Deavonden. Een winterverhaal is de debuutroman van Gerard Kornelis van het Reve. Het verhaal werd in oktober 1947 voor het eerst gepubliceerd door De Bezige Bij, onder de auteursnaam Simon van het Reve en in november van dat jaar bekroond met de Reina Prinsen Geerligsprijs. Latere drukken na 1953 verschenen onder de naam G.K. van het Reve en vanaf 1973 onder de naam Gerard Reve. Het verhaal beslaat tien dagen uit het leven van de 23-jarige kantoorklerk Frits van Egters in even zoveel hoofdstukken.
In de periode 1947-2017 zijn van De Avonden 64 drukken verschenen.[1] Het boek wordt gerekend tot de "klassieken" in de Nederlandse literatuur. Vele naoorlogse jongeren vonden hierin hun leven en hun wereld vertolkt, maar toen het boek eind 1947 verscheen riep het verdeelde reacties op. Sinds de jaren 60 maakte het een heropleving door. Het genoot een toenemende populariteit toen het na 1962 meerdere goedkope herdrukken beleefde als paperback.
De in tien hoofdstukken beschreven gebeurtenissen spelen zich af over een periode van tien dagen. De vermelding aan het slot van Amsterdam, zondag 18 mei 1947 slaat op de afsluiting van het manuscript door de schrijver.
Op zondagmorgen 22 december 1946 ontwaakt Frits van Egters om half acht in een etagewoning aan de Amsterdamse Schilderskade, waar hij samen met zijn ouders woont. Hij heeft net een nare droom gehad, over een man met een bolhoed die het huis binnenkwam en ineens in een doodskist lag. De kist bleef eerst dagenlang staan, waarna er bij het begraven van alles misging.
De dromen van de hoofdpersoon en het gegeven van het verstrijken van de tijd komen hierna alsmaar terug in het verhaal van deze roman. Nadat Frits die ochtend eerst een kleine wandeling heeft gemaakt, ontbijt hij samen met zijn ouders en bekijkt zichzelf vervolgens naakt in een paar spiegels.
Frits' oudere en getrouwde broer Joop komt even op bezoek om een eetafspraak af te zeggen. Frits wijst Joop op zijn hoofd, dat al begint te kalen. Na het avondeten bezoekt Frits een van zijn oude vrienden, Louis Spanjaard, die zich in tegenstelling tot Frits non-conformistisch gedraagt. Frits informeert naar Louis' zwakke gezondheid en de twee vertellen elkaar enkele even bizarre als lugubere verhalen. Weer thuisgekomen stelt Frits vast dat de dag zinloos voorbij is gegaan, nadat hij overdag verschillende malen op zijn horloge heeft gekeken.
Op maandag 23 december komt Frits om half vijf terug van zijn werk, vervuld van naargeestige gedachten. Na het eten bezoekt hij zijn broer Joop en diens vrouw Ina, waarna de drie naar een renie gaan van het Berendsgymnasium dat Joop wel heeft afgemaakt en Frits niet. Frits voelt zich hierom "de mislukte", en tijdens de renie houdt hij zich uit schaamte afzijdig tegenover zijn vroegere schoolgenoten. Weer thuisgekomen bekijkt Frits vol afkeer zijn oude schoolboeken. Hij valt daarna in slaap en droomt over een witte zwaan die het op zijn leven gemunt heeft, wat hem echter in zijn droom totaal onverschillig laat.
Op dinsdag 24 december koopt Frits 's middags in een goedkope fietsenwinkel een bord en beker van aluminium voor Hansje, het kind van zijn vriend Jaap Elderer en diens vrouw Joosje dat die dag zijn eerste verjaardag viert. Wanneer Frits bij het huis van de Elderers aankomt, treft hij daar alleen Joosje en haar tante Stien aan. Hij raakt met hen in gesprek en op een gegeven ogenblik gaat het over kanker. Frits noemt dit een "mooie, machtige ziekte". Even later arriveert ook Joosjes moeder, mevrouw Mosveld. Het valt Frits op dat moeder en dochter er precies hetzelfde uitzien en even oud zouden kunnen zijn. Vervolgens noemt hij de schreiende Hansje "een kreng van een kind" en zegt dat de zenuwen van het kind wel verkeerd zullen zijn gegroeid, waardoor het niet lang zal leven. Als ook Jaap arriveet, raakt Frits met hem in gesprek over Jaaps beginnende kaalhoofdigheid en andere lichamelijke gebreken zoals bochels en blindheid.
