Vanzelfsprekendis een basis methode Nederlands voor laaggeschoolde volwassenen. De volledige leergang is nu compleet vernieuwd en bestaat uit een dvd met een hilarische soap en boeiende reportages, een tekstboek, een werkboek en een set van vier cd's. Aan de hand van korte, levendige leseenheden worden circa 2.000 frequente woorden, de basisgrammatica en de nuttigste taalhandelingen van het Nederlands aangeboden en ingeoefend. Daarnaast is Vanzelfsprekend een directe kennismaking met de Vlaamse en Belgische samenleving. De leergang is zowel geschikt voor zelfstudie als voor gebruik in de klas, en is aan alle leerstijlen aangepast. Vanzelfsprekend is verkrijgbaar met de hulptalen Engels en Frans.
Een interventie die zich richt op het versterken van de affectieve ouder-kind relatie en het bevorderen van de ontwikkeling van het kind. Onderliggende gedachte is dat de ouder-kind relatie minder vanzelfsprekend verloopt wanneer sprake is van ontwikkelingsproblemen bij het kind. Samen met ouders gaan we op zoek naar ingangen om het speelse contact en plezier te bevorderen en wederzijdse communicatie te stimuleren.
Dit boek geeft een praktische beschrijving van de methode FloorPlay en het theoretische DIR model (Greenspan) dat eraan ten grondslag ligt. Het biedt inzicht in de theoretische achtergrond, illustraties met klinische vignetten en handreikingen om de behandeling aan jonge kinderen in relatie met hun ouders vorm te geven
Met dit boek willen we vele professionals (en via hen ouders) inspireren in het toepassen van FloorPlay en het speels helpen groeien van kinderen waarbij de ontwikkeling niet vanzelfsprekend verloopt.
Toen Thijm geestelijk de ogen opende, kon hij waarnemen hoe Le Sage ten Broek uiterst bedrijvig ten gunste van het katholicisme ageerde; hij nam niet minder waar, hoe protestantse schrijvers en dichters tegen rationalisme en verlichting in het geweer waren gekomen. Vooral tot deze protestanten moest de dichterlijke jongeman zich aangetrokken voelen; zij immers konden, beter dan Le Sage en andere katholieken, als de grote meesters op het terrein van kunst en schoonheid fungeren. Wanneer zijn vader dan ook Withuys en Hendrik Harmen Klijn raadpleegt over de letterkundige vorming van zijn zoonGa naar voetnoot1, wijzen de heren hem, vanzelfsprekend, op Bilderdijk. Bij hem en, maar in mindere mate, bij Da Costa sluit de jonge Thijm zich con amore aan.
Aansluiten is hier het juiste woord: Thijm is ruim twintig jaar later geboren dan Da Costa; hij kon diens Bezwaren tegen den Geest der Eeuw nog niet eens lezen, toen die in 1823 verschenen. Toen Da Costa geestelijk al gevormd was, begon Thijm, hoezeer ook vroeg ontwikkeld, pas te denken. Hij vormt zich dan vooral in de school van Willem Bilderdijk, die hij levenslang met grote eerbied is blijven vereren. Van de vierentwintigjarige Thijm dateert een gedicht bij een borstbeeld van Bilderdijk met de bekende aanvang:
kunstwerk (zijn klok), waarin streng verstand en teer gevoel, maat, vorm en melodie samenwerken tot hoger doel. Maar hij blijkt niet in staat het ideale kunstwerk te vervaardigen. Liefde, kunst en schoonheid vinden op aarde nimmer hun volle verwerkelijking! Men kan dit gedicht plaatsen naast de beste gedichten die in dit genre toen in Nederland geschreven werden; nochtans ligt Thijms eigenlijke kracht niet in de dichtkunst. Als zodanig hoort hij, als vrijwel allen uit de eerste helft van de eeuw, tot de mindere goden. Viooltjens (1844), Legenden en Fantaizin (1847) en Palet en Harp (1848) zijn produkten uit de periode, waarin de jonge Thijm nog zoekt naar zijn persoonlijke vorm.
Eng verbonden met deze zucht naar materieel gewin is de genotzucht, waarvan n vorm - de prostitutie - klaarblijkelijk een sterke indruk op de dertigjarige Thijm gemaakt heeft. Een van de beste novellen die hij schreef, de al genoemde Magdalena van Vaernewijck (1851), is aan dit onderwerp gewijd; en in Het Voorgeborchte volgt, onmiddellijk op
Sinds een jaar of tien lijkt het terugbrengen van water in het stadsbeeld de toverformule voor stedelijke revitalisatie. Bovendien, zo is de gedachte, kunnen binnenstedelijke wateren een bijdrage leveren aan een gezonde waterhuishouding.
Welke ingrepen zijn er in de verschillende steden gedaan? In Gent en Limerick ging het om het herstel van verbroken verbindingen. De Leie en de Schelde zijn in Gent opnieuw verbonden, zodat plezierboten een circuit kunnen volgen en in een nieuwe jachthaven kunnen aanleggen. In Limerick is het dichtgeslibde Parc Canal, dat het stadscentrum met de erbuiten gelegen universiteit verbindt, uitgegraven en voorzien van oevers met fiets- en wandelpaden.
Het concept van Business Improvement Districts (BIDS), waarbij een investeringsmaatschappij zich verantwoordelijk stelt voor het bouwrijp maken, de bouwbegeleiding n het onderhoud en beheer na oplevering, zorgde in Limerick voor een gigantische bouwhausse, die veel verder reikte dan de herontdekking van het 1,5 kilometer lange Parc Canal.
