Sociale Ongelijkheid

0 views
Skip to first unread message

Alexandrin Chaples

unread,
Aug 4, 2024, 10:47:11 PM8/4/24
to granalpetle
Eensamenwerkingsverband van minimaal n hogeschool, n universiteit, drie gemeenten en drie maatschappelijke organisaties kan subsidie aanvragen. Een hogeschool of universiteit is hoofdaanvrager en bestuurlijk verantwoordelijke. Andere samenwerkingspartners zijn mede-aanvrager.

ZonMw wil met deze subsidieoproep kennis ontwikkelen over de rol van bestaanszekerheid, sociale relaties, ervaringskennis en lokale sturing & uitvoering in relatie tot sport- en beweegdeelname. Het doel is om met onderzoek en innovatie bij te dragen aan een transitie, waarin sociale ongelijkheid wordt verkleind en de sport- en beweegdeelname van mensen met een lage sociaaleconomische positie wordt vergroot.


Er kan maximaal 1.600.000 euro subsidie worden aangevraagd. De samenwerkende partijen moeten een eigen bijdrage/cofinanciering (in cash of in kind) leveren van minimaal 20% van het aangevraagde subsidiebedrag. Het project start uiterlijk 1 november 2024 en heeft een looptijd van maximaal 34 maanden. De subsidie kan worden aangevraagd voor onder personele kosten (van onder meer onderzoekers), materile kosten en kosten voor communicatie & implementatie. Verder moet een deel van het budget gereserveerd worden voor organisatiekosten en het belonen van betrokken eindgebruikers.


MijnZonMw is een nieuw systeem. Wij raden u uitdrukkelijk aan vroeg te beginnen met het invoeren van uw aanvraag, minimaal n week voor de deadline. Neemt u bij vragen of problemen zo spoedig mogelijk contact op met ZonMw via de Servicedesk: servi...@zonmw.nl


Wilt u indienen? De volledige subsidieoproep is te downloaden als een PDF-bestand via de knop 'Download volledige subsidieoproep'. Deze kunt u rechtsboven op deze pagina vinden. Hierin staat alle specifieke informatie over deze oproep.


Wij raden u aan om, voordat u uw aanvraag digitaal indient, een Word-versie van uw aanvraag te printen (via Mijn ZonMw) en na te lopen op onregelmatigheden. Vooral als u uw aanvraag eerst in Word heeft opgesteld en vervolgens naar Mijn ZonMw heeft gekopieerd, kan het voorkomen dat sommige tekens (zoals aanhalingstekens) niet goed worden omgezet. U kunt dit in Mijn ZonMw zelf corrigeren.


De resultaten van dit onderzoek laten zien dat er in Nederland sprake is van structurele ongelijkheid. Het is belangrijk dat er iets wordt gedaan om deze ongelijkheid te verminderen, want het heeft niet alleen gevolgen voor mensen zelf, maar ook voor de samenleving als geheel.


Het SCP constateert ook dat beleid gericht op klassieke doelgroepen, zoals jongeren, ouderen en mensen met een migratieachtergrond, bij het verkleinen van ongelijkheid waarschijnlijk niet effectief is. Die doelgroepen komen namelijk in meerdere sociale klassen voor en kunnen niet over n kam worden geschoren.


Dan blijft de vraag: wat kan er door beleid wl worden gedaan om de structurele ongelijkheid aan te pakken? Dat kan ten eerste door kapitaaltekorten gericht aan te vullen. Voor de mensen waarvoor werk en scholing niet meer de juiste insteek is (doordat zij met pensioen zijn of een slechte gezondheid hebben), kan het bestrijden van eenzaamheid eraan bijdragen dat hun kwaliteit van leven verbetert.


Een tweede optie is om het stelsel zo in te richten dat alles er op gericht is om te zorgen dat mensen geholpen worden als dat op cruciale momenten in hun leven nodig is. Hiervoor moeten er toereikende basisregelingen zijn voor iedereen; met aanvullende regelingen voor groepen waarvoor de basis niet voldoende is. Organisatorisch vraagt dit om integrale wet- en regelgeving, waarbij verkokering bij departementen, lagere overheden en uitvoeringsinstanties wordt tegengegaan.


Ten slotte is het belangrijk dat er in beleid meer oog is voor het verband tussen ongelijkheid en sociale cohesie. Het onderzoek laat zien dat de sociale klasse waartoe men behoort samengaat met uiteenlopende visies op de samenleving, medeburgers en de overheid. Groepen in de lagere sociale klassen hebben vaker een laag vertrouwen in het kabinet en de overheid en gaan relatief vaak niet stemmen. Als de overheid en de politiek dit lage vertrouwen willen herstellen, is het vooral belangrijk om betrouwbaar te zijn en te laten zien dat ze naar burgers luisteren.




In het politieke en maatschappelijke debat gaat het vaak over verschillen in inkomen, vermogen of opleiding. Maar ongelijkheid omvat tegenwoordig meer dan dat. Daarom kijkt het Sociaal en Cultureel Planbureau in de reeks Verschil in Nederland naast dat economisch kapitaal ook naar de verdeling van andere hulpbronnen: sociaal, cultureel en persoonskapitaal. Het hebben van een netwerk dat steun biedt of je verder helpt; kunnen voldoen aan wat de moderne maatschappij van iemand vraagt (zoals het kunnen gebruiken van een computer of de Engelse taal spreken); niet alleen fysiek gezond zijn, maar ook mentaal; en hoe je eruitziet: het zijn allemaal elementen die bepalend zijn voor posities in de samenleving, en die de kansen van mensen kunnen vergroten of beperken.


