Ferre Grignard werd geboren op 13 maart 1939. Hij stierf op 8 augustus 1982.
Daartussen liggen 43 erg woelige jaren, met een relatief kort hoogtepunt in
65-67, gevolgd door een lange neergang, tot hij uiteindelijk geveld werd door
keelkanker. Sindsdien rust hij op het Kleine Erepark R van het Schoonselhof in
Antwerpen onder een eenvoudige, ruwe steen die enkel het opschrift 'Grignard
1939-1982' draagt. De zerk kwam er onder impuls van enkele vrienden,
gecentreerd
rond galerie De Zwarte Panter van Adriaan Raemdonck. Een portret van Ferre door
Fred Bervoets werd verkocht om de steen te betalen, want hijzelf had slechts
schulden nagelaten. Over Ferre Grignard schrijven valt mij moeilijk. De
objectiviteit die ik daartoe zou moeten opbrengen is in dit geval bijna
onmogelijk. Ferre was voor mij meer dan iemand anders, en zonder dat ik
persoonlijk ooit veel woorden met hem gewisseld heb, een symbool. Niet voor mij
alleen trouwens. Hopelijk heeft ieder het zijne van hem opgestoken, zodat we
eerder leven dan herinneren. Ferre was zowat de verpersoonlijking van bepaalde
aspecten van de jaren 60 in Antwerpen, zij het op een zeer persoonlijke manier,
en hij zal dat blijven lang nadat vele andere coryfeeën die heel wat meer
praats, maar tegelijkertijd ontzaglijk veel minder ziel hadden, al lang
vergeten
zullen zijn. Het uitzonderlijke, maar tevens eenvoudigst te begrijpen, is dat
hij het zelf niet besefte. Zoals het hoort. De mythes rond Ferre waren talrijk,
ook tijdens zijn leven. Als ik nalees wat er in de schrijvende pers van die
tijd
allemaal over hem verteld werd, word ik wat ongemakkelijk, vooral omdat die
artikelen dikwijls van de hand zijn van mensen die beter hadden kunnen en
moeten
weten. In feite is de werkelijkheid heel wat schraler voor wat betreft
sensationele gebeurtenissen. Zoals zovelen van zijn tijd- en lotgenoten heeft
hij lang geaarzeld tussen een muzikale loopbaan of één in de schilderkunst.
Door
een toevallige samenloop van omstandigheden (het toeval was een van de weinige
constanten in zijn leven) kwam de nadruk te liggen op de muziek, hoewel we niet
mogen vergeten dat hij de laatste maanden van zijn leven de draad van het
schilderen opnieuw opgenomen had; als allerlaatste blijk van zijn creativiteit
hield hij in juni-juii 1982 een opmerkelijke tentoonstelling in de al genoemde
Galerie Zwarte Panter. Een tentoonstelling waarvan Fred Bervoets, geen
dilettant, getuigt dat zij van hoge kwaliteit was: 'Allemaal opgaande, zwarte
lijnen, net Eiffeltorens, alsof hij besefte dat hij weg moést - het waren
werken
van een zeer sterke plastische schriftuur, werken waar ik bang van was...', zou
hij vijf jaar na Ferres dood zeggen in een radio-interview. Zijn opleiding
kreeg
hij aan het Stedelijk Instituut voor Sierkunsten en Ambachten aan de
Cadixstraat, waar hij het diploma van boekillustrator behaalde (weliswaar met
een onvoldoende voor muziek!) maar hij had ook contacten met de Antwerpse
Academie, zonder er ooit als student ingeschreven geweest te zijn. Al heel
vroeg
raakte hij verzeild in het wereldje van de Antwerpse bohème, aanvankelijk
geconcentreerd rond de Stadswaag (waar hij barman, zelfs even eigenaar, maar
vooral huiszanger was van de Gard Sivik), later rond het Conscienceplein (het
Pannenhuis en de Mok in de Wolstraat). Uiteindelijk vestigde hij zijn
