Omgoedertrou te aanvaar is 'n fundamentele beginsel op Wikipedia. Die meeste mense probeer om die projek te help, nie om dit skade aan te doen nie. As dit nie waar is nie, sal 'n projek soos Wikipedia van meet af aan gedoem wees.
Wanneer daar 'n geskil voorkom, oorweeg om besprekingsbladsye te gebruik om jou siening te verduidelik en gee op u beurt ander die geleentheid om dieselfde te doen. Oorweeg dit of 'n geskil nie ontstaan as gevolg van verskillende perspektiewe nie en soek vir maniere om konsensus te bereik.
Wanneer ander jou bedoelings bevraagteken, moet u self probeer om steeds waar moontlik aan te neem dat ander goeie bedoelings het. Wees beleefd en volg die reguleringsprosedures, eerder as om by wysigingsoorlo of persoonlike aanvalle op die bydraers betrokke te raak.
Almal maak foute, hetsy dit gedragsfoute (soos persoonlike aanvalle) of inhoudsgebaseerde foute (soos die byvoeging van oorspronklike navorsing) is en kan gewoonlik reggestel word met 'n ligte vermaning. Daar sal egter altyd geskille op Wikipedia wees, waar geen beleid of gids 'n maklike antwoord voor sal h nie. Indien 'n geskil ontstaan mag dit wees dat die persoon nie probeer om die projek skade aan te doen nie. Bly kalm en oorweeg geskilbeslegting as verskille blyk onoorkombaar te wees; baie van hulle is nie.
Dit is nie nodig om 'n bydraer se aksies aan kwade bedoelings toe te skryf nie, selfs al is kwade bedoelings voor-die-hand-liggend, aangesien teenvoeters (soos die blok en ongedaanmaking van wysigings) op gedrag eerder as bedoeling gemik is. Vandalisme, die gebruik van 'n kouspop en herhaalde pogings om die konsensus omver te werp is voorbeelde van kwade/slegte bedoelings (alhoewel konsensus nie 'n maklike begrip is om vas te vat nie). Daar is prosesse om al hierdie probleme te hanteer. Hierdie gids vereis egter nie dat bydraers aanhoudend goeie bedoelings moet aanvaar ten spyte van bewyse tot die teendeel nie. Om aan te neem dat ander se bedoelings goed is beteken nie dat geen aksie deur redigeerders gekritiseer mag word nie, maar eerder dat die kritiek nie toegeskryf moet word aan kwade bedoelings nie tensy daar baie spesifieke bewyse daarvoor is nie.
Taal is 'n simboliese sisteem waar betekenis toegeken word op die basis van konsensus; hierdie betekenis wat toegeken word, is simbolies. Semiotiek vind sy oorsprong in die Griekse woord sēmeiōtikos (teken). Semiotiek is dus die wetenskap van tekens. Met ander woorde, die wetenskap wat op 'n sistematiese wyse teken(sisteme) en betekenisprosesse ondersoek[1]. Binne Semiotiek verwys 'n teken na X wat in die plek van Y staan; X verteenwoordig Y. Semiotiek bestudeer dus die teken op sigself, maar ook die sisteem waarin tekens funksioneer en waarvolgens tekens gekombineer word. Ferdinand de Saussure word beskou as die vader van moderne Semiotiek.
I define a sign as anything which is so determined by something else, called its Object, and so determines an effect upon a person, which effect I call its interpretant, that the later is thereby immediately determined by the former.
Hy veronderstel dus dat 'n teken iets is wat in die plek staan van iets anders. Dit wat die teken veronderstel of verteenwoordig word, noem hy die voorwerp[3]. Hierdie voorwerp staan ook bekend as die designatum, referent of denotatum. Hierdie teken (interpretant) word dan genterpreteer in die bewussyn van die interpreteerder. Derhalwe, onderskei hy drie moontlike verhoudings tussen 'n teken en sy voorwerp:
Die Switserse taalkundige en Strukturalis, Ferdinand de Saussure (1857-1913), speel 'n kardinale rol in die bestudering van tekens. Hy meen dat die studie van tekens nooit los van Strukturalisme gesien kan word nie. Hy noem sy strukturalistiese bestudering van taal as 'n sisteem van tekens Semiologie. Hy veronderstel dat die taalsisteem 'n sosiale konvensie in die gemeenskap is en dat elke individu 'n persoonlike of interne voorstelling van hierdie sisteem het. Vandag is die term Semiotiek egter meer gebruiklik. Binne sy bestudering van taal as 'n tekensisteem tref hy 'n belangrike onderskeid tussen die signifiant (aanduier) en die signifi (aangeduide). Eersgenoemde verwys na die teken (vorm) en laasgenoemde na die konsep (betekenis).
karakter van de wetenschappelijke lektuur om een meer intrinsieke reden in twijfel trekken: die lektuur berust namelijk op een volstrekt ondoorzichtige, subjektieve waarnemingstheorie. Ook al gebruiken de literatuurwetenschappers dezelfde termen om hun konklusies te verwoorden, de betekenis van deze termen blijkt van onderzoeker tot onderzoeker te verschillen.
(P-3)De goede lezer beschikt over een evaluatie-systeem met behulp waarvan de relevante feiten optimaal geselekteerd kunnen worden;(P-4)De tekst zelf bepaalt in hoge mate welke onderdelen van de waarnemingstheorie - en van het evaluatie-systeem - moeten worden geaktiveerd.
