Erik
unread,Dec 11, 2009, 3:35:57 PM12/11/09Sign in to reply to author
Sign in to forward
You do not have permission to delete messages in this group
Either email addresses are anonymous for this group or you need the view member email addresses permission to view the original message
to GroenvanPrinsterer2011
Mr. Guillaume (Willem) Groen van Prinsterer (Voorburg, 21 augustus
1801 - Den Haag, 19 mei 1876), zoon van de staatsraad Petrus Jacobus
Groen van Prinsterer en Adriana Hendrika Caan, was een
antirevolutionair Nederlands politicus en historicus.
Groen van Prinsterer was kabinetssecretaris (1829-1836), lid van de
Kamer van Grondwetsherziening (1840) en lid van de Tweede Kamer
(1849-1857, 1862-1866).
Groen als grondlegger van de protestants-christelijke politiek
Christelijk politiek denken gaat terug tot Augustinus’ De Civitate Dei
en misschien nog verder, maar Guillaume Groen van Prinsterer wordt
door vriend en vijand gezien als de grondlegger van de protestants-
christelijke politiek in Nederland. Groen streed tegen ongeloof en
revolutie in staat en kerk en kwam op voor het christelijk onderwijs,
dat destijds niet gesubsidieerd werd en door de liberalen werd
afgewezen als schadelijk voor de nationale eenheid. Hij legde de
fundamenten voor de Anti-Revolutionaire Partij, die na zijn overlijden
zou worden opgericht.
De literatuur over Groen van Prinsterer is vrijwel alleen door
geestverwanten geschreven. Over Groen is nog steeds geen moderne
wetenschappelijke biografie verschenen. Groens tegenspeler Thorbecke
kreeg in 2004 zijn wetenschappelijke biografie, die gebaseerd is op
veel nieuw bronnenmateriaal. De biografieën van de historicus G.J.
Schutte uit 1976 en van Roel Kuiper uit 2001 hebben het grote publiek
als doelgroep en voegen in wetenschappelijk opzicht weinig toe. Wel
munt Kuipers biografie uit door wetenschappelijk verantwoorde
documentatie en is zij mede gebaseerd op nieuw onderzoek in Groens
ongepubliceerde nagelaten geschriften die in 1990/91 zijn uitgegeven.
Daardoor werpt het boek nieuw licht o.a. op de voorgeschiedenis van de
Onderwijswet van 1857.
Groen als publicist
Groen groeide op in een verlicht-conservatief Waals-hervormd gezin.
Hij studeerde in Leiden samen met Johan Rudolph Thorbecke, die later
zijn grote politieke tegenstander zou worden. Na zijn studie trad hij
in 1828 in het huwelijk met Betsy van der Hoop. Hun huwelijk bleef
kinderloos. Groen ging werken voor het Kabinet van de Koning en
verhuisde daarom met zijn vrouw naar Brussel. Daar kwamen zij dankzij
hun predikant J.H. Merle d’Aubigné onder de invloed van de
internationale geestelijke opwekkingsbeweging het Réveil. Een bekende
vertegenwoordiger van het Réveil in Nederland was de theatraal
tegendraadse dichter en reactionair Willem Bilderdijk. Een andere
voorman van het Réveil was de tot het christendom bekeerde Jood Isaäc
da Costa. Hij schreef in 1823 het reactionaire pamflet Bezwaren tegen
den geest der eeuw. Groen zou de reactionaire Réveilbeweging later in
antirevolutionaire richting leiden.
