sprinters. Vroeger waren dat Rik Van Steenbergen, Gerrit
Schulte, Darrigade, Karstens en Jan Janssen.
Kunnen sprinten, is kunnen winnen zonder echt de sterkste te zijn. Meestal
vanuit 2e of 3e positie aan de kop van het peloton, in het wiel van een
sterke finisher en vanaf die positie springen. Plotseling kunnen
accelereren, met de laatste 200 meter in bijna 10 seconden, dus 70 km/uur!
Naast de echte sprinters, zijn er ook sprinters die op macht, met een groot
verzet, winnend over de eindstreep gaan. Lichaamspostuur is niet alles
bepalend, er bestaan en bestonden zowel kleine als grote, zowel zwaar
gebouwde als tengere sprinters. Omdat de zwaarte van een wedstrijd de
laatste 10 jaren, zeker in de finale waarbij tussen de 50 en 60 km gereden
wordt, is toegenomen, moet een sprinter ook beschikken over een goed
uithoudingsvermogen. Maar ook een goede ploeg, die hem op een goede plek de
finale in loodst.
Sprinten is ook geen angst hebben voor het vallen, bestand zijn tegen het
nerveuze gedrang in de finale en lef hebben om met de ellebogen te werken
en kwakkies uit te delen.
Vroeger werd de eindsprint ingezet op 52 * 15, hooguit op de 14.
Tegenwoordig is het gebruik van 55 * 11 bij de profs gewoonte, zonder dat
er sneller gesprint wordt dan vroeger. Bedenk eens dat baansprinters 24 * 7
gebruiken, hetgeen overeenkomt met 48 * 14......
De hartfrequentie reageert bij een sprinter anders dan bij een tijdrijder.
Men deed eens een sprinttest met Darrigade en Anquetil. Bij Darrigade liep
de hartfrequentie snel op vanaf 65 (rustwaarde) tot 200. Bij maître Jacques
liep het op van 45 naar maar 120.
Het sprintvermogen is te testen met labonderzoek, maar ook op een ergometer
zoals op een Cateye Cyclosimulator. Het gaat dan om een "Peak-force"
waarde: het aantal Watt dat maximaal gehaald wordt, vanuit stilstand binnen
30 seconden. De betere sprinter halen daarbij 1400 Watt.
Of iemand een stayer of een sprinter wordt, is voornamelijk door aangeboren
aanleg bepaald. Ons spierstelsel weegt bij een persoon van 70 kg, ongeveer
30 kg, waarvan 20 kg aan de benen. Spieren zijn opgebouwd uit 2 soorten
vezels. De Slow Twitch vezels(ST), de Rode Vezels, bevatten veel
Myoglobuline, dat O2 bindt en voornamelijk een rol speelt bij
duurprestaties. Daarnaast zijn er Fast Twitch vezels (FT), de Witte
Vezels, waaronder type B, bestaande uit vezels die zonder O2 veel sneller
samentrekken en daarom van belang zijn bij een sprint. Een sprinter zou
daarom theoretisch meer Fast Twitch vezels, type B moeten hebben. Top
coureurs hebben gemiddeld 71% Slow Twitch vezels. Bij marathon lopers ligt
dit veel hoger: tussen de 80 en 90%. De sprint wordt met S.T. vezels
voltrokken onder verbruik van een kleine voorraad "superbenzine", het ATP
en CrP, voldoende voor 10 15 seconden. Na verbruik wordt dit weer snel
aangevuld. Een sprinter kan dus "steendood zitten" en toch de eindsprint
winnen (op zijn ATP). Zelfs na enkele tussensprints vooraf. Mogelijk dat
gebruik van extra Creatine, als poeder opgelost, van voordeel kan zijn.
De techniek van het sprinten, is al even verschillend als de kleur van de
wielerkleding. De meesten zitten wat meer naar voren, op de punt van het
zadel, dat iets omhoog staat. In vergelijking met baansprinters staat het
zadel echter minder hoog en minder ver naar voren. De bindingen met Look,
Shimano of Time, komen de sprint ten goede. Het "over de finish smijten met
de fiets", komt tot stand door de armen te strekken, de kont naar achter
omhoog, en de neus richting stuur.