hoofdkwartier in de Muze aan de Melkmarkt, die in 1964 onder impuls van twee
Kortrijkzanen, Toon Pauwels en Walter Masselis, haar beroemde en beruchte
deuren
opende. Wat tot dan toe min of meer een hobby was, ni. gitaarspelen en zingen,
nam in 1965 vastere vorm aan. Hij oogstte groot succes op Jazz Bilzen en het
Folk en Blues Festival in Deurne, zodat op aandringen van een aantal vrienden
en
met de hulp van Jo Van de Velde, een amateur-geluidstechnicus, in september 65
een singeltje uitgebracht werd op het Muze-label. Het zou het enige produkt
van deze 'firma' worden, maar er is de allereerste versie van zijn meest
beroemde, zij het niet zijn meest typische song Ring, Ring, I've got to sing op
te horen. Hans Kusters (alweer hij!) zag er wel wat in, en introduceerde Ferre
bij Philips. Een 'officiële' single volgde in januari 66 en het werd wat men
een
smash-hit noemt. Onmiddellijk werd dan ook een LP klaargestoomd, die tot op
heden zijn meest succesvolle is gebleven. De twee daaropvolgende jaren waren
een
droom, of een nachtmerrie, het is maar hoe je het bekijkt. Zijn foto prijkte in
zowat alle muziekbladen die Vlaanderen en Nederland rijk waren, en hij trad in
diezelfde contreien op met een haast waanzinnig succes, zowel live als op tv.
Maar ook buiten deze grenzen trok het fenomeen de aandacht. In april 66 al
bespeelde hij als allereerste Vlaming de beroemde Olympia te Parijs, en onder
het goedkeurend oog van Juliette Gréco en Franoise Hardy zong hij er de toen
erg
populaire Antoine van het podium. Hij ging nog herhaaldelijk terug naar Parijs,
waar men Ferré (zoals men zijn naam daar spelde) blijkbaar wel mocht, en hij
nam
o.m. deel aan het Festival du Marais, en deed een paar optredens voor de ORTF
Ciaude FranQois (Ring ring) en Johnny Halliday himself (My crucified Jesus)
namen cover-versies van zijn songs op, wat in het geval van Halliday zelfs
uitliep op een plagiaat-proces, dat Ferre overigens verloor - big business
toonde zijn tanden. Zijn groep bestond toendertijd min of meer vast uit Georges
'Toet' Smits (gitaar), Miel 'Fingertips' de Somere (washboard), Johan Koopmans
(bas - hij stelde zijn persoonlijke Rolls Royce ter beschikking voor vervoer
en,
vooral, publiciteitsfoto's) en Gregor Kartdi'(oftewel Jef Kersting, viool).
Maar het zij hier al gezegd dat zowat iedereen die in die dagen min of meer een
instrument bespeelde toen, en ook later, met Ferre jamde wanneer het pas gaf,
en
zelfs als het geen pas gaf. Ook in Duitsland werd opgetreden, en wel in de
legendarische Star-Club in Hamburg, zowat de tweede geboorteplaats van de
'Beaties juli 66). Optredens in Londen (geruchten gingen over de Palladium en
'zelfs de Marquee-Club) waren gepland maar zijn uiteindelijk niet doorgegaan,
ondanks contacten met de bekende promotor Giorgio Gomelsky, die mede aan de
wieg
van de Rolling Stones en de Yardbirds had gestaan. Maar ook van niet-muzikale
zijde liet Ferre van zich horen. Hij huwde, er werd een zoon geboren, en het
huwelijk (met Krie De Vylder, uit Sint-Niklaas) liep op de klippen. Een beetje
tegen zijn wil werd hij door de pers tot opperhoofd van het Vlaamse provo-dom
uitgeroepen, wat niet wegneemt dat hij zowat de meest in het oog lopende
vertegenwoordiger van Koen Calliauws Blote Voeten Plan werd. En Ring Ring, My
Crucified Jesus en het dikwijls verkeerd begrepen We want war werden