In oktober 1829, toen Groen inmiddels naar Den Haag was teruggekeerd,
bracht hij anoniem het blad Nederlandsche Gedachten uit. Hierin
verzette Groen zich tegen de ‘revolutiegeest’ die in 1830 tijdens de
Belgische opstand in alle hevigheid uitbarstte. 1829 kunnen we daarom
beschouwen als het geboortejaar van de antirevolutionaire richting,
lang voor er sprake was van een politieke partij. Politieke
partijvorming in de huidige zin des woords was toen nog geheel
onbekend. De naam Nederlandsche Gedachten slaat ook op het
nationalistische karakter van het blad. Groen wilde het volk van
Nederland opwekken tot een nationaal besef, waarin hij in de 19e eeuw
niet alleen stond, maar hij identificeerde de Nederlandse identiteit
meer dan de liberalen met het protestantisme en de rol van Oranje in
de geschiedenis. Aan de populariteit van de drieslag God, Nederland en
Oranje ('een drievoudig snoer dat niet spoedig verbroken zou worden')
heeft Groen in belangrijke mate bijgedragen.
Vanaf 1837 steunde Groen de afgescheidenen, die zich in 1834 hadden
losgemaakt van de Nederlandse Hervormde Kerk. Net als de
afgescheidenen had Groen kritiek op het Algemeen Reglement van 1816,
dat de koning veel invloed gaf in de kerk, en op de opkomende
vrijzinnigheid. Groen wilde niet met de Nederlands Hervormde Kerk
breken, maar de Gereformeerde Gezindte in de Hervormde Kerk en
daarbuiten verenigen in zijn strijd tegen de vrijzinnigheid in de
kerk, in de staat en in de maatschappij. Hij zag wel bondgenoten in de
afgescheidenen, die echter in het algemeen behoorden tot de zgn.
'kleine luyden', die toen geen stemrecht bezaten, terwijl Groen tot de
elite van de Nederlandse samenleving behoorde en geen talent had voor
het populariseren van zijn gedachtegoed. Groen is dan ook wel
gekenschetst als ‘generaal zonder leger.’ Hij hield zich liever bezig
met vraagstukken als het karakter van de Nederlandse natie dan met de
gereformeerde confessie. De Anti-Revolutionaire richting was in de
ogen van Groen ook een kerkelijke richting: Le parti anti-
révolutionnaire et confessionnel dans l'eglise Réformée des Pays-Bas.
In 1846 verscheen Groens Handboek der geschiedenis van het vaderland.
Het Handboek was mede gebaseerd op archiefonderzoek van Groen. Hij was
in 1836 als archivaris aangesteld van het Koninklijk Huisarchief en
ontsloot in die hoedanigheid de correspondentie van de prinsen van
Oranje. Volgens historicus G.J. Schutte waren dit Handboek en vooral
Ongeloof en Revolutie, dat in 1847 verscheen, niet alleen historische
studies maar ook politieke manifesten. Het Handboek moest Groens
calvinistisch-orangistische nationalisme ondersteunen. Ongeloof en
Revolutie was vooral een aanval op het liberalisme.
Ongeloof en Revolutie is Groens hoofdwerk. Het was een bundeling van
een serie voorlezingen die Groen in de winter van 1845-1846 hield voor
een select groepje geestverwanten. Volgens Groen-biograaf Roel Kuiper
is Ongeloof en Revolutie ‘Geen muziek om van het blad te zingen’.
Groen schrijft namelijk niet gemakkelijk. Hij verwees vaak naar
buitenlandse schrijvers als Edmund Burke, François Guizot, F.J. Stahl
en Jules Michelet, citeerde in het Frans en in het Latijn, bezigde
soms telegramstijl en bediende zich herhaaldelijk van de samentrekking
en de onvolkomen zin, bijv.: “De Christen kent een beginsel, dat
vastheid aan de wetenschap geeft; dat opgevolgd, genoegzaam zou zijn
om de wankelende staatsgebouwen op onwrikbaar fundament te
herstellen.” De rode draad in Ongeloof en Revolutie is Groens verzet
tegen ‘revolutionaire’ staat die gebaseerd is op de door hem afgewezen
volkssoevereiniteit. Volgens hem is alleen God soeverein en is al het
gezag van Hem afkomstig. Een staat die geen rekening houdt met God, de
Schrift en de historie kan volgens hem alleen maar leiden tot
tirannie. Groens visie daarentegen kan volgens zijn critici leiden tot
theocratie en absolutisme. Groen zou zich echter na 1848 en vooral na
1857 in democratische richting ontwikkelen.