Door specifieke training zal het percentage F.T. vezels nauwelijks in
gunstige zin veranderen. Toch zullen de nog te vermelden trainingsvormen de
specifieke stofwisseling stimuleren en de F.T. vezels in volume kunnen doen
toenemen. Niet de lengte, maar de dikte van de spier is bepalend voor zijn
kracht. Een (baan)sprinter heeft daarom dikke dijen. De optimale
trapfrekwentie tijdens een sprint ligt op de baan bij 180 per minuut, op de
weg bij 130. 's Winters is krachttraining aangewezen, in de vorm van
specifieke isometrische en isotonische oefeningen. Verder baantraining,
rijden achter een brommer en trainen met een "doortrapper" (pignon fixée).
Voor de coördinatie van de eindsprint, is cyclecross geschikt.
Intervaltrainingen kunnen goed op intensiteit gecontroleerd worden met een
hartslagmeter.
Vele renners zullen echter nooit leren sprinten. Jan Raas vertelde eens
over Henny Kuiper: " al moet ik in een eindsprint eerst 10 keer om hem heen
draaien, dan nog wint ie nog niet van mij". En Poulidor wist in 17 jaar
beroeps wielrennen, niet 1 wedstrijd in een eindsprint met anderen te
winnen. Leeftijd is in zoverre van belang, dat naar mate men ouder wordt de
verhouding F.T./S.T. afneemt, wat het uithoudingsvermogen ten koste van het
sprintvermogen ten goede komt.
Tactische aspecten spelen een zeer belangrijke rol in de eindsprint. Het in
de wind zetten van de renner, weg demarreren langs dranghekken, het
ploegenspel, het zelfvertrouwen en de noodzakelijke brutaliteit zijn de
vaste onderdelen. En verder moet het natuurlijk mentaal kloppen bij de
sprinter. Anders is hij al bij voorbaat geklopt.
--
Ton Verheij, huisarts
Sonsbeekweg 30
6814 BC Arnhem
Tel: 026,4422456
http://home.worldonline.nl/~tcverhey
Fax: 026,4450513
Het benodigde verzet om te sprinten is echt alleen afhankelijk van wat de
"concurrentie" op dat moment rond kan trappen. Zo kan het dus gebeuren dat
jij met een 52x16 best kan winnen als de rest deze niet meer rond kan
trappen OP DAT MOMENT!.
Hans ter Veer
w.a. van Kleef <kl...@pi.net> wrote in article <3442BF...@pi.net>...
> Na enkele honderden meters voor de meet op kop te hebben gelegen werd
> Leon Van Bon derde bij het WK-wielrennen in San-Sebastian. Zette Leon
> van Bon in de finale van het WK-wielrennen te vroeg de sprint in?
>
> Mijn indruk is dat van Bon drie honderd meter voor de streep weinig
> anders restte dan de sprint in te zetten. Een achtervolgend groepje met
> onder meer Mauri en Jalabert was op dat moment reeds tot enkele meters
> genaderd. Zou Van Bon gewacht hebben, dan zou de groepje ongetwijfeld
> zowel hem als Brochard simpelweg gepasseerd zijn. Bovendien was
> Brochard ijzersterk. Gegeven de omstandigheden is de derde plek zo gek
> nog niet.
>
> Leon van Bon sprintte met het verzet 53*11 en gaf op TV toe aan het eind
> stil te vallen. Gegeven de zwaarte van het parcoers verbaas ik mij over
> dit soort versnellingen en vraag mij af of niet eenzelfde of
> betere demarrage met een kleiner verzet haalbaar is.
> Ik ben slechts een bescheiden coureur, maar in de de koersjes en
> clubwedstrijdjes die ik mocht rijden, lukte het mij menigmaal om met een
> verzet van 52*16 (soms 15) de concurrentie voor te blijven bij eind- of
> tussensprints.
>
> Resumerend dus:
> 1 Van Bon maakte mijns inziens geen taktische fout.
U> From: "w.a. van Kleef" <kl...@pi.net>
U> Subject: Leon van Bon, te vroeg gesprint?
