Google Groups no longer supports new Usenet posts or subscriptions. Historical content remains viewable.
Dismiss

Antwerpen in de jaren 60 (Jazz 2)

574 views
Skip to first unread message

Willy Helmich

unread,
Dec 10, 1998, 3:00:00 AM12/10/98
to

Op al die plaatsen werd regelmatig gemusiceerd in het begin van de jaren 60. Na
het verdwijnen van Mok en Sibemol (de Mok werd weliswaar door een hele rij
nieuwe eigenaars voortgezet tot in de jaren 80, maar het was geen specifiek
jazz-café meer) kwamen er ook nieuwe kandidaten. Er was sinds 64 de Muze, waar
op de eerste verdieping een hele reeks buitenlandse jazz-muzikanten kwamen
optreden (vooral in het blues-gen- re, het was niet voor niets de vaste
drenkplaats van Ferre), maar waar ook de eigen mensen terecht konden. Er was de
Paddock aan de Kaasrui, met glans die meest 'verderfelijke' van
alle'verderfelijke kroegen', naast café en muziekpodium ook een soort sleep-in
voor langharig werkschuw tuig op doorreis (op datzelfde podium trouwens). In de
latere jaren 60 kwamen daar nog de Groene Michei aan de Grote Markt en De Kroeg
in de Wolstraat bij, hoewel rock daar meestal de boventoon voerde. Typerend is
dat al die bedrijvigheid zich afspeelde binnen een straal van nog geen
kilometer, in het hartje van de oude stad, waar de traditionele prostituées
plaats moesten maken voor dit soort cafés (ook Ferre had korte tijd een eigen
etablissement in de Wijngaardstraat, compleet mét onverbloemde wandversieringen
uit een zedelozer tijd, dat toepasselijk Captain's Disaster heette). De zucht
naar herwaardering van die oude stadskern ging aldus hand in hand met de
ontwikkeling van de eigen jazz-muziek - al ging het wat ver om. zoals sommigen
deden, van een cultureel getto te spreken. Maar wie troffen we daar aan?

B. De mensen

In de jaren 60 trokken in Antwerpen bijna drie generaties jazz-musici voorbij,
van de boppers naar de hard-boppers tot de free freaks, met wonderlijk genoeg
maar één uitschieter naar het Dixieland-genre dat elders in Vlaanderen triomfen
vierde (en waaruit later een vrij groot aantal goede 'authentieke' New
Orleansbands groeide). En die Dixieland (we spreken hier over The Peanuts van
Frans Sans) had bovendien een vrij moderne klank omdat er meestal de musici in
speelden die ook meer moderne muziek maakten. Maar de goede orde van zaken eist
dat we eerst een woordje zeggen over de man die je de 'peetvader' van de
Antwerpse jazz zou kunnen noemen: Jack Sels.

Geboren in 1922 was hij heel wat ouder dan de meeste mensen die hier vermeld
zullen worden, maar hij was ongetwijfeld de figuur waar iedereen naar opkeek.
Hij sloeg al het 'wilde gedoe' van die jongeren trouwens met een monkel rond de
mond gade: hij die al gedurende de oorlog in een Amerikaanse legerband gespeeld
had, wist waar Abraham de mosterd moest halen, en hij zou nooit geaarzeld
hebben
om iemand die het echt meende de weg te wijzen. De eerste keer dat ik de toen
17-jarige Philippe Cathérine bezig hoorde was toen Sels hem op een (goede)
nacht
in de Mok introduceerde. Jack stierf in 1970, een beetje verbitterd vanwege de
geringe officiële erkenning van zijn werk, en wat gedepasseerd door het geweld
van de free-jazz, maar de laatste tijd wordt hij gelukkig wat geherwaardeerd,
en
zo hoort het, want wat hij op zijn jongere collega's overdroeg was een gevoel
voor de essentiële waarden van de jazz (swing en nog eens swing ... ) en
niemand
die Jack gekend heeft kan zeggen dat zijn leerschool een onbelangrijke geweest
is. Maar wie waren nu de bezielers van het jazzieven in Antwerpen gedurende de
periode die ons hier bezighoudt? Ook daarvoor moeten we even verder terug dan
de
jaren 60, weer naar Gard Sivik en naar het kwartet dat daar de huisband vormde.
Het bestond uit de al genoemde Mike Zinzen op altsaxo- foon, Paul Dumont of
Eddy
Murlot aan de piano, Rik Van Lil aan de bas en Butch Peieman of Jean-Marie
Bailleux aan de drums.