Groen als parlementariër
In 1849, een jaar na de grondwetswijziging, kwam Groen in de Tweede
Kamer. Groen had kritiek op de grondwet van Thorbecke omdat deze niet
christelijk zou zijn. Het betrof echter vooral de ‘revolutionaire
geest’ van deze grondwet. Praktisch had Groen veel minder bezwaar.
Wanneer we alleen afgaan op zijn denkbeelden zouden we Groen voor een
hele of halve absolutist kunnen verslijten, vooral voor 1848. Tot dat
jaar hing Groen C.L. von Hallers privaatrechtelijke opvatting over het
overheidsgezag aan, waarin het gezag werd opgevat als onvervreemdbaar
bezit van de gezagsdrager. Kort na 1848 stapte Groen hiervan af, toen
hij kennis nam van de ideeën van F.J. Stahl. Stahl verkondigde een
publiekrechtelijke opvatting over het gezag, die inhield dat het gezag
van de staat op Gods gebod van rust en orde, ten dienste van de
publieke gerechtigheid. Groen ontwikkelde zich tevens tot een gedegen
parlementariër. Hij stelde daarbij de Thorbeckeaanse visie op de
spelregels van de politiek ter discussie. Groens juridische benadering
verschilde van de aanpak van zijn vriend Da Costa, die politiek vooral
zag als getuigen.
Volgens de historicus Henk te Velde werkten Groen en Thorbecke op deze
manier onbedoeld samen aan het ontstaan van een parlementaire cultuur
in Nederland. Thorbecke omdat hij de grondwet schreef en de spelregels
bedacht waaraan parlementariërs zich zouden moeten houden, zoals de
onafhankelijkheid van de gekozene en de rationaliteit van de
discussie; Groen omdat hij deze spelregels bekritiseerde, zich
zodoende opwierp als de vertegenwoordiger van de orthodoxe
protestanten en zei dat geloofsaangelegenheden ook in de politiek
thuis hoorden. Volgens Roel Kuiper heeft Groen op deze manier
bijgedragen aan de cultuur van debat en oppositie. Groen eiste het
recht van oppositie op. Die had in het Engelse parlement al een
erkende plaats, maar in het Nederlandse parlement nog niet. Thorbecke
en de zijnen keken te veel naar het Franse en Belgische voorbeeld,
waar de regering het parlement domineerde.
Ondanks de ideologische verschillen waren Groen en Thorbecke in
meerdere opzichten aan elkaar verwant. De calvinistische Groen en de
lutheraan Thorbecke waren relatieve buitenstaanders, die het belang
inzagen van een goede volksvertegenwoordiging, openbaarheid van het
politieke leven en een werkelijk constitutionele monarchie. F.A. van
Hall was volgens Henk te Velde wat dit betreft de werkelijke
tegenstander van Thorbecke. De conservatief-liberale Van Hall wilde
namelijk niet al te moeilijk doen over parlementaire regels, en
regelde de zaken liever in de achterkamertjes. Groen was misschien
niet altijd even praktisch, plaatste zich met zijn principiële betogen
dikwijls buiten de discussie en deed voorstellen die bijna altijd met
grote meerderheid werden weggestemd. Thorbecke vond het desondanks
plezierig om met hem te debatteren, terwijl hij Van Hall’s manier van
politiek bedrijven verfoeide.