Nadat Frits naar huis en naar bed is gegaan, droomt hij dat hij voor een onbekend huis staat en in de verte iets, dat op een stoomwals lijkt, hoort aankomen. Hij vlucht het huis in, maar het ding blijft hem ook daar achtervolgen.
Op woensdagmorgen 25 december is er in het huis van Frits en zijn ouders van enige kerstsfeer geen sprake. Frits staat pas om half elf op en klaagt tegen zijn moeder dat zijn gekookte ei koud is geworden. Nadat Frits' ouders naar een bevriende familie zijn gegaan, belt een zekere Lande aan, die vermoedt te zijn bestolen door een wederzijdse kennis van hemzelf en Frits, Maurits Duivenis. Nadat Frits weer alleen is, urineert hij uit verveling in de kachel en verbaast zich vervolgens over de stank. Vervolgens steekt hij met een lucifer een pissebed die over het plafond loopt in brand. Op bijna datzelfde moment komt Louis Spanjaard binnen. Frits vertelt Louis hoe hij als kind allerlei kleine dieren (insecten, spinnen, kikkers, vissen) martelde. De twee besluiten vervolgens samen naar de film De Zevende Sluier in de bioscoop Princeps te gaan. Ze gaan er te voet heen en met de tram terug, en vervolgens gaan ze bij Frits' ouders eten.
's Avonds gaat Frits op bezoek bij een andere vriend, Walter Graafse, die op zijn piano een partita van Johann Sebastian Bach speelt. Frits vindt zowel het instrument als de muziek prachtig. Walters zus geeft een stevige berisping omdat de vrouw van de bovenbuurman op sterven ligt en de muziek dus zeer hinderlijk is, waarop Frits zegt dat stervenden vaak een zeer goed gehoor hebben.
's Avonds gaat Frits, na eerst een paar uur bij de kachel te hebben gezeten, op bezoek bij de boekenverzamelaar Victor Poort die inwoont bij het getrouwde paar Herman en Lydia. Frits en Victor hebben het onder meer over de problemen tussen Frits' ouders. Victor geeft Frits een psychiatrisch handboek boek te leen, De kleine zenuwlijder. De volgende morgen heeft Frits een erotische droom, waarin hij Lydia's ontblote dij ziet.
Op vrijdag 27 december komt Frits 's middags van zijn werk, waar hij even op een prettige manier aan zijn schooltijd werd herinnerd toen de lichten vanwege zware bewolking midden op de dag aan moesten; de sombere sfeer deed de laatste uren op school sterker contrasteren met de overgang naar vrije dagen. Vervolgens besluit Frits om twee kaartjes voor de avondfilm in de bioscoop te kopen. Hij vraagt eerst Victor en dan Louis om mee te gaan, maar beiden hebben die avond geen tijd. Bij de bioscoop treft Frits Maurits die op zoek is naar een plek voor de ingang, en gaat dan maar samen met hem naar de film kijken, hoewel hij dit niet geweldig vindt. Maurits vertelt Frits dat hij de jas inmiddels heeft doorverkocht.
Op zaterdagavond 28 december gaat Frits samen met Jaap, Joosje en Victor naar een nachtclub. Frits en Jaap bezatten zich en Frits begint te praten over mensen die tijdens de Hongerwinter geregeld bij zijn ouders kwamen eten. Ook heeft hij het over de fouten en gebreken van de mensheid en God die alles ziet, maar niemand van de aanwezigen neemt hem echt serieus. Door een paar mensen op straat geholpen komt Frits 's avonds laat vermoeid en misselijk thuis, waar hij door zijn ouders wordt opgevangen, uitgekleed en naar bed gebracht. Hij prijst zijn beide ouders vanwege hun goedheid.
