Strikt genomen overschrijdt de geschiedenis van de jazz-muziek in Antwerpen die
van de jaren 60: Antwerpen is altijd een nogal jazz-gevoelige stad geweest, om
redenen die ook mij vrij duister blijven - je kunt nu eenmaal niet álles op
rekening van de haven schrijven. Maar de periode van de grootste eigen
activiteit op dat gebied moet in de jaren 50-60 gesitueerd worden. Toch is het
vrij moeilijk een enigszins gestructureerd overzicht te geven. Bandopnames,
laat
staan platen, zijn er vrijwel niet, het geheugen van de betrokkenen blijkt op
zijn zachtst gezegd nogal wat hiaten te vertonen en affiches of ander
publicitair materiaal bestaan haast niet, omdat de muziek meestal tot stand
kwam
gedurende jam sessions. Het jazz-leven in Antwerpen was zoals de muziek zelf:
geimproviseerd, gebonden aan het toevallige ogenblik, nu-is-het-er-nu-is-het-
er-niet-meër. Daarom splits ik dit stuk op in drie onderdelen: milieu, mensen
en
muziek. Van een impressionistische toestand kan men enkel een impressionistisch
portret schetsen, maar dat zal, hoop ik, op zijn minst het enthousiasme, de
spanning en de atmosfeer aangeven, zonder er uiteraard een getrouwe, of zelfs
maar bij benadering volledige kopie van te zijn.
A. Het milieu
Het is hier al herhaaldelijk gezegd: het centrum van het alternatieve uitgaans-
en artiestenieven lag sinds het begin van de jaren 50 rond de Stadswaag, een
middeleeuws plein omringd door oude stapel- en herenhuizen die meer en meer een
ontspanningsfunctië kregen. Het belangrijkste café op dit gebied was de Gard
Sivik, in 54 geopend door Herman Denkens en al vlug een verzamelplaats voor al
wat zich graag avant-gardistisch noemde. Eén van de meest bekende tijdschriften
van de 'nieuwe' literatuur (de tweede golf van de Vijftigers dus) werd er ten
doop gehouden en kreeg zelfs de naam gard sivik mee. Voor Paul Snoek, Hugues C.
Pernath, Hugo Raes, René Gysen, Gust Gils, Jan Christiaens e.a. was het een
vaste pleisterplaats, en ook heel wat plastische kunstenaars (Vic Gentils, Paul
Van Hoeydonck, Jef Verheyen en Bert De Leeuw bvb.) zochten er lafenis en
vergetelheid. Stilaan echter werd er ook muziek gemaakt, vooral omdat
verschillende jongeren die vanuit de Academie naar de Gard afzakten ook op het
terrein van de jazz hun weg zochten. Maar dé grote doorbraak van de muziek kwam
in 58 toen Mike Zinzen, een jong saxofonist, na een optreden op een
jazz-festivalletje op de Stadswaag het lokaal ontdekte, er eerst op verliefd
werd en er later zelfs als barman en gérant werkte. Onder zijn hoede groeide de
Gard uit tot het Antwerpse jazz-café bij uitstek, en het zou blijven
voortbestaan tot in de jaren 80, zij het na 61 onder een andere leiding
(pianist/bassist Johan Koopmans) en stilaan afbrokkelend van een avantgardecafé
naar een (gezellige) jazz-tearoom. Maar bijna drie jaar lang gebeurde alles wat
met 'moderne'jazz te maken had in de Gard, met een paar uitlopers naar andere
café's zoals de Stal aan het binnenpleintje in de belendende Moriaanstraat,
geëxploiteerd door de ouders van Butch Peleman, een veelbelovende jonge
drummer,
of de Zigeunerkelder waar onder impuls van Gregor Kartái al wei eens
'Romandische'jazz te beluisteren viel. In de jaren 60 bleek de Gard uitgezaaid
te zijn. Zinzen zelf had na een bewogen periode in Barcelona de Hom Club
geopend
in de Venusstraat, het eerste van zijn (overigens steeds over kop gaande)
'grotere en sjiekere' jazz-clubs, maar die kende slechts een kort bestaan.
Vervolgens begon hij in juli 62 met De Mok (genoemd naar een koffiehuis in
Barcelona, en dus niet de afkorting van 'Mikes Opium Keet', zoals de politie
vermoedde ... ). Dit café zou voor de jaren 60 worden wat de Gard Sivik voor de
jaren 50 betekend had.