Groen heeft zich als parlementariër ingezet voor protestants-
christelijk onderwijs. Groen veranderde dikwijls van standpunt. Eerst
wilde hij een protestants-christelijke openbare school; vervolgens
ging hij pleiten voor gesplitste openbare scholen (voor protestanten,
katholieken en joden); en toen dit tenslotte ook niet haalbaar bleek
werd hij een voorstander van financieel gelijkberechtigd bijzonder
onderwijs. De omslag in het denken van Groen vond plaats in 1857. In
dit jaar werd de onderwijswet van Van Brugghen aangenomen waarin
gesteld werd dat het onderwijs algemeen-christelijk moest zijn. Een
christendom boven geloofsverdeeldheid was volgens Groen veel te
onbepaald. Hij was nu van mening dat onderwijs op protestants-
christelijke grondslag op bijzondere scholen moest worden gegeven,
maar ook dat openbaar onderwijs neutraal moest worden (liever dan
algemeen-christelijk) en zich moest onthouden van geestelijke
beïnvloeding van de bevolking. Volgens de historicus R.S. Zwart was
het voor Groen dus alles of niets.
Groen als theocraat
De onderwijswet van Van Brugghen betekende voor Groen ook het einde
van zijn streven naar de christelijke staat. De scheiding tussen kerk
en staat werd hierna door Groen aanvaard, maar niet van harte. Een
neutrale overheid was slechts een noodoplossing. In het gedachtegoed
van Abraham Kuyper zou de neutrale staat een prominentere rol spelen.
Abraham Kuyper was ondubbelzinnig als het ging om godsdienstvrijheid
voor alle gezindten. Volgens Groen echter was Nederland altijd een
protestants-christelijke natie geweest, verwoord in de uitdrukking het
drievoudig snoer God, Nederland en Oranje. Daarom had de Hervormde
Kerk zijns inziens recht op een prominente positie in de Nederlandse
samenleving. Toch was Groen geen voorstander van een staat die door de
kerk wordt overheerst. Hij sprak zich uit voor de theocratie maar
tegen geloofsvervolging:
“Wij wenschen geene theocratie, in zoo ver hierdoor priestergezag
of onderwerping van den Staat aan de Kerk aangeduid wordt. Wij stellen
ons geen droombeeld voor eener maatschappelijke vereeniging, die uit
enkel opregte Christenen zou bestaan en waar de Staat zich eigenlijk
oplossen zou in de Kerk. Maar wel gelooven wij aan de mogelijkheid […]
dat opnieuw het verband tusschen Godsdienst, gezag en vrijheid erkend,
en Gods oppergezag ten grondslage van Staatsregeling en wetgeving
worde gesteld. In zoo ver gelooven wij aan de mogelijkheid, aan de
wezenlijkheid, aan de noodzakelijkheid eener theocratie.”
Groen vond gewetensvrijheid belangrijk en was daarom van mening dat
religieuze minderheden als katholieken en Joden ook een plaats in de
publieke samenleving mochten innemen. Daar hadden deze groepen
historisch gezien recht op. Groen streefde volgens de RD-journalist en
historicus Van der Zwaag echter niet naar ongelimiteerde vrijheid van
godsdienst en geweten. In Nederland mocht geen gelijkheid opgedrongen
worden die de Bijbel op één lijn stelde met de Koran. De grondwet had
dit volgens Groen niet gewild. Groen stond een evenwichtige
bijbeluitleg voor. Als een bij uitstek antirevolutionair beginsel
citeert hij in Ongeloof en Revolutie de woorden uit Rom. 13: "Alle
macht is van God verordineerd", maar hij voegt er onmiddellijk aan
toe: "Ik wil geen uitlegging onderschrijven, welke ons verplichten zou
de booswicht die het moordtuig voorhoudt gehoorzaam te zijn, of de
gekroonde rover die gisteren de wettige Vorst verjaagd heeft heden als
een van God verordineerde macht te beschouwen." Deze "gekroonde rover"
passage is tijdens de bezetting van 1940/45 illegaal verspreid en
heeft nogal wat gereformeerden, die aarzelden om aan de "wettige
overheid" verzet te bieden, over hun aarzeling heengeholpen.