We willen nu, aan de hand van Kaysers beschouwingen over literaire technieken, nagaan op welke wijze (P-2) en (P-4) in Das sprachliche Kunstwerk (Kayser 1973) tot uiting komen. Kayser is van oordeel dat literaire technieken een scherp onderscheid mogelijk maken tussen de verschillende literaire genres (lyriek, epiek en drama). Dat wil zeggen dat hij een genre-specifieke status aan literaire technieken wil toekennen.
Deze suggestie, dat het wel of niet geboeid-zijn van de lezer terugvoerbaar is op de aan- of afwezigheid van een aantal literaire technieken, is een geval van (P-4), het postulaat dat zegt dat de lektuur in hoge mate wordt bepaald door tekstuele elementen. Zou Kayser ook (P-2) huldigen, dan moet dit tot uiting komen in de opvatting dat de lezer in staat is literaire technieken en hun effekt op betrouwbare wijze in teksten waar te nemen. Dat Kayser deze opvatting is toegedaan, kan met twee argumenten worden gestaafd.
De aanwezigheid van (P-2) en (P-4) in traditionele studies als die van Kayser kan vergoelijkt worden door op te merken dat oudere studies de rol van de lezer nooit systematisch hebben bestudeerd en uit zijn gegaan van een identiteit tussen wat degene doet die een tekst met wetenschappelijke pretenties onderzoekt en wat de lezer van een tekst doet - hetgeen de aangegeven postulaten ook in de hand werken.
Aan de hand van het bovenstaande kan de relatie verduidelijkt worden tussen Iser (1975) en de traditionele literatuurwetenschap. Bij Kayser is er, krachtens (P-4), sprake van homogeniteit tussen de lezersreaktie en wat er in de tekst staat - de lezer mag alles wat hij ervaart of meent te ervaren voor rekening laten komen van wat er in de tekst staat. Illustratief hiervoor is dat Kayser - en met hem, de traditi-
verschillende fasen. Allereerst worden de zinnen in een tekst grammatisch geanalyseerd. Alle segmenten die als naamwoordelijke konstituent fungeren worden vervangen door elementen uit de verzameling X, Y,...; alle segmenten die als verbale konstituent fungeren worden vervangen door een element uit de verzameling a, b,.... Waardoor de tekstuele elementen die noch als naamwoordelijke noch als verbale konstituent fungeren moeten worden vervangen, zegt Wienold niet. We krijgen, in deze fase, een weergave van wat er in de tekst staat in de vorm van de volgende formules: Xa, Yb, Zg, enz. Deze formules noemt Wienold primitieven.
Grotere moeilijkheden ontstaan, wanneer Wienold het tot dusverre geschetste apparaat gaat verduidelijken. De twee fasen van de analyse leveren de algemene vorm van een tekst op. Deze wordt genoteerd in primitieven en formuleringsprocedes die primitieven met elkaar verbinden (69). De specifieke primitieven en formuleringsprocds die nodig zijn om de algemene vorm van een tekst of van een type tekst te verkrijgen, worden gekozen uit een grammatika, de normaalvorm (72, 98). Wienold trekt nu een aantal parallellen tussen dit apparaat om teksten te beschrijven en de transformationeel-generatieve grammatika, die onoverkomelijke problemen doen rijzen.
werpen. Door de buitengewone globaalheid van Wienolds beschouwingen over tekstverwerking, zijn deze problemen minder verreikend dan die welke we zojuist hebben besproken. Wat de lezer met een tekst doet - het geven van een parafrase, het schrijven van een kritiek, het leveren van een vertaling, enz. - is onderdeel van een tekstverwerkingsproces. In dit proces worden naar aanleiding van een bepaalde tekst verwerkingsteksten - parafrases, kritiek, betekenisvaststelling, enz. - gemaakt. Een verwerkingstekst kan weer aanleiding geven tot een andere verwerkingstekst: op basis van een bepaalde kritiek kan men een tegenkritiek schrijven.
Onze kritische opmerkingen doen overigens niets af aan het feit dat Wienold (1972) vele behartenswaardige uitspraken bevat. Wienolds stelling dat de studie van teksten niet ondernomen kan worden, zonder het recipintengedrag daarbij in aanmerking te nemen, onderschrijven we. Ook zijn opmerking dat de manier waarop literatuur op school wordt onderwezen, de receptie van teksten diepgaand benvloedt (58), dat de interpretatie van een tekst op een normatieve basis geschiedt (164), enz., lijken ons juist. Wienolds studie geeft echter niet de middelen om het door hem, en door ons, gewenste onderzoek daadwerkelijk te ondernemen. Op dit punt is er aanleiding de kritiek geuit door Ihwe et al. (1974) en vooral door Beekman et al. (1976) bij te vallen.
In het voorafgaande hebben we geprobeerd plausibel te maken dat binnen een aantal vormen van literatuurwetenschap, die volgens ons representatief zijn voor het geheel van literair-wetenschappelijke studies, sprake was van twee postulaten, n dat zegt dat de lezer in staat is betrouwbare en direkte waarnemingen te doen over wat er in een tekst staat (P-2), en n dat zegt dat de lektuur in grote mate bepaald wordt door wat er in de tekst staat (P-4). Deze kwestieuze postulaten verhinderen dat men inzicht krijgt in wat er tijdens de lektuur van een tekst gebeurt.
Een rekonstruktie als zojuist omschreven, is eldersGa naar eind3 ondernomen en het zou te ver voeren deze, nogal uitgebreide, analyse hier te hervatten. We beperken ons dan ook tot de vermelding van de voornaamste konklusies die de analyse heeft opgeleverd.
3a8082e126