Deze vier soorten hulpbronnen slaan neer in zeven kapitaalgroepen, zo blijkt uit deze studie. De verschillen in de (combinaties van) hulpbronnen die groepen tot hun beschikking hebben zijn aanzienlijk, en beperken zich niet tot het economische terrein. De structurele verschillen gaan bovendien gepaard met uiteenlopende visies op het eigen leven, de samenleving en op politieke en maatschappelijke kwesties. Als verschillen uitmonden in wrijving of conflicten, kan de cohesie in de samenleving onder druk komen te staan. Dat voorkomen is een opgave die ook het beleid raakt. Het rapport sluit af met enkele beleidsrichtingen die behulpzaam kunnen zijn om vanuit een brede visie op welvaart de aanzienlijke structurele verschillen in de Nederlandse samenleving aan te pakken.




Sociale ongelijkheid is zowel de ongelijke verdeling tussen personen en tussen groepen, van zaken die belangrijk worden geacht in een samenleving, als de ongelijke waardering en behandeling van personen en groepen, vanwege hun maatschappelijke positie en leefstijl. Ook rechten en plichten zijn niet gelijkelijk verdeeld. Onder meer verschillen in inkomen, kennis, gezondheid, sociale status en macht kunnen deze ongelijkheid versterken. Sociale ongelijkheid heeft zowel een economische als een relationele kant. Het economische deel betreft vooral het inkomen en de status, de relationele factor heeft vooral betrekking op machts- en afhankelijkheidsrelaties.


Verschillen in levensomstandigheden kunnen objectief worden vastgesteld. Daarnaast zijn er subjectievere sociale verschillen, met name in maatschappelijke positie: de sociale hirarchie of sociale stratificatie. De term sociale mobiliteit verwijst naar de mate waarin men van positie kan veranderen -opklimmen- binnen die hirarchie. Deze mobiliteit is vaak groter binnen eenzelfde sociale laag, dan tussen verschillende lagen.


In de westerse wereld is de sociale ongelijkheid in de twintigste eeuw afgenomen, hoewel de sociale mobiliteit nog altijd niet groot lijkt te zijn. Tegenover de derde wereld is de ongelijkheid toegenomen.


Terwijl Plato stelde dat ongelijkheid voortkwam uit specialisatie en taakverdeling, was het voor Aristoteles veel meer een natuurlijk gegeven. In de christelijke wereld was dit laatste eeuwenlang de norm. Na de middeleeuwen begon dit beeld te verschuiven.


Het bestaan van sociale ongelijkheid in de moderne maatschappij wordt wel verklaard vanuit twee verschillende mechanismes. Volgens Saint-Simon (1760 - 1825) zou niet iemands afkomst zoals in de standensamenleving, maar zouden individuele prestaties het onderscheid betekenen, en zo tot een opener maatschappij leiden: een meritocratie. Deze theorie van de industrile prestatiemaatschappij werd betwist door onder meer Karl Marx (1818 - 1883). Doordat kapitaal erfelijk is, zou afkomst nog steeds een grote rol spelen.


Tocqueville (1805-1859) zag in modernisering een beweging naar grotere sociale gelijkheid. Tegelijkertijd zag hij echter ook de gevaren. Zo zouden vrijheid en gelijkheid op gespannen voet met elkaar staan. Een te grote vrijheid gaat ten koste van de gelijkheid, maar andersom geldt hetzelfde. Hij stelde:


In een meritocratische samenleving zouden intelligentie en opleiding de plaats van het individu in de samenleving moeten bepalen; in werkelijkheid blijft het moeilijk om te stijgen op de maatschappelijke ladder. Bourdieu (1930-2002) leidde hieruit af dat de klassenstructuur zichzelf voortdurend reproduceert. Deze intergenerationele sociale immobiliteit hangt niet alleen samen met het economisch kapitaal als geld en onroerend goed, maar ook het cultureel kapitaal (kennis, vaardigheden, opleiding) en het sociaal kapitaal (relaties, netwerken). De individualiseringsthese en de reproductiethese zijn de twee uitersten en hoewel beiden bruikbare elementen bevatten, komt uit onderzoek een genuanceerder beeld naar voren.


Via een aantal sociologische stromingen wordt sociale ongelijkheid op een verschillende manier benaderd. Vanuit het functionalisme ligt de nadruk op de functie, oftewel de bijdrage van het verschijnsel in een sociaal systeem. De verschillen in beloning zouden er dan voor moeten zorgen dat de belangrijkste functies door de meest getalenteerde mensen worden vervuld.


De conflictsociologie stelt dat de samenleving niet zo harmonieus is als het functionalisme lijkt te suggereren, maar dat conflict een belangrijke rol speelt. Sociale ongelijkheid komt hier voort uit machtsverschillen. Volgens Marx zou dit tot uiting komen in een klassenstrijd.


De constructionistische benadering legt de nadruk op de sociale ongelijkheid die het resultaat is van sociaal geconstrueerde structuren. Dit is onder meer het geval bij gender, leeftijd en etniciteit.


De Gini-cofficint is een statistische maatstaf voor de ongelijkheid in een verdeling, met name voor inkomen of vermogen. De uitkomst is een getal tussen nul en n, waarbij nul correspondeert met volkomen gelijkheid, en n met volkomen ongelijkheid.


Een simpel, eenduidig antwoord op de vraag hoe ongelijk Nederland is, is niet te geven. Dat hangt af van de manier van meten. Wel duidelijk is dat de inkomensongelijkheid in ons land in vergelijkend perspectief laag is, terwijl de vermogensongelijkheid juist aan de hoge kant is. Dat blijkt uit de WRR-Verkenning Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid (WRR-Verkenningen nr. 28, 2014).

3a8082e126
Reply all
Reply to author
Forward
0 new messages