Twee jaar lang sloot het café niet en werd het dé ontmoetingsplaats voor
iedereen in Antwerpen (en daarbuiten) die van ver of van nabij iets met moderne
jazz te maken had. In 64 werd de formule gewijzigd en kwamen er vaste openings-
en sluitingstijden. De Mok werd een 'club' met een meer gedistingeerde
binnenhuisarchitectuur, duurdere drankjes en muziek op vaste tijdstippen
(live-muziek wel te verstaan, want ook pick-up en bandopnemer hadden hun
intrede
gedaan). Maar de soms wat megalomane Mike zag het nog groter (het moet gezegd
dat de Mok, een oude hoerenkast, maar uit twee ruimtes bestond, en dan nog niet
van de grootste ... ) en wist een hele reeks personen en firma's te
interesseren
voor zijn plannen voor de Sibemoi, een reusachtig pand aan het Vleminckxveld,
dat bestond uit een café, een jazz-club, een wat dubieuze 'night-club', een
sandwich- en koffiebar en een ijsstand. In dit geval had hij echter vééi te
hoog
gegrepen, en na een zestal weken ging de Sibemol failliet, na overigens zelfs
buitenlandse jazz-groten op de affiche gehad te hebben (Martiai Soial, Nedley
Eistak,
Lou Bennett ... ). Het zou het laatste experiment van Mike Zinzen in de
jazzkroegen-business zijn, maar het mag rustig worden gezegd dat hij, zeker wat
lokalen betreft, zijn onuitwisbare stempel heeft gedrukt op het Antwerpse
jazz-leven van ongeveer 1957 tot 1966 - tien jaren die ook nu nog in de geest
van hen die het meegemaakt hebben (muzikanten én publiek) als 'legendarisch' te
boek staan. Mike Zinzen was dus de spilfiguur, maar zijn cafés waren niet de
enige waar jazz te beluisteren viel. Ai vanaf de jaren 40 kon men in Antwerpen
in verscheidene cafés (vooral rond het Statiekwartier, de Vestingstraat en het
De Koninckplein) terecht voor jazz-van-de-plaat, waarbij men dan wel te rekenen
had met de persoonlijke smaak van de exploitant. Die rol werd in de jaren 60
overgenomen door de vele bruine cafés, waar heel dikwijls naast de plaat ook
live-muziek te beluisteren viel. Zo was er een tijdlang (60-63) de Blue Note in
de Statiestraat, genoemd naar de beroemde jazz-clubs in New York en Parijs en
geopend door een stel Hollanders. De meest homerische jazz-battle die ik ooit
meemaakte vond daar plaats, in de winter van 61-62, met een groep waarin bijna
alle toen belangrijke Antwerpse jazz-muzikanten speelden. Coltrane had zoiets
toen nog niet geconsacreerd, maar die avond werd er één stuk van beduidend
langer dan een uur ten gehore gebracht, tot wanhoop van de drummer (Butch
Peleman) die zowat de enige was die het de hele tijd moest volhouden. Waar de
Blue Note en de cafés van Mike Zinzen resoluut jazz-clubs wilden zijn, deden
andere zaken het wat kalmer aan. Zo was er'de Zaziko Bar, gerund door de al
genoemde Jef 'De Mep' Hermans (en vooral ook door zijn kordate moeder .. ),
oorspronkelijk een nogal vreemd café waar vooral zeelui en basketballers samen
kwamen in een soms wat wankel evenwicht. Het werd ontdekt door Butch Peieman en
Cel Overberghe, en al vlug kwam er een derde categorie klanten over de vloer:
muzikanten, dichters, schilders, filosofen en al diegenen die er voor wilden
doorgaan, of gewoon graag ellebogen wreven met ,artiesten'. Dit alles overigens
tot grote vreugde van Jef, die zich de rest van zijn leven eerder met dát soort
mensen dan met zijn originele klanten zou vereenzelvigen. En ook daar werd dus
nu en dan jazz gespeeld (én poëzie voorgedragen -jazz & poëzie, toch een
ongemakkelijk huwelijk, was in die tijd erg in). Er was het Pannenhuis (op de
gevel stond 'Panenhuis'), van oudsher een artiestenkroëg, met aan de muur
schilderijen van Paul Joostens tot aan Fred Bervoets toe, in leen gegeven om de
schuld te dekken. Er was de Vécu, toen de nieuwste loot aan de kroegenstam,
opengehouden door Marco, in naam een privé-club, maar het was er wel iedere
avond open deur. En er waren galeries zoals De Kunstkamer.
Vriendelijke Groeten,
Willy Helmich