Groen als martelaar
Groen had in de Kamer antirevolutionaire bondgenoten, maar zij waren
net als Groen niet gebonden aan een programma. Dit zou pas bij Abraham
Kuyper aanvangen. De grenzen tussen liberaal, conservatief en
antirevolutionair waren na 1848 nogal vloeiend. Groen bijvoorbeeld
bemachtigde in de jaren vijftig via de conservatieve kiesvereniging
‘Koning en Vaderland’ van Gerardus Johannes Mulder zijn Kamerzetel. De
conservatieve humanist Mulder had echter een gans andere
levensovertuiging dan de diepgelovige Groen. Mulder – die in 1853 de
antipapistische Aprilbeweging mede organiseerde - moest bovendien
niets hebben van het parlement. Toch liep Groen in april 1866 nog met
het plan rond om met de conservatieven een anti-moderne partij te gaan
vormen. Groen zegde echter later dat jaar het vertrouwen in het
conservatieve kabinet Van Zuylen Van Nijevelt-Heemskerk op, toen die
zich tegen het bijzonder onderwijs keerde. In 1869 weigerde Groen
daarom ook om mee te gaan in de conservatieve Algemeene
Kiesvereeniging – volgens Bart Jan Spruyt feitelijk de eerste
politieke partij van Nederland - die door J. Heemskerk Azn. in 1868
was opgericht. De weigering van Groen om met Heemskerk mee te gaan en
de weigering van de conservatieven om zich duidelijker uit te spreken
over het christelijk onderwijs hebben het politiek conservatisme de
doodsteek toegebracht.
Door zijn breuk met de conservatieven geraakte Groen steeds meer in
het isolement. De kritiek die Groen leverde op de machtspolitiek van
het Duitsland van Bismarck versterkte zijn isolement, omdat zijn
antirevolutionaire vrienden het ‘revolutionaire’ Frankrijk als de
grote vijand zagen. Groens devies was echter “In ons isolement ligt
onze kracht”. Dat sloeg op de beginselvastheid van de door hem
voorgestane politiek, maar het zou ook kunnen slaan op zijn politieke
martelaarschap. Groen voelde zich een onbegrepen profeet, een roepende
in de woestijn. Aan het einde van zijn leven vertrouwde hij veel
antirevolutionaire kamerleden niet meer, die zijns inziens te
halfslachtig en te meegaand waren. Tijdens de aanloop naar de
verkiezingen van 1871 schrapte hij van een lijstje allen die hem
onvoldoende van dienst waren, overigens zonder hen hiervan van tevoren
op de hoogte te stellen. Groens actie was dan ook een vervelende
verrassing. Er bleven voor Groen nog drie antirevolutionairen over:
Kuyper, M.D. van Otterloo en L.W.C. Keuchenius. Zij waren volgens
Groen nog wel trouw aan de beginselen. Kuyper nam begin jaren zeventig
het stokje van Groen over als leider van de antirevolutionairen. Groen
overleed in 1876. Drie jaar na zijn dood zou de Anti-Revolutionaire
Partij als eerste politieke partij van Nederland worden opgericht en
op den duur grote successen boeken. In 1901 zou Kuyper zelfs minister-
president worden. En in 1918 werd door het liberale Kabinet-Cort van
der Linden eindelijk de onderwijskwestie opgelost. Groen heeft het
niet mogen meemaken. De ARP zou tot 1980 de oudste politieke partij
van Nederland blijven. Toen ging die op in het CDA.
Groens geestelijke erfenis
De invloed van Groen op het protestants-christelijke denken is enorm
geweest. Er zijn weinig politici die zo lang na hun dood nog navolging
kregen. Hij werd tot na de Tweede Wereldoorlog door de ARP vereerd,
hoewel minder dan Abraham Kuyper. Het wetenschappelijk bureau van het
GPV heette de Groen van Prinsterer Stichting, en het Wetenschappelijk
Instituut van de ChristenUnie heet nog steeds zo. En toen in 1967 het
Gereformeerd Gezinsblad werd omgedoopt tot het Nederlands Dagblad
verwees men naar het blad Nederlandsche Gedachten van Groen.