Mike was een autodidact, begonnen in dansorkestjes, tijdens zijn legerdienst
met jazz in aanraking gekomen en doorgegaan op de ingeslagen weg. Ook Paul
Dumont en Eddy Murlot waren 'oudgedienden' die al vanaf de late jaren 40 actief
waren; Rik Van Lil was een kapper uit Mechelen die er de bas als hobby bijnam;
Peleman en Bailleux vormden de jonge garde van Academiestudenten die ook
verknocht waren aan de muziek, het waren twee jonge power-drum- mers die eerder
overhelden naar het primitieve geweld van een Art Blakey dan naar het beheerste
spel van een Max Roach. Dit was de kern van het gezelschap, maar zoals gezegd
werd er hoofdzakelijk gejamd, en kon dus in principe iedereen meedoen die
toevallig aanwezig was en zin had om te musiceren. Zo kon men er ook Johan
Koopmans, evenals Bailleux een uitgeweken' Hollander, zoals dat toen genoemd
werd, en zoals er nogal wat rondliepen, achter de piano of aan de bas
aantreffen; de bas die ook Ferre Grignard nu en dan ter hand nam wanneer hij
geen gitaar speelde of zong. Tot de Antwerpse Hollanders' behoorde ook Jack Van
Poll, zoon van een industrieel uit Roosendaal, pianist en later bezieler en/of
muzikaal directeur van jazz-clubs als de September en de Riverside. Een
veelbelovende muiti-instru- mentalist was Cel Overberghe, die uit zowat eik
instrument onmiddellijk aanvaardbare klanken kon toveren en evolueerde van
trompet (die hij wegens gezondheidsproblemen vaarwel moest zeggen), via bas
naar
de saxofoon, die hij de dag van vandaag nog altijd bespeelt in de groep Relax
87. Er was Roger Spitaels, alweer een bassist, klein, vinnig en nerveus, die te
vroeg zou sterven. En er waren vele anderen die maar incidenteel iets met deze
scène te maken hadden (uit Gent bijv. de pianist Walter Augustijnen en de
bassist Rudy Blondeel). De verhuizing naar de Mok bracht ook een
personeelswisseling binnen het originele Gard Sivik-kwartet met zich mee.
Sommige muzikanten trokken naar elders, andere verdwenen uit het circuit omdat
hun gezinsleven het nachtelijk vertier onmogelijk of minder gewenst en minder
frequent maakte. Het nieuwe Mok-Kwartet bestond uit Zinzen, aanvankelijk nog
Butch of Jean-Marie, aan de bas André Metten (die wegens het gerechtelijk
verleden van Zinzen 'in naam eigenaar van de zaak was) en aan de piano Fred Van
Hove, die in tegenstelling tot de meeste anderen een heuse opleiding genoten
had, en twee deuren voorbij de Mok woonde. Het was zijn op Horace Silver en
Bobby Timmons geïnspireerde stijl die de stap naar de hard-bop mogelijk maakte,
ook al zou hij persoonlijk later in een hele andere richting evolueren. Maar de
grootste aanwinst was waarschijnlijk drummer Al Jones, een echte Amerikaanse
neger (!) die in Antwerpen was blijven hangen na de voorstellingen alhier van
het stuk The Connection door het Living Theatre, in de lente van 62. Hij had
nog
in de Big Band van Dizzy Gillespie gespeeld, maar was zwaar aan de drank en zag
het in Amerika niet meer zitten. Wel was zijn professionaliteit nog van dien
aard, dat hij vele van de jongere musici kon doen inzien dat blazen, roffelen
of
tokkelen alleen niet voldoende was. Hij zou, na heel wat moeilijkheden rond
zijn
drankzucht, echter vrij vlug naar Brusselse kringen verhuizen, om tenslotte nog
vrij jong te overlijden in Spanje. Dat waren zo'n beetje de belangrijkste
Antwerpenaars of 'geassimileerden', maar regelmatig kwamen ook muzikanten uit
andere contreien het plezier vergroten. Jacques Pelzer, Benoit Quersin, de al
genoemde Philippe Cathérine en anderen waren in de Mok graag geziene gasten, en
Jack Sels zag en hoorde dat het goed was, en speelde regelmatig mee. De derde
generatie Antwerpse jazz-musici was die van de free-jazzers, meestal niet
gehinderd door enige technische bagage of vaardigheid, maar misschien juist
daarom des te onbevangener tegenover de boodschap van
Ayler, Coleman, Shepp, Sanders, Dolphy, Taylor en consorten. We noemen hier
vooral de saxofonisten Kris Wanders en Edwin Serneels, de drummers Jan Van de
Ven en Ronny Dusoir en de percussionist Ivo Vanderborght. Typisch is, dat de
meesten onder hen hun instrument aan de wilgen zouden hangen toen de
frele-storm
uitgewoed was, en niet meer terugkeerden naar de iets meer gestructureerde
muziek, die vele ouderen, die slechts even met de free-ideeën geflirt hadden,
later gingen beoefenen. Bovenstaande opsomming heeft niet de pretentie van
volledigheid, want het moet gezegd dat vooral in de free-periode, maar ook
daarvoor, iederéén wel eens, desnoods gewoon voor de lol, een instrument ter
hand nam: zo speelde beeldhouwer/schilder Albert Szukalski ooit bas bij een
opname voor de BRT hoewel hij absoluut niet wist hoe dat moest, en ik herinner
mij een kreten-uitstotende Mon Devoghelaere (één van de meest intelligente,
doordachte en gedocumenteerde jazz-critici van toen en nu) tijdens een concert
met Fred Van Hove en Ronny Dusoir (en, meen ik, Kris Wanders). Dat kon
allemaal, en het was typisch voor de tijd: niet zozeer hoé men iets deed telde,
wel dat men het deed. Dat er desondanks meestal erg boeiende muziek gemaakt
werd, zou tot nadenken kunnen stemmen. Er werd dus veel gespeeld. Maar wat
precies?

Vriendelijke Groeten,
Willy Helmich


0 new messages