vooruitgeschoven als het Belgische equivalent van de protestliederen van Dylan,
Donovan en De Groot. Op een bepaald moment was er zelfs sprake van dat Ferres
platen op de Amerikaanse markt uitgebracht zouden worden door respectabele
maatschappijen als Reprise of Atlantic, maar ook dat bleek uiteindelijk niet
door te gaan. Want stilaan pakten zich wolken samen aan de blauwe hemel. Eerst
kwamen er problemen met het management. Aanvankelijk werd dat waargenomen door
Louis De Vries, tot een nogal onsmakelijke ruzie, die o.m. via de pers
uitgevochten werd, die banden opblies. Toen trad Robert Bylois in de arena,
maar
het werd al vlug duidelijk dat iemand die ook de belangen van Adamo
vertegenwoordigde niet op Ferres stijl van leven en werken ingesteld was. De
Vries werd teruggeroepen. Ferre had uiteindelijk géén manager meer, en het zou
duren tot 78 voor Hugo Spencer die ondankbare taak een tijdje op zijn schouders
zou nemen. Niet, of niet op tijd, opdagen voor concerten, en dan vaak in een
bedenkelijke staat van dronkenschap (hoewel dat de muziek niet altijd schaadde)
deed zijn naam bij de zaalexploitanten en promotors, maar, en dat was erger,
ook
bij het publiek geen goed. En er was het eindeloze gehakketak met
platenmaatschappijen. Aanvankelijk was dat dus Philips, later werd het Barciay,
toen weer wat onduidelijke labels als Motors en Labrador - platen van Ferre
verschenen dus dikwijls niet, of werden onvoldoende gepromoot en waren moeilijk
te verkrijgen; het doet je reputatie geen goed en je (commerciële) ster
verflauwt. Ook de doorlopende personeels wijzigingen van Ferres groep kwamen de
muziek niet altijd ten goede, maar ja, hij werkte dan ook met gelijkgezinden,
die opstapten bij het minste dat hun niet lag... Maar de ultieme slag kwam van
vadertje staat. Ferre had in de jaren 65-67 geld verdiend, veel geld zelfs,
maar
hij had het ook met handenvol uit- en weggegeven, zonder dat het ook maar in
zijn hoofd opkwam dat daar ooit belasting over betaald moest worden. Wie dat
niét vergat was de fiscus, en vanaf 68 kwam het gevecht tussen deze anonieme
instantie en Ferre op gang, een gevecht dat nooit zou eindigen. In april 79
werden zijn toen zo schamele bezittingen zelfs openbaar verkocht op de
Vrijdagmarkt, en zijn erfgenamen moesten uiteindelijk de erfenis weigeren omdat
die enkel uit schulden aan de staat bestond. Een paar keer (vooral in 69 en in
78, toen bij Philips zijn laatste plaat 1 wamed you verscheen) werd een
come-back voorbereid en uitgeprobeerd, maar het vuur was eruit. De publieke
smaak was geëvolueerd, en Ferre zelf had ook geen trek meer in een echte
'carrière'. Als hij dat ooit al had gehad. Hij bleef, weliswaar spelen en
optreden (op het einde met een begeleidingsgroep die
zich Mammouth noemde, onder leiding stond van Hugo Spencer en ook op eigen
houtje aan de weg timmerde. Ik herinner mij dat Ferre me op één van hun eigen
optredens ooit toevertrouwde: 'ik hoor dat eigenlijk niet graag'- hoewel de
groep, gegroeid uit de 5th Ball Gang, toch beslist verdienstelijke
psychedelische, elektrische blues produceerde), en haalde muzikaal-artistieke
toppen die waarschijnlijk die van zijn platenproduktie overtroffen, maar het
was
boter aan de galg. Ferre raakte nooit meer uit de put die voor hem gegraven was
- ook al was hij daar niet écht rouwig om. Hij eindigde weliswaar als een
