Sfinx Gent

0 views
Skip to first unread message

Temeka Danca

unread,
Jul 21, 2024, 11:40:39 AM7/21/24
to lbefpiluketp

This art house cinema originated in 1912, when it was a banqueting hall which included films. Its frequent name changes were due to changes in ownership - Patria Cinema until 1920, Regent Cinema 1920-1924, Splendid Cinema 1924-1928. In that year the renamed Cine Palace was remodelled in an Art Deco style by Geo Haider. However this was considered dated in 1952 when more updating gave the cinema the name Plaza Cinema.

In 1977 the cinema was tripled as the Calypso Cinema and had a first floor caf. It has been known as the Sphinx Cinema since 1986 and now has 5 screens plus a large ground floor caf/bar with outside seating. The Gent Design Museum hold sketches, plans and photos of the Sphinx Cinema over the years.

sfinx gent


Download Zip --->>> https://shurll.com/2zwsCU



WANNEER Hans Morgenthaler, de Zwitsersche alpinist, de bergen - zijn bergen - intrekt, wordt het ieder keer een blijde tocht van strijd en overwinning. De verlaten muren van sneeuw en ijs worden hem levende gestalten. Zij spreken en bewegen, - maar vooral: zij weren zich tegen de driestheid van den jongen kampioen die het zich ten doel heeft gesteld hun verlatenste hoeken en toppen te verkennen

lingen getuigen: de Nederlandsche tekst is den Duitsche op den voet gevolgd en is literair evenveel waard. Als uivoering is de Nedl. band verreweg superieur: band, druk, papier, - en eindelijk de 32 autotypien die de wit-en-zwart schetsen in de Duitsche uitgave voordeelig vervangen. Een staaltje van de Nederlandsche vaardigheid op dit gebied.

1) Waar zijn we gekomen? De philosofie der wetenschap heeft zich ten koste der metaphysiek ontwikkeld; haar methode is binnengedrongen in gebieden waarover de metaphysiek voortijds oppermachtig regeerde: zoo b.v. de moraal. Volkomen schijnt dus de zege van het positivisme.

geloof willekeurig en dan is het op zijn minst even onwetenschappelijk als de gewraakte metaphysiek; ofwel steunt het op het methodisch onderzoek der wetenschap. Men beweert dat het op dit laatste berust. De wetenschappelijke methode ontmoet in haar positief onderzoek nooit iets anders dan de stof, dus het stoffelijke, en daarom loochent ze gelijk welk ander bestanddeel, dat niet middellijk of onmiddellijk tot haar behoort. Ze kan immers geen ander element ontmoeten in de hypothese dat het er een besta, aangezien het aan haar bepaling van het feit ontsnapt en ze niets anders betracht dan het materialistisch feit. Ze weigert dit door haar materialistische overtuiging.

grondigste studie van Kant juist samenvalt met deze periode, hoe juist al de hoofdvertegenwoordigers der Kant-philologie - B. Erdmann, F.R. Lange, Lotze, A. Riehl, H. Vaihinger en ten laatste G. Simmrel hun beste krachten wijden aan de definitieve exegese van Kant's hoofdwerk.