Zowel procesmatig als inhoudelijk tonen Chester en Limerick zich in hun aanpak verreweg het meest intelligent, dynamisch en daadkrachtig. Misschien was de economische urgentie van de ingrepen in deze meer perifeer gelegen stedelijke districten het grootst. Het plan voor Limerick werd binnen acht weken van papier tot uitwerking gebracht, omdat de afdeling Stadsplanning autonoom opereert en niet afhankelijk is van welstandscommissies of waterschappen.
Chester kenmerkt zich door een overtuigende en authentieke benadering: de stad koppelt verschillende dragers van zijn rijke landschappelijke gelaagdheid (de rivier, het Romeinse amfitheater, de stadsmuren, een spoorwegviaduct, een bestaand park) aan elkaar tot een vanzelfsprekend, niet-historiserende strategie voor een culture park, waarin ook het waterhuishoudkundige aspect integraal vervat is.
Een handboek, zoals de voormalige Bredase wethouder Kees Schoenmakers in het voorwoord stelt, is Water in historic city centres niet. Daarvoor hadden de verschillende steden systematisch op dezelfde punten vergeleken moeten worden, met de succesen faalfactoren gerangschikt per casus en ingreep. De toon is te ronkend en te algemeen voor een handboek.
Wat het boek wl doet, is de lezer nieuwsgierig maken naar de verschillende steden. En zo beantwoordt het toch aan het uiteindelijke doel: het trekken van nieuwe bezoekers. Gouda, Leiden, Delft, Deventer, Zutphen, Drachten en Woerden: allemaal zijn ze bezig met dezelfde thematiek. Misschien kunnen we over een kwart eeuw constateren dat het opengraven van stedelijke stromen d stedenbouwkundige binnenstadsmode was aan het begin van het tweede millennium.
In de hogere jaren van het secundair onderwijs veronderstellen veel leerkrachten dat hun leerlingen individueel notities kunnen maken. Bruikbare, studeerbare notities samenstellen is echter een vaardigheid die niet zomaar verondersteld mag worden. Luisteren naar studiestof is immers niet hetzelfde als luisteren naar muziek. Zoals bekend bestaat het leren luisteren uit verschillende vaardigheden waarvan het luisteren naar studiestof er slechts n is (1).
Ik pleit dan ook voor een begeleid inoefenen van de verschillende deelvaardigheden in n leerjaar. Ik stel voor dat we dit in het vierde jaar secundair onderwijs doen. In de twee jaren die hierop volgen moeten de leerlingen op geregelde tijdstippen geoefend worden in het beheersen van de verschillende deelvaardigheden aan de hand van concrete luisteroefeningen.
Ik stuur ook aan op gentegreerd werken. Niet alleen moeten de verschillende deelvaardigheden gesitueerd worden binnen de grote totaalvaardigheid. Ook moeten er verbanden gelegd worden naar de andere vaardigheden en ook naar de taalbeschouwing en de literatuur.
Essentieel is de VUT-structuur. VUT staat voor Voorbereiden-Uitvoeren-Terugblikken. Deze strategie moet bij de inoefening van alle vaardigheden aan bod komen en is levensnoodzakelijk om een complexe totaalvaardigheid als het noteren tot een goed einde te brengen.
Voor je naar een uiteenzetting luistert, moet je weten waarom en vooral hoe er geluisterd moet worden. Een speech van de directeur tijdens de proclamatie van de afgestudeerden mag je immers niet op dezelfde manier opnemen als de uitleg van de leraar geschiedenis over de Industrile Revolutie. Beide teksten hebben immers een heel ander doel en ook de context verschilt zeer sterk.
Vaak loopt het luisterproces bij het orinteren op de luistertaak al fout. De volgende situatie is immers niet fictief. De leerkracht geschiedenis toont bij de uiteenzetting van de Industrile Revolutie een documentaire. De meeste leerlingen zitten verveeld naar het videofragment te staren, omdat het onderwerp hen niet aanspreekt. Enkele leerlingen maken aantekeningen. In de nabespreking wil de leerkracht dat de leerlingen de vier stadia van de Industrile Revolutie kunnen opnoemen die in het fragment aan bod kwamen en deze stadia kunnen typeren. Slechts weinig leerlingen kunnen aan het onderwijsleer-gesprek deelnemen, omdat die informatie hen volledig ontgaan is.
Zowel bij onze leerlingen als bij onszelf en onze collega's zou daarom voor de start van het eigenlijke luister-, en in dit geval ook kijkproces, moeten doordringen wat de eigenlijke bedoeling van de gesproken tekst is. De leerkracht zou in bovenstaand voorbeeld kunnen aankondigen dat het fragment de basis zal vormen van een diepgaand onderwijsleergesprek waarin eerder geleerde inhouden gesitueerd zullen worden in een historisch overzicht van vier stadia. De leerlingen moeten in dat geval de vier stadia eruit zien te halen en moeten ook proberen om de andere informatie uit het videofragment en de eerder geziene leerstof te situeren binnen deze stadia. Op deze manier beseffen de leerlingen waarom ze naar het fragment kijken en luisteren en weten ze ook hoe ze de informatie moeten verwerken.
Selectief luisteren: De luisteraar zoekt gericht naar vooraf bepaalde uitspraken, citaten, stellingen, beweringen of veronderstellingen die de hoofdidee bevestigen of ontkrachten. Selectief luisteren doe je ook als je een antwoord op een vraag moet halen uit de luistertekst. Je besteedt alleen aandacht aan dat fragment dat hierover meer duiding geeft.
3a8082e126