De opkomst van cyberchondrie: ziekteangst door het raadplegen van dokter Google.
‘Dat bultje zit er nog steeds he’, zegt mijn vriend als we samen in de badkamer staan. Hij heeft gelijk, er zit al lang een bultje bij zijn pols. Ik noem het een vetbultje, hij soms ook. Behalve als hij te veel tijd heeft om te piekeren, dan is het ‘waarschijnlijk helemaal foute boel’.
Hypochondrie komt volgens psychiater Frank Gerritse bij ongeveer vijf procent van de Nederlanders voor. De mate waarin iemand gevoelig is voor deze ziekteangststoornis wordt bepaald door aanleg, ervaringen en emotionele stabiliteit – maar dokter Google helpt natuurlijk niet mee. ‘Neem zinvolle informatie tot je,’ adviseert Gerritse, ‘maar onthoud dat negativiteit verkoopt, ook als het om gezondheidsnieuws gaat.’
Wat bij ons thuis helpt? Het symptoom-scrollen beperken en soms ‘simpelweg’ wachten tot er een nieuwe periode aanbreekt. ‘Als ik lekker in mijn vel zit en leuke dingen doe, denk ik er dus bijna nooit aan,’ zegt mijn vriend dan lachend.