U> 2 Is het sprinten in zware versnellingen een absolute
U> noodzaak?
Tegenwoordig doet men dat met 53x11.
De tijd die je dat sprintend volhoud is beperkter. Met een
klein verzet kom je met deze snelheden niet meer aan de bak,
het is wel zaak om met het juiste verzet richting meet te komen.
Dan heb je nog wat over in de benen, voordat het echte werk
begint. Je kan hieraan wat cijferen: vermogen, kracht, trap-
frekwentie en bij versnellen dito maar dan de delta's van
vermogen, kracht, trapfrekwentie. Als je naast deze
kinematische zaken ook nog de fysiologische kenmerken van het
lijf hierbij beschouwt dan is het duidelijk wat je vraagt en wat je moet kunnen
presteren.
Dat cijferen om in te zien wat er gebeurt en nodig is, is wel mogelijk.
Het is alleen wat lastig leesbare kost als je niet van cijfers houdt.
En de wiskundige notatie levert wat beperkingen op, maar daar is uit
te komen.
sjuus,
Met vr. groeten,
Wim
--
|Fidonet: Wim Oomen 2:500/143.14
|Internet: Wim....@p14.f143.n500.z2.hccfido.hcc.nl
|
| Standard disclaimer: The views of this user are strictly his own.
>
>Vroeger werd de eindsprint ingezet op 52 * 15, hooguit op de 14.
>Tegenwoordig is het gebruik van 55 * 11 bij de profs gewoonte, zonder dat
>er sneller gesprint wordt dan vroeger. Bedenk eens dat baansprinters 24 * 7
>gebruiken, hetgeen overeenkomt met 48 * 14......
Is dit verschil ergonomisch te verklaren?
>
>De hartfrequentie reageert bij een sprinter anders dan bij een tijdrijder.
>Men deed eens een sprinttest met Darrigade en Anquetil. Bij Darrigade liep
>de hartfrequentie snel op vanaf 65 (rustwaarde) tot 200. Bij maītre Jacques
>liep het op van 45 naar maar 120.
Wie van de twee is de sprinter?
> Een sprinter zou
>daarom theoretisch meer Fast Twitch vezels, type B moeten hebben. .....
> De sprint wordt met S.T. vezels
>voltrokken onder verbruik van een kleine voorraad "superbenzine",
Waarom moet een sprinter meer F.T. vezels hebben als hij S.T. vezels
voor de sprint gebruikt?
> De bindingen met Look, Shimano of Time, komen de sprint ten goede.
Waarom?
ruud
--
Alex Barten | ajba...@cybercomm.nl | www.cybercomm.nl/~ajbarten
====> Racing Biker & Amiga Freak.
====> Koga Miyata Granwinner Alloy - Ultegra 600.
====> Amiga 1230/882 50/50, 16mb fast, ZIP, CD, 28K8, HP500, C=1960.
Niels Geerts <ni...@wfw.wtb.tue.nl> wrote in article
<61v6mf$d...@tuegate.tue.nl>...
> w.a. van Kleef (kl...@pi.net) wrote:
> : Na enkele honderden meters voor de meet op kop te hebben gelegen werd
> : Leon Van Bon derde bij het WK-wielrennen in San-Sebastian. Zette Leon
> : van Bon in de finale van het WK-wielrennen te vroeg de sprint in?
>
> [knip]
>
> : Leon van Bon sprintte met het verzet 53*11 en gaf op TV toe aan het
eind
> : stil te vallen. Gegeven de zwaarte van het parcoers verbaas ik mij
over
> : dit soort versnellingen en vraag mij af of niet eenzelfde of
> : betere demarrage met een kleiner verzet haalbaar is.
> : Ik ben slechts een bescheiden coureur, maar in de de koersjes en
> : clubwedstrijdjes die ik mocht rijden, lukte het mij menigmaal om met
een
> : verzet van 52*16 (soms 15) de concurrentie voor te blijven bij eind- of
> : tussensprints.
>
> : Resumerend dus:
> : 1 Van Bon maakte mijns inziens geen taktische fout.