totaal
verarmd man, door vele 'vrienden van vroeger' ietwat meewarig bekeken als een
reliek uit een vervlogen tijd, maar toch ook als een gelukkig mens, die deed
wat
hij wilde zonder zich door wie dan ook iets te laten dicteren. Volgens het
getuigenis van de hem behandelende geneesheren was hij dan ook uitzonderlijk
filosofisch gelaten in het aangezicht van de dood, en de 'parties' aan zijn
ziekbed zijn stilaan al even legendarisch (en aangedikt) als de man zelf. Aan
mythevorming scheen Ferre zijns ondanks nu eenmaal niet te kunnen ontkomen. Op
8
augustus 82 klonk het laatste akkoord, en op 12 augustus werd zijn as zoals
gezegd bijgezet op het 'kleine erepark' van de Antwerpse begraafplaats
Schoonselhof, op initiatief van enkele vrienden en onder overweldigende
belangstelling. Ook van de zijde van de pers, die zich nochtans (uitzonderingen
zoals Piet Sterckx niet te na gesproken) de laatste jaren totaal niet om hem
bekommerd had, tenzij misschien spottend. Plotseling herontdekte men een groot
Antwerpenaar, maar vijf jaar later was daar niet veel meer van te merken, want
terwijl de verzamelde pers de grote trom roerde over 'Elvis tien jaar later',
moest ik persoonlijk vaststellen dat zelfs de Antwerpse kranten met verbazing
vaststelden dat Ferre al vijf jaar dood was. Het zij zo. Tot zover leven en
dood. Maar Ferre was méér dan zijn leven en zijn dood. Hij was in de eerste
plaats een kunstenaar. Wat te zeggen over zijn muziek? De muziek van Ferre
Grignard laat zich moeilijk definiëren. Hij startte duidelijk in het skiff
Ie-genre; zijn muziek vertoonde meer dan toevallige gelijkenis met die van
Lonnie Donegan, van wie hij trouwens ettelijke nummers coverde. Maar ook was er
een sterke invloed van de zwarte blues, vooral in de laatste periode van zijn
leven, zoals te horen valt op de (weinige) overgebleven banden die zijn vriend
Sam toen maakte van optredens in Antwerpse cafés of bij hemzelf of bij vrienden
thuis. Blues die hij overigens slechts uit tweede hand kende, via platen dus.
Want het zij voor eens en voor altijd duidelijk gesteld: Ferre was nooit in
Amerika, leefde géén twee jaar in het zuiden van de VS, zoals herhaaldelijk
geschreven werd, en haalde zijn mosterd ook niet op de Newyorkse Bowery, zoals
Pol Van Mossevelde beweert in zijn nochtans in de regel goed gedocumenteerde
boek Met toeters en bellen (zijn appreciaties laten we verder geheel voor zijn
rekening ... ). Hij sprak en schreef trouwens een schabouwelijk, rudimentair
Engels, zodat hij voor het schrijven van 'echte' teksten een beroep moest doen
op Jozef Hermans, bijgenaamd 'de Mep', ex-zeeman, ex-bokser en de vroegere
exploitant van de Zazikobar aan de Veemarkt (nog een van die legendarische
bohémien-cafés uit de jaren 60), maar ook eminent kenner van de Amerikaanse
literatuur en cultuur. Ferré had echter ontegenzeggelijk gut-feeling voor de
blues, en hij was dan ook één van de belangrijkste vertegenwoordigers van wat
men later de blanke blues is gaan noemen. Figuren of groepen als Eric Clapton,
Mike Bloomfield, Canned Heat, Johnny Winter, Roy Buchanan en Rory Gallagher
zijn
bekend, maar men vergeet dikwijls dat heel wat authentiekere uitingen gevonden
worden bij schier onbekenden als Alexis Korner, Cyril Davies en bij ons Ferre
Grignard en Roland Van Campenhout.
Vriendelijke Groeten,
Willy Helmich