Groen werd in de twintigste eeuw pas populair. Zijn hoofdwerk Ongeloof
en Revolutie sloeg aanvankelijk helemaal niet aan. Buiten orthodoxe
kringen werd het boek overigens nauwelijks gelezen. Omdat Ongeloof en
Revolutie zo ontoegankelijk was, was het boek bovendien vooral voor de
elite. In de jaren dertig van de 20e eeuw beriep de NSB zich echter
ook op Groen. Dit was voor de antirevolutionairen een reden om eens
goed te kijken wat Groen huns inziens werkelijk zei. De ‘generaal
zonder leger’ was tijdens de Tweede Wereldoorlog bijzonder populair
bij de antirevolutionairen. In 1945 verscheen het boekje Wat heeft
Groen van Prinsterer ons vandaag te zeggen? van VU-historicus
Smitskamp. (Het werkje was al in jan. 1941 gereed maar werd door de
bezetter in beslag genomen.) In zijn interviews met bekende
Nederlanders stelde de historicus George Puchinger vaak deze vraag.
Volgens de GPV-politicus Piet Jongeling was Groen anno 1967 actueler
dan in zijn eigen tijd, omdat in 1967 de antithese duidelijker
zichtbaar zou zijn. De CHU-politica Wttewaal van Stoetwegen,
bijgenaamd de 'rode freule', gaf echter als antwoord: “Niets”.
Vooral behoudende protestanten beriepen zich op Groen en gebruikten
hem als stok om minder behoudende protestanten mee te slaan. De SGP en
de Hervormd-Gereformeerde Staatspartij verweten tijdens het
interbellum de ARP en de CHU van het pad van Groen te zijn afgeweken,
omdat beide partijen compromissen hadden moeten sluiten om te kunnen
regeren. Na de oorlog waren het vooral GPV, SGP en RPF die zich op
deze wijze op Groen beriepen. Toen Groens betekenis na de oorlog door
de wat meer vooruitstrevende protestanten werd gerelativeerd, kwamen
de meer behoudende protestanten fel in verzet. Een aanval op Groen
werd gezien als een aanval op de gereformeerde wereld in zijn geheel.
In 1949 en 1951 verschenen er vanuit de Vrije Universiteit enkele
kritische studies over Groens visie op de geschiedenis. Groen werd
onder meer determinisme verweten omdat hij de belonende dan wel
straffende hand van God direct in verband zou brengen met het wel en
wee van Nederland. Groen werd daarop vurig verdedigd door de
vrijgemaakte kerkhistoricus Jaap Kamphuis. Gezegd moet worden dat
Kamphuis de kritiek (tot op zekere hoogte) heeft gepareerd door Groens
visie op Gods straffende en belonende hand als een verbondscausaliteit
voor te stellen, d.w.z. niet deterministisch.
Groens reputatie als groot historicus blijft echter twijfelachtig,
vooral vanwege zijn te grote partijdigheid. Alle moderne twijfel ten
spijt blijft Groen onder zijn geestverwanten populair. De in 1987
opgerichte Vereniging van Christen-Historici (VCH) telt nogal wat
Groen-epigonen onder haar gelederen. Sommigen onder hen lijken er
zelfs een sport van te maken om 'hun' Groen te verdedigen tegen
aanvallen van de buitenwereld. De vrijgemaakte en reformatorische
jeugd moet weten wie Groen was. Daarom schreef schreef historicus Arie
Slob, tegenwoordig fractievoorzitter van de ChristenUnie, namens de
VCH een boekje over Groen van Prinsterer voor het middelbaar
onderwijs. De door Groen gemaakte tegenstelling tussen
volkssoevereiniteit en Gods soevereiniteit is ter discussie gesteld.
In zijn dissertatie zegt rechtsfilosoof Jan Willem Sap dat het
onderscheid tussen Gods soevereiniteit en volkssoevereiniteit vals is.
Dat is ook de mening van historicus Joost Rosendaal die beweert dat de
Nederlandse Opstand christelijk is geïnspireerd.