keerd standpunt uit, is de tegenvoeter van het positivisme: ook is het niet te verwonderen dat zijn wetenschappelijke deductie's heel andere vraagteekens ontmoeten dan de voorgaande. A. Comte vond de zwarigheid zijner leer in de verklaring van het levende, van het organische wezen. Ravaisson ontmoet de moeilijkheid in deze van het inerte wezen. Wat schijnbaar niet leeft, staat buiten het eerste zicht van het systeem. Het leven is de eerste werkelijkheid, die alle andere verklaart. Het leven! De grondelooze positivistische twisten bewezen Ravaisson dat het leven niet om te zetten is in de gefixeerde formules der wetenschap, dat het bijgevolg nutteloos is hun hulp en raad te vragen. Het leven is een ervaring, soit: maar een ervaring uit de individueele zielkunde, die de introspectie alleen bezien kan. Deze introspectieve ervaring moeten we analogisch op de inerte dingen toepassen. Een ervaring uit de psychologie laat ons toe de wezenheid van het levenloos ding te begrijpen. We ervaren in ons de gewoonte; in ons is de gewoonte een tendenz der spontaneteit naar de inertie, een ten denz, dus nooit een volledig bereikte inertie, maar een gegradueerde lijn naar dat standpunt. De stof is iets dergelijks: ze is in de grond spontaneteit, geen materie maar spiritualiteit, die gekomen is op een grondiger gefixeerd standpunt dan de psychologische gewoonte. De kwantitatieve wetenschap is dus de wetenschap van het oppervlakkige en het schijnbare wezen, maar het echte, onvervalschte wezen ontsnapt haar. Ze is een benadering, geen echte weergave. Alle wezen is geest, en de volledige inertie is wat J. Kant een nooit te bereiken grensbegrip zou noemen, terwijl de wetenschap haar juist als verwezenlijkte inertie behandelt: Daarom is deze kenniswijze niet grondvalsch, maar ook niet grondwaar; maar daaruit vloeit onverbiddelijk de eisch dat deze laatste zich niet beroepen zou op alleen-geldigheid en algemeen-geldigheid. We hooren de echo van Schelling en het spiritualistisch monisme van Duitschland door de fransche text van Ravaisson heen. Op deze wetenschaps-kritiek zal nog een scherpere volgen, die met meer kleur en minder duitsche inspiratie de overdreven eischen der wetenschap zou kortwieken en haar definitief de weg versperren zal naar verdere verovering. Dit is de rol van:

Het determinisme is op zich zelf al heel wat ouder dan het positivisme en P. Bayle (OEuvres, La Haye, 1727, III, 794 a) merkt terecht op, dat men nooit gedaan heeft met de wilsvrijheid, wat Janet en Sailles nog hedendaags bevestigen (Hist. de la Philosophie, p. 356-57, 10 ed. 1918). Het positivisme is wat de vrijheid van de wil betreft enkel een phase van de betwisting. Maar deze phase is van gewicht, omdat het positivisme zelf hoofdzaak gemaakt heeft van de vrijheidskritiek. A priori moet de vrijheid een groot euvel zijn voor de wetenschappelijke postulaten en dezer methodische grondslagen, opdat de geesten zich zoo hard en zoo onbarmhartig weren tegen deze eigenschap van de menschelijke wil.,

wat is, het individueele, concrete feit dat ik voor oogen heb; de ervaring echter wat zijn moet; de waarneming leert het contingente, de ervaring het noodzakelijk zijn van een synthesis. Boutroux maakt een handige toepassing van deze gedachte. De wetenschap zegt hij, steunt enkel op waarneming volgens het positivisme (op feiten), dus kan ze onmogelijk aanleeren wat noodzakelijker wijze zijn moet. Welnu ze aanziet het determinisme noodzakelijkerwijze als eenige bestaansmodaliteit der wezens. Dus beweert ze iets, waartoe haar gronden geen verrechtvaardigbare aanleiding geven. Zoo vertolkt Boutroux het valsche dat we juist het positivistisch paralogisme noemden.