Op zondagmorgen 29 december wordt Frits wakker met een zware kater en een sterke braaklucht in zijn neus. In de woonkamer heeft hij een aanvaring met zijn ouders omdat ze vinden dat hij zich asociaal gedraagt. 's Avonds gaat hij op bezoek bij Bep Spanjaard, de alleenwonende zus van Louis. Op haar benen heeft Bep iets wat op eczeem lijkt, en Frits probeert haar aan te praten dat ze een zeer pijnlijke beenvliesontsteking zal krijgen. Bep leent Frits haar wollen knuffelkonijn en nodigt hem uit om de volgende dag samen met Eduard Hoogkamp, Jaap, Joosje en Louis naar de film De groene weiden te gaan. Die nacht droomt Frits dat hij spoedig zal verdrinken omdat hij in een vol water lopende kano zit.
Op maandag 30 december gaat Frits 's avonds naar het huis van Bep Spanjaard. De opa van Jaap is net begraven en samen met Jaap bespreekt Frits allerlei zaken die met de dood en begrafenissen te maken hebben, tot ongenoegen van de andere aanwezigen die het gezellig willen houden. Frits is ontroerd door de film, maar veracht zichzelf als hij op een gegeven moment tranen in zijn ogen heeft. Die nacht droomt Frits over een lijk dat als postpakket bij hem thuis wordt afgeleverd. De dode is ongeveer even oud en groot als Frits zelf.
Op dinsdag 31 december is Frits vroeg klaar op kantoor. Op weg naar huis komt hij Maurits weer tegen, die in het zwembad schoenen en een jas heeft gestolen. Frits wenst hem geen gelukkig Nieuwjaar. Thuisgekomen doet hij een dutje en droomt dat hij in een fabriek onder de hamer van een aambeeld verpletterd dreigt te worden. Frits gaat 's avonds nog even langs bij Louis en merkt op dat die er niet goed uitziet. Weer thuisgekomen ontdekt Frits dat zijn moeder vruchtensap in plaats van echte wijn heeft gekocht. Het feit dat iets duurs achteraf waardeloos blijkt vindt hij zo erg, dat het hem tot tranen beweegt.
De rest van de avond denkt Frits voortdurend aan de voortschrijdende tijd. Direct na middernacht gaat hij naar zijn vrienden, die echter geen van allen thuis blijken te zijn. Op weg terug naar huis smeekt Frits in een gebed God om erbarmen met zijn ouders.
zijn bedrieglijk in die zin dat ze een zekere vertrouwelijkheid suggereren, die in de rest van het verhaal totaal niet wordt uitgewerkt. Centrale thema's in De avonden zijn de eenzaamheid, angst, het verstrijken van de tijd, verveling, desillusie en het gevoel van schuld en minderwaardigheid, gebrek aan zelfvertrouwen, sociaal isolement en het uit dit alles voortvloeiende cynisme van de protagonist Frits van Egters. Een aantal van deze aspecten is ook terug te zien bij sommige andere figuren in het verhaal, zoals Frits' ouders. Hoewel Frits ogenschijnlijk een aantal goede vrienden heeft is hij in feite erg eenzaam, aangezien de gesprekken die hij met hen voert over het algemeen zeer oppervlakkig en weinig zinvol zijn. Hoewel Frits aan het einde van het boek een gebed uitspreekt voor zijn ouders, is de relatie die Frits heeft met zijn ouders en vooral met zijn vader ronduit slecht te noemen. De voorvallen die Frits zich uit zijn jeugd herinnert zijn de mensen uit zijn naaste omgeving allang vergeten, wat Frits' gesoleerde positie nog eens versterkt. Hij lijdt daarnaast aan vormen van herhalingsdwang: hij moet om de haverklap op zijn horloge kijken, kan geen gesprek laten stilvallen en heeft een obsessie met bepaalde typische zaken zoals de dood en kaalhoofdigheid.
3a8082e126