Zij die zich op Groen beroepen zetten zich vaak tegen de moderne
tijdgeest af: Bruins Slot verzette zich met een beroep op Groen tegen
de 'revolutie' in Indonesië; met Groen in de hand werd door de
reformatorische filosoof Mekkes de ‘progressieve’ ARP, die in 1952 tot
een regering met de PvdA toetrad, aangevallen; in 1976 wilde het GPV
niet met de ARP en de CHU Groen herdenken, omdat die laatste twee
partijen volgens het GPV van het pad van Groen waren afgeweken; in de
jaren tachtig werd met beroep op Groen de Algemene wet gelijke
behandeling bekritiseerd; en in een NRC-artikel uit 2000 fulmineerde
RPF’er André Rouvoet in de geest van Groen tegen het postmodernisme,
dat onder andere het homohuwelijk mogelijk zou hebben gemaakt.
Groenianen hebben de neiging om in dichotomieën te denken, met als
risico de wereld zo in een simplistische tweedeling te wringen en als
een Don Quichotte windmolens te bevechten. De Groeniaanse visie heeft
een versimpeling tot gevolg. De historicus Joris van Eijnatten
schrijft hierover:
“Groen took no trouble to indicate precisely by which means
Enlightenment leads to Unbelief, and Unbelief to Revolution. In his
view, each category entails to the other; wrong principles are not
coincidental with change, but intrinsic to it. His conception of
‘principles’ or beginselen as total explanations – explanations which,
like the anti-intellectualist subtleties of blood and soil
nationalism, require no causal explanation – helped endow the cosmos
with a stable sense and meaning.”
Groen heeft op deze manier min of meer aan de basis gestaan van het
zogenaamde beginsel- of worteldenken, het bekritiseren van niet-
christelijke denksystemen en ideologieën door alleen te kijken naar de
grondslagen. Zo schreef de latere GPV-leider Pieter Jongeling in de
hoedanigheid van hoofdredacteur van het Gereformeerd Gezinsblad in
1963 het boekje Beproeft de geesten, waarin hij alles toetste aan
Schrift en Belijdenis. De Apartheid in Zuid-Afrika kon de proef
doorstaan, de Wereldraad van Kerken niet.
Uit Jongelings houding ten aanzien van de Apartheid blijkt dat Groens
worteldenken ook een sterk nationalistische kant heeft. De
antirevolutionairen waren onvoorwaardelijk voor de handhaving van het
overheidsgezag en de nationale zelfstandigheid en verbonden God,
Nederland en Oranje vanzelfsprekend met elkaar.
Niet alleen de titel van het blad Radix van het Gereformeerd
Wetenschappelijk Genootschap verwijst naar het worteldenken, maar ook
de Wijsbegeerte der Wetsidee is hier sterk door bepaald. De filosoof
Herman Dooyeweerd heeft in navolging van Kant in de jaren twintig een
transcedentale kritiek van het kennen ontworpen. Al het kennen is
volgens hem religieus bepaald. Wetenschap kan daarom niet neutraal
zijn. Christelijke wetenschap moet vanuit eigen principes redeneren en
staat in dit opzicht tamelijk geïsoleerd van de ‘neutrale’ wetenschap.
Deze gedachten vinden we ook bij Abraham Kuyper terug, op wiens denken
Dooyeweerd sterk heeft voortgebouwd. De Stichting voor Reformatorische
Wijsbegeerte heeft primair tot doel de filosofie op basis dit
gedachtegoed, te ontwikkelen en te verbreiden.
Literatuur
* Tot een voorbeeld zult gij blijven. Mr. G. Groen van Prinsterer
(1801-1876), Roel Kuiper, Amsterdam 2001
* Groen van Prinsterer in Europese context, Jan de Bruijn en G.
George Harinck, Hilversum 2004
* De hedendaagse kritiek op de causaliteit bij Groen van
Prinsterer als historicus, Jaap Kamphuis, druk 1962, 52 blz.,
uitgeverij Oosterbaan en Le Cointre - Goes, ISBN 9060150872