een volledig adequaate voorstelling is der physische orde. Boutroux is van oordeel dat deze orde niet op haar geheel tot mathematische formulen om te zetten is, en dat bijgevolg al wat uit die opvatting vloeit als niet afdoende beschouwd worden kan. Dus ook niet het determinisme. De spontaneteit is volgens hem klaar door de biologie bewezen; de wetten, die het leven beheerschen zijn geen mathematische maar evolutiewetten, die alzoo de vestiging van het determinisme onmogelijk maken. In het leven kan de wetenschap dus haar principes, die ze op de physische wereld toepast, niet invoeren en geen determinisme bijgevolg bewijzen. Hier komt weer een echo van J. Kant te voorschijn; daarom, zegt Boutroux, moeten we determinisme van noodzakelijkheid onderscheiden. Het determinisme is een woord dat het totaal der voorwaarden tot de wording van een verschijnsel uitdrukt en in die voorwaarden kan zeer goed de vrijheid begrepen zijn. De wetenschap kan dus de stoffelijke eenheid der wereld, die ze a priori supposeert, niet bewijzen; ze kent de ware oorzaken der feiten niet, alleen zijn verschijningsvoorwaarden. Daarom is ze declaratief en niet explicatief; ook maakt ze zich illusie's over haar doel. Het doel der wetenschap is niet de voldoende verklaring van het gebeuren te geven, maar dit gebeuren te voorzien om pragmatische redenen. Een zekere bestendigheid in het gebeuren is daartoe onvermijdelijk, maar bestendigheid is nog geen determinisme.

GEDURENDE den laatsten semester, werden er in Voorazi en in Egypte, belangrijke ontdekkingen gedaan die, bij plaatsgebrek of wegens vertraging, niet in de Kroniek konden opgenomen worden. Ter aanvulling van Nrs. 7, 8, 11 van vorig jaar, mogen zij hier kort aangestipt worden.

van Gizeh te ontzanden. De lezer weet wellicht dat dit wonder nabij het vrgebouw van den tempel van koning Khefren (4e dynastie, 4000 vr Kristus) ligt. Uit de oudheid bezitten wij verscheidene berichten van dergelijke ontzandingen. De bijzonderste is wel die van Tutmes 4 ( 1425). Deze had een droom, waarin de Sfinx het doelwit was. Als gevolg daarvan liet de koning het beeld ontzanden. Hij herinnert daaraan op eenen granieten steen dien hij tusschen de vrpooten van den Sfinx nevens twee kalksteenen beelden liet opstellen. Veel later, en om dezelfde bescherming tegen zand, bouwde men eenen gebakken steenen muur rond hem. In 1883 en nu, werd hij nog eens van 't zand bevrijd.

De lijkkist bevatte eene menigte voorwerpen uit kostbare stoffen vervaardigd, waaronder: amuletten, een paar gouden sandalen met glaspasta en kostbare steenen bezet; een gouden kroon; een gouden masker; twee gouden zwaarden, n links en n rechts van het lijf neergelegd. Een gordel met twee dolken omsnoerde de lenden. Op de borst prijkte de gouden zonneschijf die hare vleugels ter bescherming van den doode uitspreidt: een sedert de IVe dynastie bekend zinnebeeld van den zongod. Gouden platen, met symbolische vlakbeelden versierd, bedekten de beenen... zoo merkwaardig is deze vondst nu eigenlijk niet, daar elke koninklijke kist van soortgelijke kostbare voorwerpen voorzien was, maar zij vult z degelijk den inboedel aan dien men tot hiertoe ontdekte... en op wiens sierlijkheid niet genoeg gewezen worden.

HET bewustworden van de noodwendigheid van een kunstuiting, die niet meer zou aansluiten bij oude stijlvormen, moest aldra in kunstmiddens het verlangen doen ontstaan overzicht te houden hoe kunstenaars van verschillenden aanleg en verschillenden landaard dit streven verwezenlijkten. Vooreerst waren Darmstadt, Dresden, en, juist vr het uitbreken van den oorlog, Keulen daar, om de Duitsche modernen gelegenheid te geven hun werk te toonen. In 1907 reeds werd, te Parijs, de gedachte aan een dergelijke, maar internationale manifestatie opgeworpen; gedachte die door een stemming in de Kamer van Volksvertegenwoordigers in 1912 uitzicht op verwezenlijking kreeg. Nadat achtereenvolgens 1915 en 1916 als tentoonstellingsjaren waren aangegeven, bracht de oorlog onverwacht uitstel en er gingen nog eens tien jaren voorbij eer de tentoonstelling er stond.

e59dfda104
Reply all
Reply to author
Forward
0 new messages